Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP4407

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
108907 HA ZA 102 van 2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring - bezit of houderschap - geen matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 108907 HA ZA 102 van 2010

datum vonnis: 26 januari 2011 (m)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

hierna te noemen [eiser],

advocaat: mr. J.J. Paalman te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

hierna te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. M. ter Brake te Almelo.

1. Het verdere procesverloop

1.1. Naar aanleiding van het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 16 juni 2010 heeft de raadsman van [eiser] bij brief d.d. 28 september 2010 de producties 9 tot en met 12 in het geding gebracht en heeft er op 14 oktober 2010 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2. [eiser] heeft een akte overlegging procesdossier genomen.

1.3. [gedaagde] heeft een antwoordakte genomen.

2. De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

2.1. Op 16 juni 2010 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen.

2.2. Partijen zijn bij notariële akte van 14 februari 1984 overeengekomen dat, als [gedaagde] het perceel of een deel van het perceel, dat zij van [eiser] had gekocht, wilde overdragen aan een derde, zij dit niet zonder schriftelijke toestemming van [eiser] mocht doen, op verbeurte van een boete van f 200.000,-. Tevens zijn partijen overeengekomen dat dit verbod niet geldt ingeval de overdracht plaatsvindt ten gevolgde van dwingende overheidsbepalingen.

2.3. Het staat vast dat [eiser] geen toestemming heeft verleend aan [gedaagde]om het boerderijtje met grond op 13 november 2008 over te dragen aan [X], de broer van [eiser], hierna ‘[X]’ te noemen. Volgens

[gedaagde] behoefde zij geen toestemming te vragen aan [eiser], omdat het verbod niet geldt ingeval de overdracht plaatsvindt ten gevolge van dwingende overheidsbepalingen. [gedaagde] wijst in dit verband op de verjaringsbepalingen in 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 3:105 lid 1 BW.

2.4. Artikel 3:306 BW bepaalt:

Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.

Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt:

1. Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

2.5. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [X] bezitter of houder was van het boerderijtje met grond en of er dus terecht een beroep is gedaan op de artikelen 3:306 jo 3:105 lid 1 BW.

2.6. Artikel 3:107 lid 1 BW bepaalt dat bezit het houden van een goed voor zichzelf is. Houderschap houdt in dat men de feitelijke macht uitoefent over het goed dat men houdt.

2.7. Artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) bepaalt dat een notariële akte tegen een ieder dwingend bewijs oplevert van hetgeen de notaris omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. De notaris heeft in de akte van

23 november 2008 verklaard dat [X], als bezitter van het boerderijtje met grond, door verloop van twintig jaren als gevolg van verjaring eigenaar is geworden van het boerderijtje met grond. Artikel 151 Rv. lid 1 bepaalt dat dwingend bewijs inhoudt dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen, dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat ook tegen dwingend bewijs tegenbewijs vrijstaat.

2.8. [eiser] heeft in deze procedure ten aanzien van de vraag of [X] bezitter dan wel houder is geweest van het boerderijtje met grond, de volgende feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waaruit volgens hem blijkt dat [X] geen bezitter is geweest:

- Gedurende de procedure met het zaaknummer 75166 HA ZA 05-1198, hierna ‘de vorige procedure’ te noemen, heeft [gedaagde] zich voortdurend eigenaar genoemd van het boerderijtje met grond.

- [X] was nauw betrokken bij de vorige procedure.

- [gedaagde]heeft in de dagvaarding van de vorige procedure zich op het standpunt gesteld dat [eiser] inbreuk zou maken op haar eigendomsrechten.

- [X] heeft in mei 2003 aangifte gedaan tegen [eiser], waarin [eiser] onder meer het volgende heeft verklaard: “Ik heb een stuk land van mijn broer [Y] in leen gebruik. Ik heb een mondelinge afspraak met mijn broer [Y] dat ik de boerderij en een stuk grond ter grootte van ongeveer 4200 vierkante meter mag gebruiken.”

- [gedaagde] heeft in de vorige procedure in punt 5 van de dagvaarding gesteld dat, na aankoop van het perceel [adres] [gedaagde] en haar echtgenoot [Y], toestemming hebben gegeven aan [X] om het boerderijtje met grond in gebruik te nemen voor de stalling van kleinvee.

- Op 14 april 2006 heeft de raadsvrouw van [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven: “Na aankoop heeft cliënt zijn broer, de heer [X], toestemming gegeven om het perceel grond behorende bij de woning in gebruik te nemen voor de stalling van kleinvee. Dit gold overigens ook voor de op het perceel aanwezige schuren.”

- De heer [Y], de man van [gedaagde], heeft in de vorige procedure het volgende verklaard: “De afrastering die door een stippellijn is aangegeven op de tekening, is door [X] geplaatst omdat hij op het terrein schapen, ganzen en kippen had lopen. [X] had het beheer over het stuk grond en de boerderij vanaf het moment dat [eiser]het gekocht heeft. (…) De afrasteringen zouden teruggeplaatst worden en [X] zou alles blijven beheren.”

- [X] heeft in de vorige procedure het volgende verklaard: “[eiser] had het mij in gebruik gegeven.”

2.9. De rechtbank is van oordeel dat [X] geen ondubbelzinnig bezit heeft gehad van het boerderijtje met grond gedurende twintig jaar. Integendeel, [X] was houder van het boerderijtje met grond en dat was in de vorige procedure voor beide partijen en [X] volstrekt helder. De rechtbank wijst in dit kader tevens op het bepaalde in artikel

3:111 BW: Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men daarmede onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht.

