Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO5763

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
340652 CV EXPL 5795/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0951
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie

Zaaknummer : 340652 CV EXPL 5795/10

Uitspraak : 30 november 2010 (mvr)

Vonnis in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eisende partij, hierna ook wel [eiseres] te noemen

gemachtigde: mr. M. Colenbrander, advocaat te Zwolle

tegen

de stichting STICHTING LIVIO

gevestigd te Enschede

gedaagde partij, hierna ook wel Livio te noemen

gemachtigde: mr. E.P. Cornel, advocaat te Enschede

1. Het verloop van de procedure:

1.1 Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 april 2010;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

2. De feiten:

2.1 Livio is een zorginstelling in Twente. Zij biedt een breed scala aan van welzijn- woon- en zorgdiensten. De dienstverlening omvat onder meer verpleeghuiszorg en thuishulp. Thuishulp is vanaf 1 januari 2007 tot 1 januari 2010 ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) verleend in veertien gemeenten in Twente, waaronder Enschede en Hengelo (O), en vier gemeenten in Oost Gelderland. De thuishulp is te onderscheiden in huishoudelijke werkzaamheden, zoals boodschappen en de was doen (HH1) en hulp die in meer complexe huishoudelijke situaties wordt gegeven (HH2). Tot 1 januari 2010 is thuishulp op zowel HH1 als HH2 in de 18 gemeenten verleend. De 18 gemeenten hebben voor een periode gelegen na 1 januari 2010 diverse zorginstellingen, waaronder Livio, uitgenodigd mee te dingen in een aanbestedingsprocedure. De gemeenten hebben te kennen gegeven dat zowel op de HH1 en HH2 thuishulpverlening moet worden ingeschreven. Livio schrijft desalniettemin alleen in voor HH2 niveau. De Twentse gemeenten kiezen ervoor om zowel voor HH1 en HH2 thuishulp niet Livio maar een andere zorginstelling in te schakelen.

2.2 Livio voorziet in 2009, althans zij houdt daarmee rekening, dat na 1 januari 2010 zij op de voet van de WMO geen thuishulp (noch HH1 noch HH2) meer zal verlenen en dat daarom de dienstbetrekkingen met de daarbij betrokken werknemers zullen moeten worden beëindigd. Bij brief van 1 oktober 2009 wordt ingevolge de Wet melding collectief ontslag het UWV Werkbedrijf ervan in kennis gesteld dat Livio voornemens is in beginsel de dienstbetrekkingen met 551 werknemers te beëindigen. In de brief wordt eraan gerefereerd dat Livio in 2009 de besloten vennootschap Livio Thuishulp BV heeft opgericht en dat het de bedoeling was alle medewerkers die van doen hadden met thuishulp als bedoeld in de WMO in deze vennootschap onder te brengen. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat dit nog niet geheel is geformaliseerd, maar dat de melding collectief ontslag, voor zover vereist, ook gedaan wordt namens Livio Thuishulp BV. In de brief wordt er gewag van gemaakt dat het verzorgen van thuishulp voor Livio een verliesgevende activiteit is en dat de door de gemeenten aangegeven aanbestedingstarieven onder de thuishulpkostprijzen van Livio liggen.

2.3 Op 2 oktober 2009 wordt de Ondernemingsraad van Livio advies gevraagd over het mogelijke voornemen in 2010 geen thuishulp meer te verlenen. Op 5 november 2009 bericht de voorzitter van de ondernemingsraad de voorzitter van de raad van bestuur van Livio dat de ondernemingsraad van mening is dat er geen andere mogelijkheid is met de thuishulpactiviteiten per 1 januari 2010 te stoppen.

2.4 [eiseres], geboren op [geb.datum] 1950, treedt op 15 oktober 1984 bij een rechtsvoorgangster van Livio in dienst. Vanaf 27 december 1999 wordt haar functie aangeduid als Alphabemiddelaar. Daarna wordt zij coördinator Alpha thuishulp. Zij verdient laatstelijk, bij een dienstverband van 22 uur per week, een salaris van

€ 2.054,51 bruto per maand. Dit bedrag is inclusief de vakantietoeslag (8%) en de eindejaarsuitkering (4%). Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor de Verpleeg- Verzorgingshuizen en Thuiszorg, hierna te noemen de CAO. In de CAO is een wachtgeldregeling opgenomen. Artikel 9.8.2 lid 2 van de CAO bepaalt:

Voor de werknemer die binnen vijf jaren na de datum van het ontslag de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken en daarenboven op de datum van het ontslag tenminste 10 dienstjaren bij de instelling zal hebben volbracht, wordt de duur van het wachtgeld verlengd tot het bereiken van die leeftijd.

