Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP0813

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
10/507 BESLU AQ1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU7867, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing plaatsing op de Uitwijklijst.

De rechtbank acht het door verweerder gevoerde beleid voor plaatsing op die Uitwijklijst, redelijk.

Ten tijde van het bestreden besluit heeft eiser onvoldoende aangetoond dat hij beschikt over een mbo-werk/denkniveau en over taalcompetenties in bron- en doeltaal op niveau B2 van het Europese referentiekader voor talen. Dat een aantal Arabische talen niet kan worden geclassificeerd op een niveau van dat Europees referentiekader leidt de rechtbank, gelet op het uitgangspunt van de Wbtv dat tolken dienen te beschikken over een objectief en aantoonbaar kwaliteitsniveau, niet tot het oordeel dat verweerder het standpunt dat plaatsing op de Uitwijklijst niet mogelijk is als het niveau B2 niet kan worden vastgesteld, in redelijkheid niet kan innemen.

Voorts scoort eiser niet de minimaal vereiste 8 punten op de competentiematrix.

Gelet op het beleid heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten eiser niet te plaatsen op de Uitwijklijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10/507 BESLU AQ1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Minister van Veiligheid en Justitie (voorheen: Justitie),

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 2 april 2010 en 16 november 2010.

2. Procesverloop

Op 16 juni 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: Rbtv) als tolk in de talencombinaties Nederlands - Arabisch (standaard, Egyptisch, Syrisch-Libanees, Soedanees, Irakees, Saoedisch, Golfstaten) en Nederlands – Assyrisch-Aramees en tot plaatsing op de zogenaamde Uitwijklijst. Op 27 augustus 2009 heeft de Raad voor Rechtsbijstand inschrijving geweigerd als tolk Nederlands – Arabisch (standaard) en als tolk Nederlands – Assyrisch-Aramees. Tevens heeft verweerder geweigerd eiser te plaatsen op de Uitwijklijst. Eiser heeft op 30 september 2009 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 8 december 2009 heeft verweerder het primaire besluit herzien in die zin dat hij niet alleen weigert eiser in te schrijven voor de genoemde talencombinaties maar ook voor de overige aangevraagde talencombinaties. Het bezwaar is door verweerder op 2 april 2010 overeenkomstig het advies van de commissie voor bezwaar van 29 maart 2010 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 11 mei 2010 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft op 22 juni 2010 een verweerschrift ingediend, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Op 30 juni 2010 heeft eiser nadere stukken ingebracht.

Op 16 november 2010 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en besloten, met een andere motivering, het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Aangezien het nieuwe besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar of beroep wordt het beroep, overeenkomstig artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), mede geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit.

Op 17 november 2010 heeft eiser gereageerd op het verweerschrift. Hij heeft daarbij tevens stukken overgelegd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 30 november 2010, waar eiser is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.L. Schuurman en mr. D.E.S. Tomey, beiden werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

In geschil is of verweerder terecht inschrijving in het Rbtv geweigerd heeft voor zover het betreft verweerders weigering eiser te plaatsen op de Uitwijklijst voor de talencombinaties Nederlands - Arabisch (standaard, Egyptisch, Syrisch-Libanees, Soedanees, Irakees, Saoedisch, Golfstaten) en Nederlands – Assyrisch-Aramees.

Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte niet op die lijst geplaatst heeft en voert aan dat zijn middelbare schoolopleiding vergelijkbaar is met het Nederlandse Havo/Vwo-niveau en dat hij Arabisch op B2-niveau beheerst (voor Arabisch Irakees en Assyrisch-Aramees bestaat geen niveau-indeling). Bovendien heeft hij ongeveer 6.000 keer getolkt vanaf 1994. Aan de hand van de competentiematrix komt verweerder tot een score van minder dan 8 punten. Eiser is van mening dat dit onjuist is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 16 november 2010 heeft verweerder het bestreden besluit van 2 april 2010 ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw besluit genomen. Verweerder stelt in dat nieuwe besluit dat uit het besluit op bezwaar van 2 april 2010 onvoldoende duidelijk blijkt dat het is gericht op meerdere taalvarianten. Bovendien heeft verweerder, in navolging van de commissie voor bezwaar, ten onrechte aangenomen dat eiser het Nederlands op niveau B2 beheerst, nu eiser blijkens het in beroep overgelegde bewijs van inschrijving van 18 oktober 1988 van de Vrije Universiteit Amsterdam de opleiding Nederlands als Tweede Taal op niveau 3 heeft afgerond en dit niveau gelijkgesteld wordt met niveau B1 (en niet, zoals in het besluit op bezwaar van 2 april 2010 is aangenomen, niveau B2) van het Europees referentiekader voor talen. Het beheersen van het Nederlands op niveau B1 is volgens verweerder onvoldoende om te voldoen aan de eisen om in aanmerking te komen voor plaatsing op de Uitwijklijst.

