Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP2638

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
116988 / KG ZA 10-323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voegingsincident in kort geding - afwijzing, gemeenschappelijke medezeggenschapsraad heeft geen civielrechtelijke procesbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 116988 / KG ZA 10-323

datum vonnis: 28 januari 2011 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaken (kort geding en voegingsincident) van:

In de hoofdzaak:

de stichting

1. Stichting Het Stedelijk Lyceum Enschede,

gevestigd te Enschede,

en

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

verder ook te noemen [eiser sub 2],

advocaat: M.F. Groen te Hengelo (O),

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. K.J. Slump te Leersum.

In het voegingsincident

waarin heeft gevorderd als voegende partij aan de zijde van gedaagde te worden toegelaten

2. de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad van Het Stedelijk Lyceum te Enschede,

gevestigd te Enschede,

verzoekster tot voeging aan de zijde van gedaagde,

verder te noemen de GMR,

advocaat: mr. K.J. Slump te Leersum.

Het procesverloop

[Eisers] hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Mr. Slump heeft vervolgens bij akten van 7 januari 2011 een incidentele conclusie tot voeging van de GMR als procespartij aan de zijde van [gedaagde] en een akte houdende eis in reconventie ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2011. Ter zitting zijn verschenen: [eisers], bijgestaan door mr. Groen en [gedaagde], bijgestaan door mr. Slump. Verder zijn verschenen een aantal leden van de (al dan niet voormalige) GMR. De standpunten van partijen ten aanzien van de ingestelde vordering tot voeging zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

1.2 Stichting HSL is een school voor openbaar voortgezet onderwijs te Enschede. Het bevoegd gezag van Stichting HSL ligt bij het (eenhoofdige) bestuur van die stichting, meer specifiek in de persoon van [eiser sub 2]. [Eiser sub 2] is in november 2009 aangetreden bij Stichting HSL.

1.3 Thans is discussie ontstaan over wie de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van Het Stedelijk Lyceum Enschede vormen. De oorspronkelijke GMR (verzoekers in het incident tot voeging), althans een aantal leden hiervan, hebben de GMR opgeheven. [Eiser sub 2] heeft vervolgens nieuwe verkiezingen uitgeschreven, waarna een “nieuwe” gemeenschappelijke medezeggenschapsraad de taken van de “oude” GMR heeft overgenomen.

1.4 Tussen Stichting HSL, [gedaagde] en twee andere ouders hebben zich een aantal conflicten voorgedaan, welke in april 2010 hebben geleid tot een procedure tussen Stichting HSL en de betrokken ouders uit de GMR bij de Landelijke Geschillencommissie WMS (hierna te noemen de geschillencommissie).

1.5 [Gedaagde] is volgens de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) sinds 21 november jl. houder van de domeinnaam <gmrhsl.nl>.

1.6 Stichting HSL heeft op 10 december 2010 de naam GMRHSL als woordmerk gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau.

Standpunt eisers

2.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te verbieden zich in algemene zin negatief uit te laten over Stichting HSL en haar bestuurder;

b. [gedaagde] te gebieden binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle op de website www.gmrhsl.nl gepubliceerde informatie van het internet te verwijderen en verwijderd te houden en in plaats daarvan een rectificatie te plaatsen en geplaatst te houden;

c. [gedaagde] te gebieden binnen 24 uur na betekening van het vonnis voor eigen rekening zorg te dragen voor een rectificatie in de Twentsche Courant Tubantia;

d. [gedaagde] te gebieden om binnen tien dagen na betekening van het vonnis al datgene te doen wat van zijn kant nodig is teneinde te bewerkstelligen dat de domeinregistratie <gmrhsl.nl> onvoorwaardelijk op naam van HSL wordt gesteld conform het reglement van SIDN;

e. [gedaagde] te gebieden vanaf de dag van de uitspraak het gebruik van de e-mailadressen info@gmrhsl.nl en gmrhsl@gmail.com te staken en gestaakt te houden;

f. [gedaagde] te gebieden vanaf de dag van de uitspraak het gebruik van zowel het woordmerk c.q. teken GMR HSL als de naam van de bestuurder te staken en gestaakt te houden;

g. [gedaagde] te verbieden correspondentie en/of processtukken die door of namens bestuurder zijn opgesteld op enigerlei wijze te openbaren en te verspreiden;

h. althans een zodanige voorziening te treffen die het onrechtmatig handelen van [gedaagde] zal beëindigen, op straffe van een dwangsom bij overtreding van het onder a tot en met h bepaalde, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

2.2 Eisers stellen daartoe dat [gedaagde] houder is van de domeinnaam <gmrhsl.nl> en als zodanig onrechtmatig jegens eisers handelt doordat hij op de website van de GMR HSL en via genoemde e-mailadressen lasterlijke en tendentieuze berichten over eisers publiceert c.q. verspreidt, met geen ander doel dan het toebrengen van reputatieschade aan eisers.

