Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO8405

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-12-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
282600 CV EXPL 8826/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweer van Dexia dat het door de echtgenote gedane beroep op hetgeen is bepaald in artikel 1:88 lid 1 sub d juncto 1: 89 BW is verjaard wordt voorshands bewezen geacht. De reden daarvoor is dat de betalingen aan Dexia werden afgeschreven van een en/of rekening die ten name stond van de echtelieden. Desalniettemin wordt de klant van Dexia toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, omdat gemotiveerd wordt gesteld dat de en/of rekening niet door de echtgenote werd gebruikt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie

Zaaknummer : 282600 CV EXPL 8826/08

Uitspraak : 21 december 2010

Vonnis in de zaak van:

1. [EISER 1]

2. [EISERES 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisende partij, hierna ook wel [eiser 1] c.s. te noemen

gemachtigde: mr. E.H. Hoeksma, advocaat te Enschede

tegen

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde partij, hierna ook wel Dexia te noemen

gemachtigde: N.J.M. Tijhuis, deurwaarder te Almelo

1. Het verdere verloop van de procedure in conventie en in reconventie:

1.1 Dit verloop blijkt uit het tussenvonnis van 14 oktober 2010. In dit vonnis is een comparitie van partijen gelast. De comparitie leverde geen nieuwe gezichtspunten op. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten:

2.1 [eiser 1] en [eiseres 2] zijn met elkaar gehuwd. [eiser 1] heeft in oktober 2000 twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met de Bank Labouchere. Deze bank handelde toentertijd onder de naam Legio-Lease. De overeenkomsten hebben de naam WinstVer10Dubbelaar en ze komen erop neer dat [eiser 1] met geleend geld van voornoemde bank in drie tranches certificaten van aandelen koopt. Beide overeenkomsten hebben een looptijd van 10 jaar. [eiser 1] koopt certificaten voor een bedrag van in totaal € 6.691,00. Rente moet worden betaald ad € 5.445,60. Het totaal van de leasesommen bedraagt € 12.136,60. De leasesommen moesten worden voldaan in 120 maandelijkse termijnen van telkens 2 x € 22,69, een bedrag van 2 x € 45,38 op of omstreeks de 119e maand worden betaald en aan het einde van de overeenkomsten 2 x € 3.300,12. In totaal wordt € 2.314,38 betaald. Hetgeen is betaald geschiedde vanaf een zogenaamde en/of rekening ten name van [eiser 1] en [eiseres 2]. Dexia is de rechtsopvolgster van de Bank Labouchere. De effectenleaseovereenkomsten zijn niet mede ondertekend door [eiseres 2].

2.2 [eiseres 2] schrijft naar Legio-Lease een brief waarvan de inhoud erop neerkomt dat zij vraagt de twee effectenleaseovereenkomsten te beëindigen en te vernietigen, zulks omdat alleen [eiser 1] deze overeenkomsten heeft getekend. De brief is gedateerd 31 augustus 2004 en verzonden naar het adres: Postbus 878, 2300 AW Leiden. Dexia willigt het verzoek van [eiseres 2] niet in, hetgeen zij [eiseres 2] bij brief van 13 oktober 2004 laat weten. De brief vangt aan met de mededeling dat Dexia de brief van [eiseres 2] op 12 oktober 2004 heeft ontvangen.

2.3 In verband met betalingsachterstanden van [eiser 1] worden de effectenleaseovereenkomsten tussentijds beëindigd. Eén overeenkomst eindigt op 19 september 2005, de andere op 14 juli 2006. Er ontstaan restschulden van in totaal € 2.765,41. De certificaten zijn verkocht 19 september 2005 en op 14 juli 2006, waardoor respectievelijk restschulden zijn ontstaan van € 1.425,56 en

€ 1.339,85.

2.4 [eiser 1] en Dexia zijn niet gebonden aan de WCAM-overeenkomst (Duisenbergregeling, Beschikking Gerechtshof Amsterdam,van 25 januari 2007) [eiser 1] heeft tijdig een opt outverklaring ingediend.

3. De vorderingen in conventie:

3.1 [eiser 1] en [eiseres 2] vorderen dat bij vonnis, voor zover de wet toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:

a. De twee WinstVer10Dubbelaars worden vernietigd, althans voor recht wordt verklaard dat deze overeenkomsten buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans nietig zijn;

b. Voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld en Dexia daarom schadeplichtig is;

c. Dexia te veroordelen aan hen te betalen het bedrag van € 2.314,28 althans het bedrag van € 931,57 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagen dat uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten deelbetalingen aan Dexia zijn gedaan tot aan de dag van de betaling, althans vanaf 6 mei 2005 tot aan de dag van betaling, althans vanaf 15 augustus 2008 tot aan de dag van de betaling.

d. Wordt verstaan dat de restschulden vervallen verklaard zijn;

e. Dexia wordt opgedragen het BKR te verzoeken de A-notering op naam van [eiser 1] ongedaan te maken, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia na betekening van het vonnis nalaat aan het bevel te voldoen.