2.10. Uit de hierboven genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat [eiser] het tegenbewijs heeft geleverd. [X] en [gedaagde] hebben kennelijk de notaris onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen verstrekt omtrent het bezit c.q. houderschap van [X] van het boerderijtje en grond. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde]zich op enigerlei wijze verzet heeft tegen de eigendomsoverdracht van het boerderijtje en grond om niet aan [X]. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde] zich niet beroepen op het feit dat er sprake was van dwingende overheidsbepalingen, want die waren er niet. [gedaagde]had zich met recht kunnen verzetten tegen het beroep op verjaring door [X] en dus tegen de eigendomsoverdracht om niet van het boerderijtje met grond aan [X].

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] op basis van de notariële akte van 14 februari 1984 toestemming had moeten vragen aan [eiser] voor de eigendomsoverdracht aan [X]. Aangezien zij die toestemming niet heeft gevraagd, geldt de boetebepaling die partijen in genoemde akte hebben laten opnemen.

2.11. [gedaagde] heeft een beroep op matiging gedaan van de overeengekomen boete en doet kennelijk een beroep op artikel 6:94 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt:

1. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.

2.12. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen . Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, zijn van belang.

2.13. [gedaagde] heeft in dit kader het volgende aangevoerd. Het zou bijzonder onredelijk zijn om [gedaagde] op alle fronten in het ongelijk te stellen, vanwege de onduidelijkheid in de uitlatingen die door [X] zijn gedaan. Uit rechtsoverweging 2.8. van dit vonnis blijkt dat naast [X] ook de echtgenoot van [gedaagde] in de vorige procedure uitlatingen op dit punt heeft gedaan en dat ook de advocaat van

[gedaagde] in de vorige procedure stellingen heeft ingenomen op dit punt, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten.

2.14. [eiser] heeft volgens [gedaagde] meegewerkt aan het totstandkomen van dit geschil, doordat hij nimmer aan [X] kennis heeft gegeven van de verkoop van het boerderijtje en grond aan [gedaagde]. [eiser] wist niet beter dan dat [X] houder was van de boerderij en de grond en geen bezitter was. [X] kon dus geen beroep doen op verkrijgende verjaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dit geschil niet laten ontstaan.

2.15. Voorts heeft [gedaagde] in dit verband gesteld dat het niet aangaat dat [gedaagde] als enige nadeel ondervindt van de ontstane situatie, die zich ook nog afspeelt in de familierelatie tussen de drie broers [eiser,X en Y]. [gedaagde] vindt het niet eerlijk als zij een boete moet betalen, terwijl [X] om niet eigenaar is geworden van onroerend goed. [gedaagde] is destijds de boeteclausule aangegaan met [eiser] en heeft er voor gekozen om het boerderijtje en grond om niet aan [X] over te dragen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [X] gestelde verjaring.

[gedaagde] heeft zich in dit kader laten voorlichten door [K], zoals blijkt uit het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen. Dat [X] om niet eigenaar is geworden van het boerderijtje met grond, kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. [gedaagde] heeft er voor gekozen om [eiser] niet in te lichten over de overdracht aan [X]. Als zij dat wel had gedaan, had de overdracht nog voorkomen kunnen worden.

[gedaagde] heeft derhalve door eigen handelen veroorzaakt, dat de boeteclausule in werking is getreden. Het is een keuze van [gedaagde] om als enige nadeel te ondervinden van de ontstane situatie. Het is niet uitgesloten dat zij haar schade op anderen zou kunnen verhalen. Als zij ervoor kiest om dat niet te doen, kan zij dat in ieder geval niet [eiser] aanrekenen.

2.16. [gedaagde] heeft daarnaast nog gesteld dat [eiser] het boerderijtje met grond nooit had willen kopen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen destijds niet voor niets de boeteclausule in de notariële akte opgenomen. Door deze handelwijze van [gedaagde] heeft zij de mogelijkheid van [eiser] ontnomen om het boerderijtje met grond van haar te kopen. Bovendien heeft [gedaagde] haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd. Het enkele uiteenlopen van schade en boete is onvoldoende grond voor matiging.

2.17. Op grond van het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen en zal derhalve [gedaagde] veroordelen om € 90.756,- aan [eiser] te voldoen.

2.18. [eiser] heeft voorts wettelijke rente gevorderd vanaf 11 september 2009, althans vanaf het door de rechtbank vast te stellen moment tot de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd.

Uit de aangetekende brief d.d. 10 september 2009, productie 8 bij dagvaarding, blijkt dat de wettelijke rente aan [gedaagde] is aangezegd per 11 september 2009. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook dit onderdeel van de vordering van [eiser] toegewezen dient te worden.

2.19. De rechtbank zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordelen. De rechtbank begroot deze kosten als volgt:

verschotten: griffierecht: € 1.995,-

kosten dagvaarding: € 91,32 +

totaal: € 2.086,32

advocaatkosten: dagvaarding: 1 punt

comparitie van partijen 1 punt

akte: ½ punt +

totaal: 2½ punt x € 894,- = € 2.235,-

2.20. De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 90.756,- (zegge: negentigduizend en zevenhonderd en zesenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.086,32 (zegge: tweeduizend en zesentachtig euro en tweeëndertig eurocent) aan verschotten en € 2.235,- (zegge: tweeduizend en tweehonderd en vijfendertig euro) aan advocaatkosten.

3.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Margadant en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 26 januari 2011.