Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP5811

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
08-710683-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Witwassen. Zes oogsten van 400 planten oplopend naar 1400 planten gedurende 20 maanden. Benadeling van verdachte door de weigering van de OvJ om het conservatoir beslag op het onroerend goed van verdachte op te heffen verdisconteerd in strafmaat. Onwenselijk lange duur eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710683-08

datum vonnis: 25 februari 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren [1964] in [geboortplaats],

wonende te [adres] in [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 maart 2010, 2 november 2010 en 11 februari 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Huisman en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.P. Breukink, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008 in een pand aan de [adres] te Geesteren, met anderen, een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad;

feit 2: in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008 zich, met anderen, schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008 te Geesteren, in de gemeente Tubbergen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (uit beroep of bedrijf) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) (een) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materia(a)l(en) bevattende hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008, te Geesteren, in de gemeente Tubbergen, en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) aanzienlijk(e) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/ althans van (een) voorwerp(en), te weten (een) aanzienlijk(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak. De raadsvrouw heeft na het requisitoir van de officier van justitie gepleit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Gezien de wetsgeschiedenis dienaangaande en de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad, verwerpt de rechtbank het verweer. De rechtbank zal het beroep op overschrijding van de redelijke termijn in overweging nemen bij de bepaling van de strafmaat en zal het als zodanig behandelen onder punt 8 van dit vonnis. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5.1 De beoordeling van het bewijs

Feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

5.2 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008 te Geesteren, in de gemeente Tubbergen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en verwerkt en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2007 tot en met 1 oktober 2008, te Geesteren, in de gemeente Tubbergen, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten aanzienlijke geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet en van voorwerpen, te weten aanzienlijke geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 11 Opiumwet en de artikelen 47 en 420bis Wetboek van strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 20 maanden in bewuste en nauwe samenwerking met anderen schuldig gemaakt aan het illegaal kweken van hennep met de bedoeling die te verkopen en aldus in het (illegale) handelscircuit te brengen. De drijfveer van verdachte was kennelijk financieel gewin. Tijdens de tenlastegelegde periode is zesmaal geoogst. Het aantal planten liep daarbij op van 400 planten op zolder naar 1400 planten in de ruimte achterin de loods. Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank in overweging dat verdachte niet het initiatief heeft genomen tot het opzetten van de eerste kwekerij. Hij werd op dit idee gebracht door een van de mededaders van wie hij € 10.000,- had geleend. Het was tevens die persoon die zorgde voor het startkapitaal. Het initiatief voor de tweede kwekerij in de loods was daarentegen wel van verdachte afkomstig. Klaarblijkelijk was verdachte overtuigd van de gemakkelijke winsten die een hennepkwekerij kan opleveren. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs bevatten immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Daarnaast zijn hennepplantages aan te merken als een economische illegale activiteit, waarmee op gemakkelijke wijze aanzienlijke “zwarte”winsten kunnen worden geboekt.

Verdachte heeft zich in dezelfde periode ook in bewuste en nauwe samenwerking met anderen schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft door een aantal creatieve methoden, waaronder het vervalsen van facturen, kunstmatig ophogen van waarde van de eindvoorraad en het gebruiken van een arbeidsovereenkomst als dekmantel voor de betaling van een medewerker in de kwekerij, de ware aard van aanzienlijke sommen illegaal verkregen geld verborgen en in het reguliere circuit gebracht. Ook heeft verdachte éénmaal de oogst zelf verkocht en heeft hij de opbrengst hiervoor in ontvangst genomen en verdeeld. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer en heeft daarmee financieel nadelige gevolgen voor de maatschappij.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank ten gunste van verdachte in haar overweging betrokken dat verdachte nooit eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld. Het financieel gewin van verdachte bestond er in dat hij aan zijn schulden kon voldoen. Hij zag geen andere uitweg hiervoor. Hij heeft zoals hij dit zelf omschrijft ‘gegokt en verloren’. Te prijzen valt dat verdachte na ontdekking volledige openheid van zaken heeft gegeven en bereid is de consequenties van zijn daden te accepteren. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Unit Almelo van 2 december 2008. Het rapport stelt dat de kans op herhaling klein is en adviseert om aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank bij haar overwegingen de oriëntatiepunten straftoemeting betrokken voor zover deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven voor een first-offender als uitgangspunt voor het met een zekere professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes met als kennelijk doel de verkoop van de geoogste planten, wanneer sprake is van tussen de 100 en 500 planten, een onvoorwaardelijke vrijheidstraf van zes weken en wanneer er sprake is van 500 en 1000 planten, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twaalf weken.

Ten aanzien van de strafmaat heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat uit het dossier voldoende is gebleken dat verdachte rechtreeks is benadeeld door de weigering van de officier van justitie om het conservatoir beslag op het onroerend goed onder [verdachte], [adres] te Geesteren op te heffen. Hierdoor is een geplande verkoop niet doorgegaan en is het onroerend goed uiteindelijk via executie in opdracht van de bank verkocht voor een bedrag dat ongeveer € 165.000,00 lager was dan het bod bij onderhandse verkoop. Aangezien het conservatoir beslag bedoeld was om verhaal mogelijk te maken in het kader van een ontnemingvordering en conservatoir beslag geen eigenstandig sanctionerend effect dient te hebben, had de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang om niet mee te werken aan de verkoop. Immers zou na verkoop voor € 700.000,00 het beslag op dat bedrag hebben gerust en (deels) voor ontneming gereed hebben gelegen.

Redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM

De raadsvrouw van verdachte is van oordeel dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden. Mede gezien de coöperatieve opstelling van verdachte, de beperkte complexiteit van de zaak en het gebrek aan actie aan de zijde van het openbaar ministerie bepleit de raadsvrouw primair niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair een aanmerkelijke matiging van de op te leggen straf.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, maar dat de overschrijding in beginsel gecompenseerd dient te worden door vermindering van de straf.

De rechtbank overweegt voorts dat de termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is begonnen op 1 oktober 2008, de datum waarop verbalisanten naar aanleiding van een anonieme tip een onderzoek hebben ingesteld bij de woning en het bedrijf van verdachte aan de [adres] te Geesteren en verdachte bekende aldaar een hennepkwekerij te onderhouden. Aangezien het vonnis wordt gewezen op 25 februari 2011, heeft de zaak in eerste aanleg meer dan twee jaar en vier maanden en daarmee onwenselijk lang geduurd. Het te lange tijdsverloop is in dit geval veroorzaakt door de vertraging in het aanbrengen van de zaak door het openbaar ministerie en het verzoek om in de zaak van twee medeverdachten getuigen te horen. De rechtbank is van oordeel dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake is maar dat de onwenselijk lange duur van de zaak moet leiden tot compensatie in de hoogte van de straf, in die zin dat geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd zal worden.

De rechtbank acht, alles overwegende, voor de bewezenverklaarde feiten een werkstraf voor de duur van 40 uren een passende straf. Ten einde te verzekeren dat verdachte geen nieuwe strafbare zal plegen zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen. Van deze straf zal in geval van eventuele tenuitvoerlegging daarvan de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis worden afgetrokken.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 91 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in haar recht tot strafvervolging;

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- feit 2: het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat deze voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de voorwaardelijke gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 40 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

Opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. U. van Houten en

mr. J.H. Olthof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Steeghs, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2011.