2.5 Op 6 november 2009 vraagt Livio, mede namens Livio Thuishulp, aan het UWV Werkbedrijf toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met 486 werknemers. Tot die werknemers behoort [eiseres]. Het verzoek wordt gedaan wegens bedrijfseconomische redenen, die als volgt worden toegelicht:

Bedrijfseconomische redenen

In toenemende mate sturen overheid en financiers op prijs/kwaliteit verhouding. Zo heeft de marktwerking haar intrede gedaan via aanbesteding van de extramurale zorg in 2006 en vervolgens via de Wmo in 2007.

Dit heeft echter een forse wissel getrokken op onze organisatie als geheel, evenals de reductie op de AWBZ-tarieven en de onevenredige verhouding tussen kosten en omzet. Dit heeft er onder meer in 2008 toe geleid dat Livio van 184 medewerkers in de ondersteunende functies afscheid heeft genomen. Dit is uitgevoerd op basis van het principe “begeleiding van werk naar werk”.

De ontwikkelingen met betrekking tot de aanbesteding Huishoudelijke Hulp in het kader van de Wmo maken echter, dat Livio opnieuw tot een drastische ingreep moet overgaan, waarbij gedwongen ontslagen in deze situatie onvermijdelijk zijn. Livio heeft zich in het kader van de aanbesteding beraden hoe vanaf 1 januari 2010 met deze vorm van dienstverlening om te gaan. Wat we daarbij constateren is het volgende:

HH1 wordt toenemend teruggebracht tot schoonmaak van de woning en komt daarmee steeds verder af te staan van het dienstenpakket dat Livio vanuit haar missie wil leveren: verpleging, verzorging en thuiszorg. De afgelopen jaren hebben we de opvattingen hierover in de gemeenten waarin wij werken binnen dat perspectief zien veranderen. In combinatie daarmee heeft zich bij de gemeenten een volumeomslag van HH2 naar HH1 voltrokken: steeds meer huishoudelijk werk en steeds minder zorg.

(…)

Principieel hanteert Livio de opvatting, dat wij alleen kunnen en mogen inschrijven op een niveau dat voor onze organisatie bedrijfseconomisch verantwoord is.

(…)

Deze visie hebben we mee laten wegen bij het uiteindelijke aanbod dat we de gemeenten hebben gedaan om in Twente en de Achterhoek Huishoudelijk Hulp te mogen bieden. De tarieven die nu door de gemeenten zijn aangegeven voor de komende aanbesteding zijn onder de kostprijs van de thuishulp.

Het niet gegund krijgen van de aanbesteding zorgt ervoor dat er geen werk meer is voor het Organisatieonderdeel Thuishulp.

In de brief wordt over de bedrijfsvestiging het volgende vermeld:

Deze reorganisatie heeft betrekking op het Organisatieonderdeel Thuishulp, welk onderdeel conform de Beleidsregels Ontslagtaak UWV Werkbedrijf als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband dient te worden beschouwd.

Vervolgens wordt vermeld dat het Organisatieonderdeel Thuishulp:

• een eigen Winst- en Verliesrekening kent;

• een eigen financierings- en factureringsmethodiek heeft;

• de leiding van het onderdeel geen deel meer uitmaakt van het Managementteam

van Livio.

In de procedure bij het UWV-Werkbedrijf voert [eiseres] verweer. Op 22 december 2009 wordt aan Livio toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen. In de beslissing wordt overwogen dat er bij Livio sprake is van een organisatieonderdeel Thuishulp dat – ondanks de tegenwerpingen van [eiseres] – moet worden beschouwd als een zelfstandige bedrijfsvestiging en dat de ontslagvoordracht niet aan het afspiegelingsbeginsel behoeft te worden getoetst, omdat de arbeidsplaatsen van alle medewerkers van het Organisatieonderdeel Thuiszorg komen te vervallen.

Bij brief van 29 december 2009 zegt Livio de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op tegen 1 april 2010.

2.6 Rekening houdend met de wachtgeldregeling van de CAO en ervan uitgaande dat [eiseres] tot juni 2013 in aanmerking zal komen voor een werkloosheidsuitkering en vanaf haar 60e op een Flexpensioenuitkering, ontwikkelt haar inkomenspositie totdat zij 65 is zich als volgt:

Tot en met september 2010 100% van het laatstgenoten

salaris bij Livio;

Van oktober 2010 tot en met september 2012 75% van het laatstgenoten

salaris bij Livio;

Van oktober 2012 tot en met mei 2013 70% van het laatstgenoten

salaris bij Livio;

Van juni 2013 tot en met september 2015 41,95% van het laatst-

genoten salaris bij Livio.

