Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP4949

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
104152 HA ZA 09-812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Scheiding en deling van nalatenschappen. Nalatenschap moeder is komen te berusten onder de tweede partner van vader. De kinderen vorderen het aan hen toekomende en nog niet verdeelde gedeelte op. Omdat een minnelijke verdeling niet aannemelijk lijkt stelt de rechtbank zelf een verdeling vast en wijst de vordering tot afdracht van het aan de kinderen toekomende gedeelte toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 104152 HA ZA 09-812

datum vonnis: 16 februari 2011 (WH)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiseres 5],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

verder te noemen [eisers],

advocaat: mr. S.H. van Os te Leusden,

en

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

verder te noemen [gedaagden],

advocaat: mr. E.D. Breuning ten Cate te Almelo.

1. Het procesverloop

1.1. In deze zaak heeft de rechtbank op 12 mei 2010 een tussenvonnis gewezen.

1.2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de op 25 augustus 2010 gehouden comparitie van partijen,

- een conclusie na comparitie van [gedaagden],

- een conclusie na comparitie van [eisers],

- een antwoordakte, tevens nadere conclusie zijdens [gedaagden].

1.3. Vervolgens heeft de rechtbank opnieuw vonnis bepaald.

2. De beoordeling

In conventie:

2.1. [eisers] hebben in hun conclusie na comparitie verklaard hun vordering tegen gedaagde sub 2, [gedaagde 2], te willen intrekken. [eisers] zullen daarom in die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2. De eis van [eisers] tot (kort samengevat) afgifte van de roerende zaken, vermeld op de bij de dagvaarding gevoegde lijst, is voor toewijzing vatbaar. Het gaat onbetwist om goederen van betrekkelijk weinig financiële waarde, die niettemin van grote emotionele betekenis zijn voor [eisers], omdat ze afkomstig zijn uit hun ouderlijk huis.

2.3. Afgifte van deze zaken aan [eisers] bleek ter comparitie geen onderwerp van geschil meer te zijn, en in haar antwoordakte na comparitie heeft [gedaagde 1] haar aanvankelijk tegen dit onderdeel van de eis gevoerde verweer dan ook uitdrukkelijk ingetrokken. Er is echter nog niet gesteld of gebleken dat volledige afgifte inmiddels feitelijk heeft plaatsgehad. De rechtbank zal daarom gedaagde sub 1,[gedaagde 1], veroordelen tot afgifte zoals bij dagvaarding gevorderd, inclusief de geëiste dwangsommen. Het totaal der te verbeuren dwangsommen zal worden gemaximeerd.

In conventie en reconventie:

2.4. Beide partijen vorderen over en weer (kort samengevat) veroordeling van de wederpartij om mee te werken aan de scheiding en deling van de nalatenschap van [X]. Deze vorderingen zijn voor toewijzing vatbaar. Echter niet toewijsbaar is de eis van [gedaagden], dat die scheiding en deling zal geschieden overeenkomstig de vermogensopstelling van [gedaagden], zoals weergegeven in de in dit geding overgelegde productie 22, omdat deze vermogensopstelling mede berust op daarin genoemde ‘restantvorderingen’ van [eisers] in verband met de afrekening van de nalatenschap van [Y]. Die ‘restant-vorderingen’ ad in totaal € 9.060,-- (€ 1.812,-- per persoon), hebben [eisers] in dit geding, zoals hierna zal worden overwogen en beslist, op juiste gronden betwist, zodat deze niet bruikbaar zijn als grondslag voor de boedelscheiding van de nalatenschap van [X].

2.5. Het geschil tussen partijen betreft met name de vraag, of de nalatenschap van [Y], de moeder van [eisers], inmiddels is gescheiden en gedeeld en zo nee, op welke wijze die boedelscheiding tussen partijen nog moet worden afgerekend. De rechtbank heeft reeds in rechtsoverweging 16 van het tussenvonnis van 12 mei 2010 overwogen en beslist dat die nalatenschap nog niet volledig is gescheiden en gedeeld. De rechtbank verwijst naar die rechtsoverweging voor de motivering van dat oordeel.

2.6. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. Bij (na het tussenvonnis overgelegde) brief d.d. 29 januari 2010 aan de advocaat van [gedaagde 1]schreef de in deze zaak door [gedaagde 1] geconsulteerde notaris mr. Vonhof-Lips onder meer: “Er heeft na overlijden geen verdeling plaatsgevonden, behoudens op enig moment de verdeling van een deel van de verkoopopbrengst van de woning”. In haar brief van 9 september 2010 aan de advocaat van [gedaagde 1] heeft mr. Vonhof-Lips dit herhaald.