De vorderingen zijn gebaseerd op de feiten en op de volgende stellingen:

3.2 [eiser 1] en [eiseres 2] waren ook in oktober 2000 met elkaar gehuwd. [eiseres 2] heeft haar echtgenoot [eiser 1] nimmer toestemming gegeven de in het geding zijnde effectenleaseovereenkomsten aan te gaan. [eiser 1] heeft haar niet ervan in kennis gesteld dat hij dergelijke overeenkomsten had afgesloten. Eerst bij gelegenheid van een televisie-uitzending van Tros Radar van 25 maart 2002 werd [eiseres 2] door [eiser 1] ingelicht over de WinstVer10Dubbelaars. De brief van 10 augustus 2004 van [eiseres 2] is gebaseerd op hetgeen is bepaald in artikel 1: 88 en 89 BW. [eiser 1] en [eiseres 2] beroepen zich op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008 LJN;BC 2837. Dexia dient de gehele inleg van [eiser 1] terug te betalen.

3.3 De buitengerechtelijke verklaring van 31 augustus 2004 van [eiseres 2] is binnen de verjaringstermijn van drie jaar uitgebracht. [eiser 1] en [eiseres 2] hadden in 2000 ieder voor zich een eigen spaarrekening [eiseres 2] had daarenboven een eigen gewone rekening waarop haar salaris werd gestort en waarvan de hypotheeklasten werden voldaan. De en/of rekening waarvan de termijnen voor Dexia werden afgeschreven was aanvankelijk een rekening die alleen ten name stond van [eiser 1]. Het gaat om een Rabo-bankrekening en op aandringen van deze bank werd het een en/of rekening. Ook nadien werd de rekening nooit door [eiseres 2] gebruikt en ingezien.

3.4 [eiser 1] ging tot de vorenbedoelde televisie-uitzending ervan uit dat hij voor zijn twee kleinkinderen twee spaarovereenkomsten had gesloten. Nimmer is [eiser 1] duidelijk gemaakt dat door hem met geleend geld certificaten werden gekocht en hij over het geleende bedrag rente moest betalen. Hij is ook niet gewezen op de risico’s verbonden aan effectenleaseovereenkomsten, zoals een daling van de beurswaarden en het geconfronteerd kunnen worden met restschulden. De Bank Labouchere heeft niet voldaan aan haar zorgverplichtingen jegens [eiser 1] en als gevolg daarvan lijdt [eiser 1] schade. De schade bedraagt de door [eiser 1] betaalde bedragen en Dexia dient deze schade te vergoeden. Zij is daartoe evenwel niet bereid.

3.5 Hoewel inmiddels veel rechtspraak voorhanden is waaruit blijkt dat de Wet op het Consumentenkrediet niet van toepassing is op effectenleaseovereenkomsten, neemt de Rechtbank Almelo het standpunt in dat dit wel het geval is. [eiser 1] en [eiseres 2] kunnen zich daarin vinden. De Bank Labouchere/Dexia had geen vergunning als bedoeld in artikel 9 WCK (oud) en daarom zijn de overeenkomsten nietig. De rechtbank Almelo pleegt dan aan de klant van Dexia een bedrag toe te kennen die als volgt wordt berekend: Som van de restschulden is € 2.765,41 : 2 = € 1.382,70. Op dit bedrag dient in mindering te strekken de inleg ad € 2.314,28. Dexia dient daarom aan [eiser 1] en [eiseres 2] het bedrag van € 931,57 te vergoeden.

3.6 Dexia weigert mee te werken aan het teniet doen van de BKR-registratie van [eiser 1].

4. Het verweer:

4.1 Dexia is van mening dat [eiser 1] en [eiseres 2] in hun vorderingen niet ontvankelijk moeten worden verklaard, althans dat deze aan hen dienen te worden ontzegd. Het volgende is naar voren gebracht:

4.2 Het beroep op artikel 1: 88 lid 1 sub d juncto 1: 89 BW is verjaard. De brief van 31 augustus 2004 is eerst op 12 oktober 2004 door Dexia ontvangen. De verjaringstermijn is drie jaar. Uitgangspunt dient te zijn dat [eiser 1] en [eiseres 2] in 2000 een gezinsverhouding hebben die meebrengt dat [eiseres 2] door [eiser 1] al dat jaar is ingelicht over de WinstVer10Dubbelaars. Niet uit het oog mag worden verloren dat de maandelijkse betalingen ten laste kwamen van het gemeenschappelijke huishoudbudget en dat moet [eiseres 2] hebben gemerkt. Dat is zeker het geval omdat de betalingen zijn gedaan via de en/of rekening die ten name van [eiser 1] en [eiseres 2] stond.

