Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP5810

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
362.742 EJ VERZ 11-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werknemer, 61 jaar oud, is sedert 3 juli 1989 parttime in dienst van werkgever in de functie van veilingmedewerker. Werkgever heeft de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht omdat zij vanaf november 2009 geen veilingen meer organiseert en voor werknemer geen ander werk meer voorhanden is. Het verzoek wordt toegewezen onder toekenning van een voorwaardelijke vergoeding (ad € 55.242,--) aan werknemer op basis van correctiefactor C=1. (NB: tussen partijen is een procedure aanhangig waarbij werknemer de werkgever heeft gedagvaard teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of hij nog steeds in dienst is van de werkgever. Deze procedure loopt nog.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0146
AR-Updates.nl 2011-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie Enschede

Zaaknummer : 362.742 EJ VERZ 11-76

Beschikking van de kantonrechter d.d. 17 februari 2011 in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

O.P.V. De Overijsselse Postzegelveiling B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede

verzoekster,

hierna te noemen OPV

gemachtigde: mr H. Dijks

advocaat te Enschede

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder,

hierna te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr E.P. Cornel

advocaat te Enschede

Gezien het op 10 januari 2011 ter griffie van dit gerecht binnengekomen verzoekschrift strekkende tot ontbinding ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst voorzover deze per heden nog zou bestaan.

Gezien het ingekomen verweerschrift en de overige op het geding betrekking hebbende stukken.

Gelet op hetgeen door en/of namens partijen is verklaard bij de mondelinge behandeling van het verzoek op 10 februari 2011.

Overweegt:

1. Gebleken is dat het verzoek geen verband houdt met de in de wet bedoelde opzegverboden.

2. OPV verzoekt de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van een gewichtige reden, bestaande uit een wijziging van omstandigheden, welke met zich meebrengt dat er op korte termijn een einde aan die arbeidsrelatie tussen partijen dient te komen.

3. Die wijziging van omstandigheden zou bestaan uit het feit dat er binnen OPV vanaf november 2009 geen veilingen worden georganiseerd, zodat er ook geen werk meer is voor [verweerder]. Hij verrichtte immers enkel en alleen werkzaamheden die verband hielden met de te organiseren veilingen.

4. [Verweerder], bijna 61 jaar, is sedert 3 juli 1989 in dienst van OPV in de functie van veilingmedewerker voor drie dagen in de week. Ongeveer vier jaar geleden is bij hem de ziekte Hepatitis C geconstateerd. Het gevolg hiervan is dat hij snel moe is en fysieke problemen heeft. Als gevolg hiervan wordt [verweerder] door OPV ontzien voorzover het zwaar tillen en sjouwen betreft.

5. [Verweerder] is de mening toegedaan dat hij nog steeds bij OPV in dienst is. OPV is een andere mening toegedaan. [Verweerder] heeft OPV gedagvaard teneinde uitgemaakt te krijgen of hij nog steeds bij OPV in dienst is. Die procedure is aanhangig gemaakt bij deze rechtbank en sector, doch bevindt zich nog niet in een fase dat daaruit al conclusies kunnen worden getrokken.

6. Ter bescherming van haar financiële belangen heeft OPV een verzoekschrift voorzover vereist ingediend. Daaraan heeft zij de voorwaarde verbonden dat zij ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt voorzover in die hiervoor bedoelde procedure uiteindelijk komt vast te staan dat [verweerder] wel in dienst is van OPV.

7. Derhalve dient de kantonrechter vooralsnog uit te gaan van de omstandigheid dat [verweerder] bij OPV in dienst is. Indien dit anders zou zijn, dan heeft het onderhavige verzoekschrift geen enkele zin, daar dan immers nooit aan de voorwaarde kan zijn voldaan.

8. Door en namens [verweerder] is niet betwist dat OPV zelf geen activiteiten meer ontplooit: er worden geen veilingen georganiseerd, zodat de bedrijfsactiviteiten nihil zijn.

9. Onder die omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat er een einde aan het dienstverband dient te komen.

10. De vraag is echter of aan dat dienstverband een vergoeding moet worden gekoppeld. [Verweerder] heeft daarom gevraagd en wel op basis van een correctiefactor C=1,5, hetgeen neer zou komen op een bedrag van € 82.863,--. Hij is van mening dat OPV zich niet als een goed werkgever heeft gedragen, door niet of nauwelijks met hem te communiceren omtrent de gang van zaken en hij feitelijk aan zijn lot wordt overgelaten.

11. Met betrekking tot die vergoeding is de kantonrechter van oordeel dat een vergoeding aan [verweerder] toekomt. De hoogte van die vergoeding zal de kantonrechter bepalen op basis van C=1, een correctiefactor die past bij een ontbinding wegens bedrijfseconomische reden. Het moge dan zo zijn dat er geen activiteiten in OPV worden ontplooid, dat brengt nog niet noodzakelijkerwijs met zich mee dat OPV geen gelden kan genereren.

12. De kantonrechter zal deze ontbinding voorzover vereist op verzoek van beide partijen toewijzen, zodat het in staat stellen van één van beide partijen het verzoek in te trekken zinloos is.

13. Namens [verweerder] is verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen onvoorwaardelijk te ontbinden, maar aan dat verzoek zal de kantonrechter niet voldoen.

14. Daarvoor is tenminste nodig dat de kantonrechter kan inschatten dat de uitkomst van de gevoerde bodemprocedure zodanig zeker zal zijn dat er momenteel een arbeidsovereenkomst tussen OPV en [verweerder] bestaat, laat staan dat de kantonrechter kan beoordelen of ieder weldenkende rechter tot die conclusie zal kunnen komen.

De uitkomst van die procedure is volstrekt onzeker, zodat een onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet aan de orde is.

15. Derhalve zal de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk worden ontbonden en wel per 1 april 2011. Daarbij heeft de kantonrechter slechts in zeer beperkte mate rekening gehouden met de fictieve opzegtermijn. Blijkens vaste jurisprudentie dient die omstandigheid voor rekening van de werknemer te komen. Van een extreem schrijnende situatie is geen sprake, zodat ontbinding voorzover vereist per 1 april 2011 als redelijk moet worden aangemerkt.

16. Met betrekking tot die vergoeding merkt de kantonrechter nog op dat deze eerst opeisbaar

is met ingang van de dag dat rechtens vast staat dat tussen partijen op 1 april 2011 nog een arbeidsovereenkomst bestaat.

17. Namens [verweerder] is ook nog een bedrag van € 4.000,-- terzake van de kosten van rechtsbijstand gevraagd, doch daaraan kan de kantonrechter niet voldoen. Een dergelijk verzoek dient te worden afgewezen op het moment dat daartegen bezwaar wordt gemaakt. Dit laatste is het geval, zodat afwijzing moet volgen.

18. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren als na te melden.

BESCHIKKENDE:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van beide partijen met ingang van 1 april 2011, indien en voorzover rechtens komt vast te staan dat er per die datum een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.

Kent in dat geval aan [verweerder] ten laste van OPV een bruto vergoeding toe van

€ 55.242,-- en veroordeelt OPV wederom in dat geval tot betaling van dat bedrag aan [verweerder].

Compenseert de proceskosten in zoverre dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven te Enschede door mr H.R.K. Valk, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.