2.7. Reeds bij dagvaarding was overgelegd een brief overgelegd d.d. 2 maart 2008 van notaris M.A.T. Heitkamp aan één van de eisende partijen in conventie ([gedaagde 3]), die onder meer inhoudt:

“Na verkoop van de woning door uw vader, resteerde als netto-opbrengst een bedrag van € 187.434,-. Op basis van het huwelijksgoederenrecht en het testament van uw moeder, was uw vader gerechtigd tot de helft van dit bedrag. De andere helft

(€ 93.717,-) kwam toe aan de kinderen, maar was wel belast met het vruchtgebruik ten behoeve van uw vader. Van een van u heb ik begrepen, dat na verkoop door uw vader is besloten afstand te doen van het vruchtgebruik (tegen uitbetaling van de waarde van dit vruchtgebruik, 42%) en uitbetaling aan de kinderen van het restant. Bij uitbetaling door uw vader is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Uw vader heeft aangenomen, dat de kinderen gerechtigd waren tot 5/12e (€ 78.097) van de verkoopopbrengst van de woning (ieder 1/6 van ½). Nadat dit [gedaagde 1] duidelijk werd heeft zij mij aangegeven, dat zij het verschil tussen wat is uitbetaald door uw vader aan ieder kind (€ 9.059) en hetgeen op dat moment uitbetaald had behoren te worden als van juiste uitgangspunten was uitgegaan (€ 10.871) ofwel € 1.812 (eventueel te vermeerderen met rente) nog aan ieder van de kinderen zou uitbetalen (berekening A).

U bent echter van mening, dat door de onjuiste berekening en uitbetaling uw vader het vruchtgebruik van het niet uitbetaalde deel van de (tot de nalatenschap van uw moeder behorende) verkoopopbrengst heeft behouden (te weten € 93.717 - € 79.097 = € 15.619, zodat aan ieder van de kinderen zou moeten worden uitbetaald € 3.124 (berekening B).

Als feit staat vast, dat bij uitbetaling door uw vader van onjuiste standpunten is uitgegaan. Voor beide berekeningsmethoden is iets te zeggen.

In een eerder stadium heeft [gedaagde 1] aangegeven mee te willen gaan in de berekeningsmethode B. Met u sprak ik af hiervoor een verklaring op te maken, waarop u kwijting kon geven voor betaling en uw rekeningnummer kon vermelden. De uitbetaling zou dan via ons kantoor kunnen geschieden.

Mevrouw heeft mij echter eind verleden week meegedeeld, dat zij – gezien de huidige onderlinge verhoudingen – op dit standpunt is terug gekomen. Zij wil nog slechts uitbetalen hetgeen bij berekeningsmethode A is uitgerekend, zonder bijrekening van rente.

Aangezien ik constateer, dat er op dit punt geen overeenstemming is heb ik gemelde verklaring dan ook niet opgemaakt. Mocht u alsnog overeenstemming bereiken, dan ben ik uiteraard bereid deze verklaring alsnog op te stellen. Uiteraard mag u de betaling en de ontvangst daarvan ook zelf regelen.”

2.8. Op grond van deze brieven, voor zover hiervoor weergegeven, van mrs. Vonhof-Lips en Heitkamp, en omdat zijdens [gedaagde 1] niet concreet en specifiek is gesteld dat partijen na die brieven alsnog tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van de nalatenschap van [Y], staat buiten twijfel dat de nalatenschap van [Y] nog niet volledig is gescheiden en gedeeld. De rechtbank acht, gezien de ook ter comparitie gebleken verslechterde verhoudingen tussen partijen, niet waarschijnlijk dat zij hierin alsnog zullen slagen, zodat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van [Y] zelf zal voltooien door vaststelling van het bedrag, waarop [eisers] nog aanspraak kunnen maken.

2.9. [eisers] hebben hun eis, voor zover deze bestaat uit de vordering tot betaling van een geldsom, gebaseerd op de door hen bij dagvaarding overgelegde berekening van notaris Van Schalm. [gedaagde 1] heeft in dit geding noch de juistheid van de bedragen, die notaris van Schalm in zijn vermogensopstelling heeft opgenomen, noch de door notaris Van Schalm gevolgde berekeningswijze, gemotiveerd betwist.