4.3 De effectenleaseovereenkomsten zijn niet nietig. Inmiddels is komen vast te staan dat een effectenleaseovereenkomst als de WinstVer10Dubbelaar niet een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 sub a WCK is. De Bank Labouchere had geen vergunning nodig ingevolge de WCK.

4.4 De Bank Labouchere/Legio-Lease heeft in voldoende mate voldaan aan haar zorgplicht en deze Bank heeft zich niet onrechtmatig jegens [eiser 1] gedragen. Indien dat wel het geval zou zijn dan staat niet het volledige beleggingsverlies in causaal verband met de schending van de zorgplicht maar uitsluitend het beleggingsverlies dat uit de restschuld bestaat. Dexia doet, ook in subsidiair verband, een beroep op artikel 6: 101 BW.

4.5 Dexia kan de BKR-registratie niet ongedaan maken. De te nemen beslissing in deze kwestie is voorbehouden aan het BKR. Dexia kan hooguit het BKR verzoeken een registratie te wijzigen.

5. De vordering in reconventie:

5.1 Dexia vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser 1] en [eiseres 2] worden veroordeeld aan haar te betalen het bedrag van € 2.765,41 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2005, althans vanaf de dagen waarop naar [eiser 1] eindafrekeningen zijn verzonden plus 14 dagen, althans vanaf 21 oktober 2008.

De vordering is gebaseerd op de feiten, op hetgeen in conventie als verweer naar voren is gebracht en op de volgende stellingen:

5.2 [eiser 1] en [eiseres 2] zijn in verzuim geraakt het bedrag van € 2.765,41 aan Dexia te betalen. Het gaat hier om de restschulden ad € 1.339,85 en € 1.425,56.

6. Het verweer in reconventie:

6.1 Het verweer komt erop neer dat de vordering van Dexia moet worden afgewezen. Verwezen wordt naar hetgeen in conventie naar voren is gebracht. Daarbij wordt in subsidiair verband door [eiser 1] en [eiseres 2] aangetekend dat de reconventionele vordering tot ten hoogte € 921,80 voor toewijzing vatbaar kan zijn.

7. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie:

7.1 De Wet op het consumentenkrediet is niet van toepassing op effectenleaseovereenkomsten als de WinstVer10Dubbelaar. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 LJN: BH2815, meer speciaal naar de overwegingen onder E (4.7.1 tot en met 4.7.5). De kantonrechter sluit zich bij deze overwegingen aan.

7.2 Dexia stelt dat het door [eiser 1] en [eiseres 2] gedane beroep op verjaring is verjaard. In beginsel rust daarom de bewijslast ten aanzien van de verjaring op Dexia. Hetgeen Dexia naar voren heeft gebracht over hoe het in het algemeen bij gezinnen of echtparen toegaat, is onvoldoende om alleen op grond daarvan in rechte vast te stellen dat [eiseres 2] eerder dan dat de Tros-uitzending plaatsvond wist dat [eiser 1] effectenleaseovereenkomsten had afgesloten. Daartegenover staat dat wel vaststaat dat de termijnbetalingen aan Dexia via de en/of rekening van [eiser 1] en [eiseres 2] liepen. De kantonrechter acht op grond daarvan voorshands voldoende bewezen dat [eiseres 2], door kennisname van één of meer bankafschriften van de en/of rekening, vóór 12 oktober 2001, met het bestaan van de twee WinstVer10Dubbelaars bekend was. Maar: [eiser 1] en [eiseres 2] hebben een aantal concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat [eiseres 2], in weerwil van de en/of rekening, niet met het bestaan van de WinstVer10Dubbelaar bekend is geworden vóór 12 oktober 2001. De kantonrechter doelt daarbij op hetgeen onder 3.3 is weergegeven. Hetgeen voorshands voldoende bewezen wordt geacht, kan worden ontzenuwd door tegenbewijs te leveren. [eiser 1] en [eiseres 2] zullen daarom worden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het vorenbedoeld voorshands bewezen feit dat [eiseres 2], door kennisname van één of meer bankafschriften van hun en/of rekening, voor 12 oktober 2001 weet had van het bestaan van de twee WinstVer10Dubbelaars die door [eiser 1] waren aangegaan.

7.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing:

In conventie:

Laat [eiser 1] en [eiseres 2] toe door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen hetgeen onder 7.2 breder is omschreven.

Verwijst de procedure naar de rolzitting van dinsdag 11 januari 2011 voor dagbepaling van enquête aan de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2], bij welke gelegenheid partijen hun respectievelijke verhinderdata dienen op te geven, ambtshalve peremptoir!

In conventie en in reconventie:

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. M.H. van Rhijn, kantonrechter, en op 21 december 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

-