Verweer [gedaagde] en diens eis in reconventie

3.1 Ter zitting hebben eisers verzocht de behandeling van de hoofdzaak aan te houden in afwachting van het vonnis in het door de GMR aanhangig gemaakte voegingsincident, welk verzoek door de voorzieningenrechter is gehonoreerd. [Gedaagde] heeft derhalve nog geen inhoudelijk verweer gevoerd en heeft zijn eis in reconventie nog niet nader kunnen toelichten.

De beoordeling

Voeging van de GMR HSL aan de zijde van [gedaagde]

4.1 Vooropgesteld moet worden dat de voorzieningenrechter hier bij de beoordeling van de verzochte voeging in het midden laat of de voeging verzoekende GMR ook daadwerkelijk de vigerende GMR is. Zoals hierna zal blijken is de beantwoording van die vraag niet relevant voor deze beoordeling.

4.2 De (al dan niet voormalige) GMR heeft gesteld – verkort en zakelijk weergegeven – dat zij opdracht heeft gegeven aan [gedaagde] en als zodanig ook de inhoud van de gewraakte website heeft bepaald, omdat zij krachtens artikel 7 Wet medezeggenschap op scholen (hierna te noemen Wms) verplicht is haar achterban te informeren. Nu eisers [gedaagde] in zijn vrijheid proberen te beperken om in opdracht van de GMR haar achterban te informeren heeft zij belang bij de uitkomst van het onderhavige kort geding.

4.3 Eisers hebben verweer gevoerd tegen het verzoek tot voeging inhoudende – samengevat en zover van belang – dat de GMR geen civiele rechtspersoonlijkheid kan ontlenen aan artikel 36 Wms, noch aan het oordeel van de geschillencommissie dat zij ontvankelijk is in een geschil over interne GMR-aangelegenheden.

4.4 De GMR is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een niet rechtspersoonlijkheid bezittend orgaan van Het Stedelijk Lyceum Enschede dat als zodanig deel uitmaakt van de rechtspersoon Stichting HSL. Afgezien van bijzondere wettelijke regelingen komt in burgerlijke zaken procesbevoegdheid in beginsel slechts toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een orgaan van een rechtspersoon, zoals in casu de GMR is, kan daarom in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, niet als zodanig procespartij zijn (vgl. HR 25 november 1983, NJ 1984, 297).

4.4 Ingevolge artikel 36 Wms heeft een medezeggenschapsraad alleen procesbevoegdheid in zijn relatie tot het bevoegd gezag en dan nog alleen in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taak. Er is geen aanknopingspunt in een wettelijke regeling te vinden, dat een medezeggenschapsraad in een burgerlijk (kort) geding als orgaan op eigen naam als zelfstandige – eisende of verwerende – procespartij kan optreden in relatie tot anderen dan het bevoegd gezag.

4.5 Voor de vraag of de omstandigheden tot een uitzondering nopen, zal beslissend zijn of het toekennen van procesbevoegdheid aan een entiteit die noch een natuurlijke persoon is noch over rechtspersoonlijkheid beschikt, noodzakelijk is teneinde het recht op een effectieve toegang tot de rechter te effectueren (vgl. HR 3 december 1993, NJ 1994, 375). Meer in het bijzonder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een dergelijke uitzondering moet worden aanvaard voor gevallen waarin tussen een medezeggenschapsraad en het bevoegd gezag een geschil bestaat dat specifiek de naleving van de verplichtingen van het bevoegd gezag jegens de medezeggenschapsraad tot inzet heeft.

4.6 De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken van een zodanige noodzaak, in het bijzonder is niet gebleken van een geschil dat tot inzet heeft de naleving van de verplichtingen van het bevoegd gezag jegens de medezeggenschapsraad. In het onderhavige geschil ziet de grondslag van de ingestelde vorderingen “slechts” op onrechtmatig handelen van een natuurlijk persoon en diens inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van Stichting HSL.

4.7 Dat de GMR een zekere mate van beleidsvrijheid heeft en aan [gedaagde] opdrachten heeft gegeven, rechtvaardigt eveneens geen uitzondering op de hoofdregel dat alleen natuurlijke personen en rechtspersonen als procespartij kunnen optreden. Immers, de omstandigheid dat het orgaan ten opzichte van de rechtspersoon beschikt over een bepaalde mate van beleidsvrijheid of autonomie is op zichzelf onvoldoende grond om het orgaan zelfstandige civielrechtelijke procesbevoegdheid toe te kennen (vgl. HR 27 juni 1986, NJ 1987, 898). De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de GMR hier niet als partij kan worden ontvangen.

4.8 Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek van de (al dan niet voormalige) GMR tot voeging aan de zijde van [gedaagde] afwijzen en haar veroordelen in de kosten van het incident aan de zijde van eisers gerezen, welke thans worden begroot op nihil.

4.9 Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In de hoofdzaak:

I. Houdt iedere verdere beslissing aan.

II. Bepaalt dat de zaak ter terechtzitting zal worden voortgezet op een nader in overleg met partijen vast te stellen datum.

In het voegingsincident:

III. Wijst de gevorderde voeging van de GMR aan de zijde van [gedaagde] af;

IV. Veroordeelt de GMR in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.