2.10. De rechtbank onderschrijft de juistheid van de berekening van notaris Van Schalm en neemt de inhoud van die berekening hier over. De berekening kan worden samengevat als volgt:

Huwelijksgoederengemeenschap:

Netto verkoopopbrengst woning [adres] en [woonplaats] : € 187.434,77

banktegoeden: € 3.789,06

Vordering wegens planschade bouw woonhuis [adres] : € 4.547,--

Overige bezittingen volgens successieaangifte: € 2.722,68

-----------------

Saldo bezittingen: € 198.493,51

Nalatenschap:

Saldo bezittingen: € 99.246,76

Kosten nalatenschap: € 3.131,08

-----------------

Saldo nalatenschap: € 96.115,68

Aan de kinderen uitgekeerde voorschotten: € 54.540,--

Nog uit te keren gedeelte van de nalatenschap -----------------

van moeder aan de kinderen: € 41.575,68

2.11. Op grond van deze berekening van notaris Van Schalm kwam aan [eisers] uit de nalatenschap van [Y] nog toe in totaal

€ 41.575,68, dus aan ieder van hen een bedrag van € 8.315,14. Dit geld is indertijd, in de vorm van een gedeelte van de verkoopopbrengst van de woning [adres], overgemaakt naar de ‘en/of rekening’ van [X] en [gedaagde 1]. Onbetwist is dat [gedaagde 1] dit bedrag na het overlijden van [X] niet aan [eisers] heeft uitgekeerd. Zij zal dit alsnog moeten doen, omdat zij het nog aan de kinderen [eisers] uit te keren gedeelte van de nalatenschap van hun moeder onder zich heeft gekregen, maar dit ten onrechte niet aan hen heeft uitbetaald. De daartoe strekkende vordering van [eisers] is dus voor toewijzing vatbaar.

2.12. Indien en voor zover [gedaagde 1] dit oordeel wenst te bestrijden met een beroep op een door [Y] aan de [X] bij testament nagelaten recht van vruchtgebruik, overweegt de rechtbank dienaangaande als volgt. De nalatenschap van [Y] bestaat hoofdzakelijk uit de onverdeelde helft van de woning aan [adres] en [woonplaats]. Bij verkoop van die woning kwam daarvoor in de plaats de (eveneens onverdeelde) helft van de verkoopopbrengst van die woning. Van de datum van overlijden van [Y] op 1994 tot de verkoop van het huis aan de [adres] en [woonplaats] op 18 januari 2005 had de [X] krachtens het testament van [Y] het recht van vruchtgebruik op de haar toekomende onverdeelde helft van het huis, dat – eveneens krachtens haar testament - onverdeeld eigendom was geworden van de door haar aangewezen erfgenamen, namelijk haar kinderen, [eisers]. De [X] was krachtens zijn recht van vruchtgebruik gerechtigd om de vruchten van de woning te (blijven) genieten, bijvoorbeeld door de woning desgewenst zelf te (blijven) bewonen, of door het huis aan derden te verhuren, waarbij uiteraard de onverdeelde helft van de blote eigendom van het huis in handen bleef van de kinderen.

2.13. Na de verkoop van de woning behield [X] het recht van vruchtgebruik in die zin, dat dit recht vervolgens kwam te rusten op de, in de nalatenschap van [Y] vallende, onverdeelde helft van de verkoopopbrengst van de woning. De in de nalatenschap van [Y] vallende onverdeelde helft van de woning is toen vervangen door het dienovereenkomstige deel van de verkoopopbrengst. Dat deel van de verkoopopbrengst is toen voor de onverdeelde helft van de woning in de plaats getreden, zoals bedoeld in artikel 3:213 lid 1 BW. Dat betekent dat [X] vanaf de verkoop van de woning recht had op de rente, die de (onverdeelde) helft van de verkoopprijs kon opbrengen. Deze rente, maar niet de hoofdsom, kwam toe aan hem als vruchtgebruiker van de helft van de verkoopprijs van het huis. De hoofdsom, bestaande uit de onverdeelde helft van de verkoopopbrengst van het huis, kwam echter toe aan de kinderen als erfgenamen van hun moeder. Aan te nemen valt, dat [X], dan wel [X] en [gedaagde 1] samen, voormelde rente ook daadwerkelijk heeft of hebben ontvangen, totdat het recht van vruchtgebruik, en daarmee ook het recht op rente over de hoofdsom, eindigde met het overlijden van [X] op 2007, en omdat de hoofdsom vanaf die datum niet langer was belast met enig recht van vruchtgebruik kwam het integraal toe aan de erfgenamen van [Y], de eisers in conventie in dit geding. Het recht van vruchtgebruik doet dus niet af aan de rechten van [eisers] op het door hen in dit geding gevorderde bedrag.