Gelet op het feit dat het besluit op bezwaar van 2 april 2010 is ingetrokken heeft eiser geen belang meer bij een rechterlijke beoordeling van dit besluit. Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. Wel bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overeenkomstig artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep ook geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 16 november 2010. Ter zitting heeft eiser verklaard geen bezwaar te hebben tegen het betrekken van het nieuwe besluit bij de behandeling van het beroep. Hij heeft verder gesteld ten aanzien van dit besluit niets te willen toevoegen aan de gronden van beroep. Gelet hierop zal de rechtbank thans oordelen over het besluit op bezwaar van 16 november 2010.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers. Op grond van het Besluit beëdigde tolken en vertalers kan een tolk of vertaler worden ingeschreven in het register als hij voldoet aan de daarin gestelde competenties.

Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wbtv kan de Minister een lijst bijhouden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- of doeltaal. De hier bedoelde lijst is de zogenaamde Uitwijklijst.

Voor de plaatsing op de Uitwijklijst heeft verweerder beleid vastgesteld. Dit beleid is verwoord in het Besluit Uitwijklijst Wbtv (hierna: BUWbtv), welk beleid is bekendgemaakt op 8 juni 2009.

Artikel 1 van het BUWbtv bepaalt als volgt:

“Indien de Raad voor Rechtsbijstand (hierna te noemen: de Raad) een verzoek van een tolk of vertaler om te worden ingeschreven in het Rbtv afwijst, kan hij de tolk of vertaler voor de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) plaatsen op de Uitwijklijst indien:

- in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) geen door de Raad erkende toets kan worden afgelegd;

- en de tolk of vertaler aantoonbaar beschikt over:

- aantoonbaar mbo-denk/werkniveau;

- en taalcompetenties in bron- en doeltaal op niveau B2 van het Europese referentiekader voor talen;

- en relevante werkervaring als tolk, respectievelijk vertaler;

- en de tolk of vertaler minimaal 8 punten scoort op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.”

Verweerder heeft op 19 juni 2009 de “Bijlage criteria voor plaatsing op de Uitwijklijst”, oorspronkelijk gepubliceerd op 8 juni 2009, gecorrigeerd omdat de op 8 juni 2009 gepubliceerde bijlage onjuist zou zijn. Nu het primaire besluit is genomen op 27 augustus 2009 gaat de rechtbank uit van het beleid van 8 juni 2009 en de bijlage van 19 juni 2009.

De rechtbank overweegt allereerst dat zij het beleid van verweerder, voor zover thans in het geding, redelijk acht. Daarbij overweegt zij dat de doelstelling van de Wbtv is te komen tot een register van tolken die objectief en aantoonbaar beschikken over een zeker kwaliteitsniveau. Ook ingeval van plaatsing op de Uitwijklijst dient een zekere basiskwaliteit te zijn gegarandeerd, gelet op de belangen die zijn betrokken bij de werkzaamheden van de tolk.

Verweerder heeft eisers aanvraag om inschrijving in het Rbtv afgewezen. Deze afwijzing is niet in geschil. Gelet daarop diende verweerder vervolgens te bezien of eiser geplaatst kan worden op de Uitwijklijst. Verweerder heeft plaatsing op de Uitwijklijst afgewezen omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij een middelbare of hogere opleiding heeft genoten, omdat eiser het Nederlands en de Arabische dialecten, alsmede het Assyrisch-Aramees niet op het vereiste niveau B2 beheerst, omdat hij onvoldoende heeft aangetoond tenminste 20 professionele opdrachten te hebben uitgevoerd als beroepstolk en omdat hij niet minimaal 8 punten scoort op de competentiematrix.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende aangetoond dat hij beschikt over een mbo-werk/denkniveau. Wel heeft eiser op 30 juni 2010 een diplomawaardering van de Nuffic van 16 juni 2010 overgelegd waaruit blijkt dat eiser beschikt over een niveau dat globaal vergelijkbaar is met dat van een Havodiploma met een exact profiel. Daarmee heeft hij, naar verweerder in het verweerschrift ook heeft erkend, voldaan aan de eis van een mbo-werk/denkniveau. Dit kan echter, gelet op het onderstaande, niet tot de conclusie leiden dat verweerder ten onrechte besloten heeft eiser niet op de Uitwijklijst te plaatsen.

Wat betreft de beheersing van de reeds genoemde talen op minimaal niveau B2 van het Europees referentiekader voor talen overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser niet aan het vereiste niveau voor het Nederlands voldoet. Zij overweegt hierbij dat uit een door eiser in beroep overgelegd bewijs van inschrijving van 18 oktober 1988 blijkt dat hij de opleiding Nederlands als Tweede Taal op niveau 3 succesvol heeft afgerond. Verweerder heeft middels het overleggen van een mailbericht van 4 februari 2010 van het Instituut voor taalonderzoek en taalonderwijs anderstaligen, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het niveau 3 ongeveer gelijk is aan het niveau B1 van het Europees referentiekader voor talen. Eiser heeft daartegen middels een mailbericht van 16 november 2010 van de coördinator onderwijs Afdeling NT2 van de Vrije Universiteit Amsterdam weliswaar ingebracht dat het interuniversitair Toelatingsexamen Nederlands een niveau heeft dat gelijk staat aan niveau B2+ dan wel C1, maar naar het oordeel van de rechtbank geeft dat mailbericht uitsluitend de huidige situatie weer. Niet is gesteld of gebleken dat in 1988 hetzelfde niveau gold. Het door verweerder overgelegde mailbericht ziet juist op de oude situatie. De rechtbank is, gelet daarop, van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet aan het vereiste niveau voor het Nederlands voldoet.

