Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP5009

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
08/801226-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De raadsman stelt dat informatierechten en consultatierechten zoals die volgens hem voortvloeien uit de Salduz en Brusco jurisprudentie en uit artikel 47 en 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden. Dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaring van verdachte. De politierechter verwerpt het verweer omdat het feitelijke grondslag mist, wat overigens zij van wat voort zou vloeien uit artikel 47-50 van het handvest voor onderhavige procedure, mede gelet op artikel 51 van dat Handvest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 10
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHG 2014/22

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

( verkort schriftelijk vonnis PR)

Parketnummer: 08/801226-09

Uitspraak 17 februari 2011

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats]

wonende te Amsterdam

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats]

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 11 augustus 2009,

in de gemeente Enschede,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

(digitale) fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan de Mediamarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 2009,

in de gemeente Enschede,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee

geheugenkaartjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Its, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2009,

in de gemeente Enschede,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer zeven velletjes (met een stof

bevattende) LSD, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

LSD, zijnde LSD een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 10 lid 3 Opiumwet

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door de (uitdrukkelijk gemachtigde) raadsman, mr Dieben, in het midden gebracht;

De politierechter heeft de schrijffout in het woord ‘gemeentte’ in het tweede feit verbeterd. De verbetering daarvan heeft verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

Salduz/Brusco-jurisprudentie en Handvest van de Grondrechten

De raadsman heeft allereerst opgeworpen dat de verklaring van verdachte van 11 augustus 2009, te 15.33 uur niet gebruikt mag worden voor het bewijs, kort gezegd omdat zijn client geen rechtsbijstand heeft gehad, niet is gewezen op zijn consultatierecht, zijn client daar geen afstand van heeft gedaan, en tijdens het verhoor geen rechtsbijstand heeft gehad. De raadsman verwijst daarbij naar paragraaf 45 van het Brusco Arrest. De raadsman doet voorts een beroep op artiken 47 en 48 het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaruit volgens hem dezelfde informatie- en consultatierechten volgen en die nu dus ook geschonden zijn.

De politierechter overweegt dat uit het dossier blijkt dat verdachte omstreeks 13.20 uur in de Mediamarkt was aangehouden door een beveiligingsmedewerker en omstreeks 13.30 uur door een surveillant van politie en een hoofdagent aldaar werd aangehouden en overgebracht ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Om 14.20 uur kwam hij op het politiebureau aan en werd om 15.30 uur door de hulpofficier van justitie de Jong bevolen hem op te houden voor verhoor.

Uit het bedoelde proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten, twee andere hoofdagenten, die tezamen het verhoor dat aanving om 15.33 uur hebben afgenomen, voorafgaand aan de tekst van verdachtes verklaring hebben genoteerd: Bij aanvang van het verhoor deelden wij aan de verdachte mee waarvan hij werd verdacht en dat hij niet tot antwoorden verplicht was.

Verder verklaart verdachte onder meer: U heeft mij verteld dat ik niet tot antwoorden verplicht ben en dat ik word verdacht van diefstal uit een winkel.

Onderaan het proces-verbaal staat dat verdachte zijn verklaring was voorgelezen en dat hij verklaarde daarin te volharden en deze ondertekende. De politierechter ziet dat de verklaring inderdaad is ondertekend. De politierechter leest verder dat daarna is geverbaliseerd dat het verhoor werd beeindigd om 16.15 uur. Vervolgens staat er:

“Aan de verdachte is voorafgaand aan het verhoor door de hulpofficier van justitie M.A. de Jong gevraagd of hij gebruik wilde maken van het recht van een advocaat. De verdachte zag van dit recht af.”

Daarna volgt de ondertekening door de twee hoofdagenten.

De politierechter overweegt dat nergens uit blijkt dat verdachte geestelijk niet in staat was om voldoende te begrijpen van hetgeen hem werd duidelijk gemaakt. Hij was geen minderjarige en nergens uit blijkt noch is aangevoerd dat verdachte geestelijk niet “bij” is of was. Bovendien geeft zijn verklaring inhoudelijk gezien ook voldoende reden om te veronderstellen dat hij assertief genoeg was om het aan te geven als de hem verstrekte informatie hem niet duidelijk was of als hij bepaalde wensen had. Hij heeft geen vragen gesteld of wensen geuit.

De politierechter is op grond van een en ander van oordeel dat het verweer van de raadsman feitelijke grondslag mist: met name speciaal gelet op de tijdstippen waarop verdachte op zijn rechten is gewezen, kan niet gezegd worden dat tekort is gedaan aan de diverse informatieplichten en een recht op rechtsbijstand zoals die volgen uit het Wetboek van Strafvordering, het EVRM of het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, wat er ook overigens maar zij van het daaruit rechtstreeks voor de onderhavige procedure volgen van de door de raadsman gestelde rechten. Wellicht zou naar het oordeel van de politierechter aan dit Handvest voor de onhavige procedure werking ontzegd moeten worden. Artikel 51 van het Handvest lijkt daaraan namelijk in beginsel in de weg te staan tenzij moet worden aangenomen dat de opstellers van het Handvest de beginselen van artikelen 47 tot en met 50 zo belangrijk hebben geacht dat zij met de opname van deze artikelen bedoeld hebben deze artikelen ook in de nationale rechtspleging in de EU universeel, rechtstreekse werking te geven, derhalve met name ook in de rechtspleging van de lidstaten in procedures waarin niet specifiek het recht van de Unie uitvoering wordt gegeven. Nu het verweer reeds feitelijke grondslag ontbeert, behoeft op deze vraag niet verder te worden ingegaan.