2.14. Dat aan [X], op grond van het testament van [Y], méér toekwam dan het hiervoor beschreven recht van vruchtgebruik, is niet concreet en specifiek gesteld. Het blijkt ook niet uit de tekst van dat testament, zoals weergegeven in rechtsoverweging 1. van het tussenvonnis van 28 april 2010.

2.15. De rechtbank verwerpt het door [gedaagde 1] gevoerde verweer, dat over de onderhavige verdelingskwesties verscheidene notarissen zijn geconsulteerd, en dat eventuele gebreken aan de (tot nu toe) tot stand gebrachte verdelingen daarom niet aan [gedaagde 1] mogen worden toegerekend maar aan één of meer fouten van één of enkele notarissen. Eventueel door [gedaagde 1] geleden of nog te lijden schade als gevolg van één of meer fouten van door haar geraadpleegde notarissen kan [gedaagde 1] niet verhalen op [eisers].

2.16. De rechtbank verwerpt ook het verweer, dat de financiële positie van [gedaagde 1] niet toelaat dat zij de (geld-)vorderingen nakomt. [gedaagde 1] heeft dit verweer in haar antwoordakte, tevens nadere conclusie na comparitie, aldus opnieuw geformuleerd, dat de afwikkeling van de nalatenschappen van [X] en [Y] haar veel geld hebben gekost, op grond waarvan zij moet interen op haar vermogen, als gevolg waarvan haar financiële positie sterk zal afwijken van hetgeen [X] voor haar in gedachten had.

2.17. Dit verweer faalt reeds hierom, omdat de in dit geding toe te wijzen geldvordering slechts betrekking heeft op toedeling van de nalatenschap van [Y] aan haar kinderen overeenkomstig haar testament. Het gaat om geld dat [gedaagde 1] ten onrechte onder zich heeft gehouden, en zij zal dat geld alsnog moeten uitkeren. Daarbij doen eventuele overwegingen van [X] met betrekking tot de financiële verzorging van [gedaagde 1]niet ter zake.

2.18. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 894,- zijn, gezien Aanbeveling II van het rapport Voorwerk II, niet bovenmatig en voor toewijzing vatbaar.

In conventie:

2.19. Omdat zij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld dient [gedaagde 1] de proceskosten te betalen.

In reconventie:

2.20. Omdat [gedaagde 1] ook in reconventie grotendeels in het ongelijk wordt gesteld dient zij ook in deze instantie de proceskosten te betalen.

3. De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vordering, voor zover deze zich tevens richt tegen gedaagde sub 2, [gedaagde 2],

II. Veroordeelt [eisers] in de door [gedaagde 2] gemaakte proceskosten, tot deze uitspraak begroot op nihil voor verschotten en op € 2.682,- (3 punten, tarief IV) voor salaris van haar advocaat,

III. Veroordeelt gedaagde sub 1, [gedaagde 1], om aan [eisers] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 41.575,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag van 8 september 2007 tot de dag der voldoening, en met € 894,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag van de dag der dagvaarding tot de dag der voldoening,

IV. Gebiedt gedaagde sub 1, [gedaagde 1] om mee te werken aan de afgifte van alle nog niet aan [eisers] afgegeven goederen, zoals vermeld en geel gearceerd op de bij dagvaarding overgelegde lijst “bezittingen familie [H]”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag, ingaande veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis, dat [gedaagde 1]weigerachtig blijft om aan uitvoering van dit gebod mee te werken,

V. Beperkt het totaal der te verbeuren dwangsommen tot maximaal € 25.000,-,

VI. Gebiedt gedaagde sub 1, [gedaagde 1], om mee te werken aan de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van [X], overleden op 2007, met inachtneming van de in dit geding overgelegde vermogensopstelling van notaris C.A. van Schalm,

VII. Veroordeelt [gedaagde 1] in de door [eisers] gemaakte proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 1.020,98 voor verschotten en op

€ 3.129,- (3,5 punten, Tarief IV) voor salaris van hun advocaat, te vermeerderen met nakosten tot een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening plaatsvindt, € 199,-,

VIII. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

IX. Wijst af het meer of anders gevorderde,

In reconventie:

X. Gebiedt [eisers] om mee te werken aan de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van [X], overleden op 2007,

XI. Veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eisers] tot deze uitspraak begroot op nihil voor verschotten en op

€ 1.564,50 (1 ¾ punten, Tarief IV) voor salaris van hun advocaat,

XII. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

XIII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Blankestijn en Vermeulen, en op woensdag 16 februari 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.