Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP1420

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
: 116883 / KG ZA 10-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot afgifte van een 15-tal auto's. Beroep op retentierecht verworpen, wegens bestaan van forse tegenvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 116883 / KG ZA 10-320

datum vonnis: 14 januari 2011 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Innovation Lease B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseres,

verder te noemen Innovation Lease,

advocaat: mr. M.P. Huizingh te Almelo,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1]

gevestigd te [plaats]

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde 1],

advocaat: mr. L.J. Speijdel te Enschede.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2]

gevestigd te [plaats], kantoorhoudende [plaats],

gedaagde,

verder te noemen: [gedaagde 2],

niet verschenen.

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen: [gedaagde 3],

advocaat: mr. L.J. Speijdel te Enschede.

Het procesverloop

Innovation Lease heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 7 januari 2011. Ter zitting zijn verschenen: [H] namens Innovation Lease, vergezeld door mr. Huizingh en [gedaagde 3] namens hemzelf en namens [gedaagde 1], vergezeld door

mr. Speijdel. De standpunten zijn toegelicht. [gedaagde 2] is niet verschenen, waarna tegen haar verstek is verleend.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

- Op 4 april 2004 hebben Innovation Lease B.V. en Garagebedrijf [O] een overeenkomst met elkaar gesloten. Op grond van deze overeenkomst zijn 14 van de onder punt 2 van het lichaam van de dagvaarding genoemde auto’s door Innovation Lease aan Garagebedrijf [O] in lease gegeven. Deze overeenkomst van lease zijn nadien overgegaan op [gedaagde 2].

- Op 16 juni 2008 hebben Innovation Lease en [gedaagde 2] een overeenkomst met elkaar gesloten. Op basis van deze overeenkomst is de auto nummer 5, zoals genoemd onder punt 2 van het lichaam van de dagvaarding, door Innovation Lease aan [gedaagde 2] in lease gegeven.

- De aandelen van de vennootschap [gedaagde 2] zijn verkocht en geleverd aan de Stichting Sanering Coevorden.

- Een vijftiental auto’s is door Innovation Lease aan [gedaagde 2] (althans haar rechtsvoorgangster) verstrekt in het kader van leaseovereenkomsten. Dit betreffen de volgende auto’s:

1. Volkswagen Crafter, kenteken [nr]

2. Volkswagen Tranporten, kenteken [nr]

3. Volkswagen Caddy, kenteken [nr]

4. Volkswagen Caddy, kenteken [nr]

5. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

6. Hyundai Santa Fe, kenteken [nr]

7. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

8. Volkswagen Caddy, kenteken [nr]

9. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

10. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

11. Volkswagen Crafter, kenteken [nr]

12. Audi A6 Avant, kenteken [nr]

13. Hyundai Santa Fe, kenteken [nr]

14. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

15. Volkswagen Transporter, kenteken [nr]

De auto’s zullen hierna worden aangeduid als auto 1. e.v.

- Op de auto’s 4, 11 en 12 rust een conservatoir beslag tot afgifte. Deze auto’s zijn in gerechtelijke bewaring gegeven en bevinden zich op het terrein van Wolves te Wierden.

De vordering van Innovation Lease en haar onderbouwing daarvan

2. Bij dagvaarding vordert Innovation Lease hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot afgifte van de auto’s als genoemd onder punt 2 van het lichaam van de dagvaarding aan Innovation Lease, één en ander binnen twee dagen na betekening van dit vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per auto, met een maximum van

€ 60.000,00 per auto. Daarnaast vordert Innovation Lease hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

2.1 Innovation Lease stelt daartoe – kort gezegd – dat de 15 tal auto’s zoals genoemd in het lichaam van de dagvaarding aan haar in eigendom toebehoren. Innovation Lease heeft deze auto’s aan [gedaagde 2] in lease gegeven, maar laatstgenoemde voldoet niet aan haar (betalings)verplichtingen jegens Innovation Lease. Omdat Innovation Lease niet met zekerheid kan vaststellen welke (rechts)persoon de auto’s op dit moment feitelijk onder zich heeft, als gevolg van geschuif met vennootschappen door [gedaagde 3], is hij samen de met vennootschap waarin hij op dit moment zijn onderneming voert, gedagvaard.

De vordering van Innovation Lease op [gedaagde 2] bedroeg op enig moment ruim

€ 470.000,00. In verband hiermee is een geschil ontstaan, dat uiteindelijk heeft geresulteerd in een overeenkomst van 26 november 2009. In die overeenkomst (die door [gedaagde 3] in privé en namens [gedaagde 1] is ondertekend) is een betalingsregeling getroffen voor de ontstane schuld aan de zijde van [gedaagde 3]. [gedaagde 3] heeft aan deze betalingsregeling slechts gedeeltelijk uitvoering gegeven. Daarop heeft Innovation Lease verzocht om de auto’s aan haar terug te geven. Dat heeft niet tot resultaat geleid, zodat Innovation Lease thans recht en spoedeisend belang heeft bij afgifte van de auto’s.

Het verweer van [gedaagde 2]

3. [gedaagde 2] is niet verschenen, zodat van haar geen verweer bekend is.

Het verweer van [gedaagde 1] & [gedaagde 3]

4. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Zij stellen daartoe – kort gezegd – dat de leaseovereenkomsten zijn gesloten met [gedaagde 2], welke vennootschap door de beheersmaatschappij van [gedaagde 3] is verkocht aan de Stichting Sanering Coevorden in verband met de sanering van de crediteurenportefeuille. Gevolg hiervan is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] dat Innovation Lease de leaseovereenkomsten met [gedaagde 2] op grond van het bepaalde in de overeenkomst tussen die partijen van 22 april 2008 heeft beëindigd.