Wat betreft de Arabische talen heeft eiser gesteld dat deze, behoudens het Arabisch standaard, niet kunnen worden geclassificeerd op een niveau van het Europees referentiekader voor talen omdat deze talen niet op middelbaar - of hoger onderwijsniveau worden gebruikt. Daar maakt men immers gebruik van het Arabisch standaard. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat in een aantal gevallen, zoals bijvoorbeeld het Syrisch-Libanees, wel degelijk opleidingen bestaan, waarin een toets kan worden afgelegd waaruit het vereiste niveau blijkt. In een aantal andere gevallen is dat niet mogelijk. Omdat verweerder echter van een zekere, objectief vaststelbare basiskwaliteit wil uitgaan, is hij van mening dat plaatsing op de Uitwijklijst niet mogelijk behoort te zijn als het niveau B2 niet kan worden vastgesteld. Dat geldt ook voor het Assyrisch-Aramees. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het uitgangspunt van de Wbtv dat tolken dienen te beschikken over een objectief en aantoonbaar kwaliteitsniveau, niet gezegd worden dat verweerder dit standpunt in redelijkheid niet kan innemen.

Met betrekking tot de eis van relevante werkervaring als tolk stelt de rechtbank vast dat dit inmiddels niet meer in geschil is: verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser beschikt over voldoende relevante tolkervaring in de door hem gevraagde talencombinaties. De rechtbank zal aan dit punt dan ook voorbijgaan.

Volgens verweerder scoort eiser niet 8 punten of meer op de competentiematrix: eiser scoort uitsluitend 3 punten op het onderdeel werkervaring als tolk (punt D4). Eiser stelt, blijkens zijn nadere gronden van 17 november 2010, dat hij ook scoort op punt D1 (moedertaalspreker en middelbaar onderwijs in die taal) en een punt extra op punt D4 (werkervaring anders dan als tolk in het taalgebied van de voor betrokkene vreemde taal). De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat Arabisch standaard, de taal waarin eiser de opleiding heeft genoten, niet kan worden aangemerkt als moedertaal. Dat Arabisch standaard niet veel afwijkt van het Arabisch dat gesproken wordt in Aleppo of Damascus maakt niet dat het Arabisch standaard zou moeten worden aangemerkt als moedertaal van eiser.

Verder berust de stelling van eiser dat hij op punt D4 1 punt extra zou dienen te scoren op een onjuiste lezing van het beleid: op punt D4 kan men maximaal 3 punten scoren. Verweerder heeft reeds 3 punten gehonoreerd zodat het maximum reeds bereikt is. Dat houdt in dat, zelfs los van de score op onderdeel D1, niet 8 punten of meer kunnen worden gescoord zodat verweerder terecht overwogen heeft dat eiser niet aan de vereiste minimale score van 8 punten op de competentiematrix heeft voldaan.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op zijn beleid, in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser niet te plaatsen op de Uitwijklijst. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 16 november 2010, is dan ook ongegrond.

Hiervoor heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat er aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de proceskosten. In verband hiermee heeft eiser ter zitting een zogenaamd formulier proceskosten overgelegd. Eiser heeft daarbij aangegeven dat er kosten zijn gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Blijkens een factuur gaat het daarbij om een bedrag van € 329,39 voor verrichte werkzaamheden in de periode 16 september 2009 tot en met 19 februari 2010. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen dit geen kosten van beroep, nu het beroep eerst is ingesteld op 11 mei 2010 en betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 2 april 2010 zodat deze kosten reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser heeft verder verzocht om vergoeding van verschotten ad € 128,35 zijnde de kosten voor diplomawaardering van de Nuffic (€ 120,--) en kosten van legalisatie (€ 8,35). Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit echter geen kosten van de procedure maar kosten, die eiser maakt om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan het beleid van verweerder voor plaatsing op de Uitwijklijst. Dit zijn geen kosten die te maken hebben met het instellen van beroep. De rechtbank zal, gelet hierop, uitsluitend de reiskosten van eiser voor vergoeding in aanmerking brengen. Het griffierecht, betaald in verband met het instellen van beroep tegen het besluit van 2 april 2010, zal niet worden vergoed, nu het geacht kan worden betrekking te hebben op het beroep tegen het besluit van 16 november 2010 en dit beroep ongegrond is.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 april 2010 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 november 2010 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 5,80 (reiskosten [woonplaats] – Almelo v.v.), door verweerder te betalen aan eiser.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink als voorzitter, en mrs. A.M.S. Kuipers en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M. Hulsman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2011

Afschrift verzonden op

AW