Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP2305

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
10 / 361 BESLU W1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft oplegging van een bestuurlijke boete voor overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 361 BESLU W1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

Technische Veren Twente B.V.,

gevestigd te Oldenzaal, eiseres,

gemachtigde: mr. R.J. Schuitema, werkzaam bij de Koninklijk Metaalunie te Nieuwegein,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 19 februari 2010.

2. Procesverloop

Bij beschikking van 23 oktober 2009 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 8.100,-- voor overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna te noemen: het Arbobesluit).

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 19 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de boetebeschikking van 23 oktober 2009 gehandhaafd.

Blijkens het beroepschrift kan eiseres zich niet met dit besluit verenigen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 januari 2011, waar voor eiseres is verschenen [naam], bijgestaan door mr. R.J. Schuitema, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de haar opgelegde bestuurlijke boete van € 8.100,-- wegens overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit (Veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen van arbeidsmiddelen) bepaalt dat indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen zijn voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Het niet naleven van deze bepaling vormt een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna te noemen: Arbowet), welke is aangewezen als een beboetbaar feit ingevolge artikel 33, tweede lid, van die wet.

Ter uitvoering van de regels bij of krachtens de Arbowet zijn de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna te noemen: de Beleidsregels) opgesteld. In Beleidsregel 33, achtste lid, onder c, is vermeld dat de drie factoren als genoemd in het vierde lid, onder a, van die Beleidsregel bij de berekening van de op te leggen boete aan de orde kunnen zijn en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

In Beleidsregel 33, vierde lid, onder a, worden de volgende factoren die tot vorenbedoelde verlaging kunnen leiden genoemd:

- Indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

In Beleidsregel 33, negende lid, is vermeld dat geen boete wordt opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

Uit de toelichting bij de Beleidsregels blijkt dat bij de matigingsgronden, als genoemd in Beleidsregel 33, vierde lid, onder a, is aangesloten bij de criteria die in de praktijk worden gehanteerd om te toetsen in hoeverre een beboetbaar feit aan de werkgever te verwijten is. Het betreft een cumulatief stelsel, hetgeen wil zeggen dat er bijvoorbeeld geen matiging plaatsvindt als de werkgever weliswaar voldoende instructies heeft gegeven, maar de risico’s onvoldoende heeft geïnventariseerd. In de toelichting bij het negende lid van de Beleidsregel is vermeld dat de verwijtbaarheid in de praktijk ook zal worden getoetst aan in het kader van de matigingsgronden van lid 4, onder a, en lid 8, onder c, maar dat niet is uitgesloten dat de verwijtbaarheid ontbreekt op een andere grond dan de genoemde matigingsgronden.

Allereerst is de vraag aan de orde of verweerder bevoegd was aan eiseres een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Op 14 mei 2009 was een door eiseres ingeleende werknemer bezig met het ponsen van metalen plaatjes. Hierbij werd gebruik gemaakt van een excenterpers met voetbediening, zijnde het arbeidsmiddel. De pers was op dat moment voorzien van een open stempel waartussen de te vormen plaatjes handmatig moesten worden ingelegd en uitgenomen.

Op enig moment lag een plaatje niet geheel in de juiste positie tussen de stempels en heeft de ingeleende werknemer, nadat het recht leggen met een tangetje niet lukte, het plaatje met de vingers van zijn rechterhand recht onder de stempel gelegd, waarbij hij met zijn vingers tussen de boven- en onderpers kwam. De ingeleende werknemer trapte hierna per ongeluk op het voetpedaal, waarna de pers een slag maakte en hij bekneld raakte tussen de bewegende delen van het arbeidsmiddel. Ten gevolge van dit ongeval heeft de betreffende werknemer blijvend letsel opgelopen.

Het feit dat de desbetreffende excenterpers, waarvan de bewegende delen gevaar opleveren, niet was voorzien van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen, is op zich al voldoende om te kunnen vaststellen dat sprake is van een overtreding. Verweerder was daarom in beginsel bevoegd om eiseres wegens overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit een boete op te leggen.

Eiseres heeft in het beroepschrift en ter zitting een aantal omstandigheden aangevoerd om te verduidelijken dat haar geen schuld treft aan het ongeval. De machine in kwestie werd volgens eiseres niet voor gewone werkzaamheden gebruikt; alleen door ervaren personeel voor bijzondere werkzaamheden. De werknemer die het hier betrof hoorde niet tot die categorie. Enkele dagen eerder was deze werknemer uitdrukkelijk verboden om met deze excenterpers te werken: hij was dus gewaarschuwd. Anders dan door de werknemer wordt gesteld, heeft hij volgens eiseres niet van een ervaren collega toestemming gekregen om met deze excenterpers te gaan werken. De werknemer heeft tegenover verschillende personen verklaard dom te zijn geweest en dat hij deze machine niet had mogen gebruiken. Eiseres vindt dat het ongeval haar daarom niet kan worden verweten.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de in artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit neergelegde verplichting geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. Derhalve staat de overtreding vast, indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan.

Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen verwijt valt te maken zal hij dit aannemelijk moeten maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Het feit dat de machine ten tijde van het ongeval werd bediend door een ingeleende medewerker die daartoe niet bevoegd was en die een paar dagen eerder was verboden om met de machine te werken, maakt niet dat ten aanzien van de geconstateerde overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van de Arbowet de verwijtbaarheid ontbreekt. Uitgangspunt is dat een machine zelf veilig moet zijn. In casu was dat niet het geval. De opening was niet afgeschermd of op andere wijze beveiligd om te voorkomen dat een werknemer met zijn hand in de opening kon komen. Dat de machine niet voldoende was beveiligd, heeft het ongeval uitgewezen.

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de eerste matigingsgrond van Beleidsregel 33 van de Beleidsregels. Zij heeft niet alle maatregelen genomen die nodig waren om te voorkomen dat een dergelijk ongeval kon gebeuren. Er zijn door eiseres geen, dan wel onvoldoende maatregelen aan de bron getroffen. Dat betekent in dit geval dat de excenterpers onvoldoende was afgeschermd of beveiligd. De excenterpers was ter plaatse aanwezig en was ook gebruiksklaar. Het mag zo zijn dat een recent ingeleende werknemer, aan wie het gebruik van de machine al was verboden, de machine in werking heeft gesteld en het ongeval heeft veroorzaakt, maar dat doet niet af aan de primaire verplichting van eiseres om te zorgen voor zo goed mogelijk beveiligde machines op de werkvloer.

De matigingsgronden van Beleidsregel 33 zijn cumulatief. Nu niet is voldaan aan de eerste matigingsgrond kunnen de tweede en derde matigingsgrond niet aan de orde komen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot het geven van instructies en toezicht, behoeft dan ook geen bespreking.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de boete ter zake van het in geding zijnde beboetbare feit in overeenstemming is met de Beleidsregels. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een matiging van het bedrag van de boete hadden moeten leiden. De opgelegde boete is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ernst van de overtreding en de gevolgen daarvan, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval, niet onevenredig zwaar te achten.

Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte in stand worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op