4.1 Wat betreft de Volkswagen Crafter (auto 1) betogen [gedaagde 1] en

[gedaagde 3] dat deze onderdeel is geweest van een koopovereenkomst tussen Innovation Lease, [L]. en [gedaagde 1]. In de overeenkomst van 26 november 2009 is immers afgesproken dat [gedaagde 1] een bedrag van

€ 150.000,00 zou betalen. € 50.000,00 van dat bedrag is inmiddels voldaan door [gedaagde 1], maar in dat bedrag is eveneens de koopprijs begrepen van een vijftal auto’s, waaronder de Volkswagen Crafter (auto 1). Die auto is derhalve eigendom geworden van [gedaagde 1] en dat blijkt ook uit productie 6 bij de dagvaarding van Innovation Lease.

4.2 In de overeenkomst van 26 november 2009 zijn tevens afspraken gemaakt over uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aan – onder meer – de auto’s met betrekking tot de bestaande leasecontracten, waaronder de Volkswagen Transporter (auto 2). [gedaagde 1] heeft aan deze auto onderhoudswerkzaamheden verricht. De in dat kader aan Innovation Lease verzonden factuur van 18 september 2010 is door Innovation Lease nimmer betaald, zodat [gedaagde 1] een retentierecht is gaan uitoefenen op deze auto.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

Ten aanzien van [gedaagde 2]:

5. Omdat [gedaagde 2] niet is verschenen, moeten de ten aanzien van haar door Innovation Lease aangevoerde feiten en omstandigheden als vaststaand worden beschouwd. De vorderingen komen onrechtmatig noch ongegrond voor en kunnen daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]:

5.1 Innovation Lease heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening als gevorderd. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben dit ook niet betwist, zodat de voorzieningenrechter toekomt aan een materiële beoordeling van het onderhavige geschil.

5.2 De voorzieningenrechter stelt vast – gelet op hetgeen hierover door Innovation Lease ter terechtzitting is verklaard – dat de vordering ten aanzien auto’s 8, 10 en 15 als ingetrokken kan worden beschouwd, nu Innovation Lease met de klanten aan wie deze auto’s zijn doorgeleasd, inmiddels een nieuw contract heeft gesloten.

5.3 De vorderingen wat betreft de auto’s 3 tot en met 7, 9 en 11 tot en met 14 dienen jegens

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] te worden afgewezen. De leasecontracten met betrekking tot deze auto’s zijn immers zonder uitzondering gesloten met [gedaagde 2], terwijl niet is gebleken dat hetzij [gedaagde 1], hetzij [gedaagde 3], de verplichtingen uit hoofde van deze leaseovereenkomsten heeft overgenomen. Innovation Lease betoogt weliswaar met zoveel woorden dat de overeenkomst van 26 november 2009 in die zin moet worden opgevat, maar daarin kan zij niet worden gevolgd. In die overeenkomst wordt slechts de financiële afwikkeling van een tussen partijen met betrekking tot [gedaagde 2] gerezen geschil geregeld, maar dat betekent op zichzelf nog niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ook in de rechten en verplichtingen van [gedaagde 2] zijn getreden.

5.4 Wat betreft auto 1 (Volkswagen Crafter met kenteken [nr]) staat vast dat deze auto zich onder [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 3] bevindt. Zij stellen zich op het standpunt dat deze auto in eigendom is overgedragen aan [gedaagde 1]. Daarin kan [gedaagde 1] noch [gedaagde 3] worden gevolgd. Tegenover deze niet met stukken (anders dan een brief waarin een zelfde standpunt wordt ingenomen) onderbouwde stelling staat een door Innovation Lease in het geding gebrachte leaseovereenkomst, waaruit blijkt dat Innovation Lease eigenaresse is van deze auto. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient derhalve Innovation Lease ook thans nog te worden aangemerkt als eigenaresse van voornoemde auto en kan de vordering op dit punt jegens zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 3] worden toegewezen.

5.5 Wat betreft auto 2 (Volkswagen Transporter met kenteken [nr]) is niet tussen partijen in geschil dat deze auto aan Innovation Lease in eigendom toebehoort. [gedaagde 1] beroept zich ter zake deze auto echter op een retentierecht, aangezien zij onderhoud aan deze auto heeft uitgevoerd, waarvan de kosten (nog) niet door Innovation Lease zijn voldaan. Ook hierin kan [gedaagde 1] noch [gedaagde 3] worden gevolgd. Weliswaar blijkt voorshands uit de overeenkomst van 26 november 2009 dat het onderhoud van (ook) deze auto voor rekening van [gedaagde 3] komt en [gedaagde 3] daarvoor ook betaalt dient te krijgen, maar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid acht de voorzieningenrechter onaanvaardbaar dat [gedaagde 3]ten aanzien van een kennelijk niet voldane onderhoudsnota een retentierecht gaat uitoefenen, terwijl zij als retentor op basis van de overeenkomst van 26 november 2009 nog een groot bedrag (plm. € 100.000,00) verschuldigd is aan Innovation Lease. [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 3] dient het retentierecht dan ook prijs te geven en de auto weer in de macht van Innovation Lease te brengen.

Proceskosten

6. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure als na te melden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de auto’s 1 en 2 (als genoemd op blad 1 van dit vonnis) af te geven aan Innovation Lease, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per auto, met een maximum van € 60.000,00 per auto.

II. veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de auto’s 3 tot en met 7, 9 en 11 tot en met 14 (als genoemd op blad 1 van dit vonnis) af te geven aan Innovation Lease, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per auto, met een maximum van € 60.000,00 per auto.

III. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Innovation Lease begroot op € 650,64 aan verschotten en € 816,00 aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.