Het verweer wordt verworpen.

Verhoor in het Engels

De raadsman klaagt over het feit dat het verhoor in het Engels is afgenomen en zonder tolk. Hij vindt dat onzorgvuldig, zonder daar klaarblijkelijk een conclusie aan te verbinden. Dat het verhoor in het Engels is afgenomen is inderdaad nadrukkelijk door de verbalisanten geverbaliseerd. Zij zeggen dat zij Engels spreken net als de verdachte en dat zij hebben afgesproken het zo te doen. Vervolgens zegt ook verdachte er iets over in zijn verklaring, onder meer dat hij de Engelse taal beheerst en in Engeland heeft gewoond voordat hij naar Nederland kwam, en dat de verklaring in het Nederlands wordt opgeschreven en daarna zal worden voorgelezen in het Engels en dat hij met de werkwijze akkoord is. De raadsman heeft overigens niet gesteld dat de verdachte voor zover hem bekend fouten heeft ontdekt. Sterker nog: hij beroept zich bij de bewijsvraag m.b.t. het eerste feit nadrukkelijk op die verklaring.

De politierechter heeft geen reden om aan de zorgvuldigheid van de gang van zaken of de juistheid van de weergave van de inhoud van de in het Nederlands geverbaliseerde verklaring meer dan normaal te twijfelen.

De camerabeelden

De raadsman vindt het in strijd met het beginsel van equality of arms dat de camerabeelden niet zijn opgeslagen en niet voor de verdediging voorhanden zijn. De politierechter stelt vast dat de getuige in de camerabeelden waarneemt wat verdachte zou hebben gedaan, namelijk na wat opvallend gedrag een dure fotocamera achter zijn jas en onder zijn rugzak verstoppen, een goedkope recorder afrekenen en voordat verdachte de winkel verlaat wordt verdachte dan aangehouden met de niet afgerekende camera nog achter zijn jas. De getuige vertelt daarover aan de politie die dat verhaal noteert in een proces-verbaal van bevindingen. De camerabeelden zijn gemaakt door een private partij, de Mediamarkt. Dat Mediamarkt deze camerabeelden niet heeft bewaard en afgestaan, en dat de politie niet daarop heeft aangedrongen, brengt niet mee dat de verklaring van de getuige niet bruikbaar is voor het bewijs. Er is geen sprake van schending van genoemd beginsel: ook de agenten hebben de beelden niet bekeken, althans zij relateren daar niets over. OM en verdediging moeten het dus doen met dezelfde informatie.

Het verweer wordt verworpen.

Voor wat betreft feit 2 is de politierechter van oordeel dat onvoldoende blijkt dat de betrokken kaartjes zijn gestolen, en zo ja waar. Dat ze van de It’s in Enschede afkomstig zijn, zou wel zijn “gebleken” maar op grond waarvan wordt de politierechter onvoldoende duidelijk gemaakt. Was er iets toegevoegd aan deze kaartjes waardoor deze uniek waren voor deze winkel, zoals een serienummer, een partijnummer of een prijskaartje van de Enschedese It’s ? Uit de aangifte en de rest van het dossier blijkt het niet. Van dit feit moet worden vrijgesproken.

Voor wat de bewezenverklaring of de strafmaat m.b.t. feit 3

Dat in het p-v sprake is van 8 zegeltjes en in de aanvraag aan het NFI van 8 zegeltjes, doet niet af aan het gegeven dat er slechts “ongeveer zeven” te laste zijn gelegd. Evenmin geldt dat voor het standpunt dat zij bedoeld waren voor eigen gebruik.

Op grond van de wettige bewijsmiddelen, die voor zover nodig nog in een aparte bijlage bij dit vonnis zullen worden opgenomen, komt de politierechter tot de overtuiging en acht hij wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde sub 1 en 3 heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 augustus 2009, in de gemeente Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (digitale) fotocamera toebehorende aan de Mediamarkt;

3.

hij op 11 augustus 2009, in de gemeente Enschede, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer zeven velletjes met een stof bevattende LSD, zijnde LSD een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

De politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1, het misdrijf:

diefstal

strafbaar gesteld bij art. 310 Wetboek van Strafrecht,

en voor wat betreft sub 3, het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, Opiumwet;

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte is blijkens de documentatie van 24 augustus 2009 (en die van 6 januari 2011) al twee keer voor 11 augustus veroordeeld, voor acht bewezen diefstallen, laatstelijk op 8 juli 2009. Dat heeft hem kennelijk niet weerhouden zo kort daarna reeds te recidiveren. Nadien is hij ook in 2010 nog voor meerdere diefstallen in 2009 veroordeeld, op allerlei plaatsen in Nederland gepleegd.

De diefstal betreft een nogal kostbaar goed. De winkelprijs van de camera was immers meer dan 800 euro.

Nu sinds het plegen geruime tijd is verstreken en de vertraging zijn oorzaak vindt in een onjuiste eerdere feitelijke behandeling, gevolgd door een appelprocedure die heeft geleid tot de onderhavige behandeling ter terechtzitting van 3 februari 2011, dienst de straf enigszins gematigd te worden.

Gelet op een en ander kan geen andere dan een relatief korte onvoorwaardelijke vrijheidsstraf worden opgelegd.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen

10, 57, 63, 91, Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte sub 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 en 3 tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie weken.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr Berg, politierechter, in tegenwoordigheid van Shenouda , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank Almelo, op 17 februari 2011.