De WW-uitkering bedraagt tot en met mei 2010 75% van het laatstgenoten salaris. Van juni tot en met september 2010 is dit percentage 70. Van oktober tot en met 2010 wordt het 28,05% en vervolgens, van juni 2013 tot en met september 2013, heeft [eiseres] geen aanspraak meer op WW.

3. De vorderingen:

3.1 [eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Voor recht wordt verklaard dat de door Livio gedane opzegging van de met haar gesloten arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is;

b. Livio te veroordelen aan [eiseres] te betalen:

• de somma van € 23.596,05 bruto als inkomensschade;

• de somma van € 12.189,00 bruto ter compensatie van pensioenschade;

• de somma van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding, althans een bedrag dat de kantonrechter redelijk zal achten;

• de somma van 952,00 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten;

• de wettelijke rente over de drie eerste vermelde bedragen vanaf 1 april 2010 tot de dag van de algehele voldoening.

De vorderingen zijn gebaseerd op de feiten en op de volgende stellingen:

3.2 Het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] is gedaan onder opgave van een voorgewende of valse reden. Immers:

a. Livio heeft het doen voorkomen dat de gemeenten in Twente en Oost Gelderland de door haar gedane aanbesteding niet hebben gegund. Gunnen of niet gunnen was niet aan de orde. Livio heeft niet ingeschreven op HH1 Diensten, terwijl het haar bekend was dat een voorwaarde voor het inschrijven was dat zowel voor HH1 als HH2 diensten werd ingeschreven. Het inschrijven op de HH2 diensten was daarom zinledig en Livio heeft nagelaten het UWV-Werkbedrijf en [eiseres] daarover naar behoren te informeren.

b. Livio heeft een kunstmatige scheiding aangebracht tussen de werknemers die belast waren met de huishoudelijke hulp en de overige werknemers. Zij heeft dat gedaan om zodoende een toetsing aan het afspiegelingsbeginsel te ontlopen.

Er was geen sprake van een separate bedrijfsvestiging. Livio hanteert één website, één logo en de gehele organisatie gebruikt hetzelfde briefpapier. Livio is gevestigd in één bedrijfsgebouw, zij heeft één afdeling personeel en organisatie en zij heeft één ondernemingsraad. Livio presenteert zich naar buiten als één geheel en de thuishulp is geen zelfstandig optredend organisatorisch verband. Livio heeft in de kwestie of al niet het afspiegelingsbeginsel moet worden toegepast het UWV Werkbedrijf van onjuiste informatie voorzien.

c. Livio heeft het bij het UWV Werkbedrijf doen voorkomen voor de werknemers met wie de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd geen Sociaal Plan is afgesloten omdat de vakverenigingen daartoe niet bereid waren. Livio miskent dat zij eenzijdig een Sociaal Plan had kunnen opstellen.

3.3 Het ontslag, het wordt in subsidiair verband naar voren gebracht, is ook kennelijk onredelijk omdat wanneer, mede in aanmerking nemende de voor [eiseres] getroffen voorziening en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Livio bij de opzegging. Dat is het geval, omdat:

a. [eiseres] op de ontslagdatum 59 jaar oud is en zij er toentertijd een dienstverband bij Livio had opzitten van ruim 25 jaar. Gelet op haar leeftijd zal het voor [eiseres] heel moeilijk zijn bij een andere werkgever passend werk te vinden. De vrees is gerechtvaardigd dat zij tot haar 65e geen passend werk zal vinden.

b. [eiseres] tijdens haar dienstverband bij Livio een flexpensioen had opgebouwd dat inhield dat zij desgewenst vervroegd kon uittreden. Het was haar bedoeling dat zij met 61,5 jaar zou ophouden met werken en van het flexpensioen zou kunnen gaan genieten. Haar ontslag heeft bewerkstelligd dat haar flexpensieon ingaat op haar 60e verjaardag en dat haar uitkering, als ze 61,5 jaar is, minder is dan zij zich voor ogen had gesteld. Een ander nadelig gevolg is dat de uitkering van het flexpensioen in mindering zal strekken op de werkloosheidswetuitkering van [eiseres]. (De financiële gevolgen zijn hierboven uiteengezet onder 2.6). Gelet op artikel 9.8 2 lid 2 van de CAO had het op de weg van Livio gelegen, als het al tot een ontslag van [eiseres] had moeten komen, dit ontslag op te schorten tot 1 november 2010.

c. In het geval de vakbonden geen Sociaal Plan wilden rustte desalniettemin op Livio de plicht – uit hoofde van goed werkgeverschap – eenzijdig een dergelijk Plan op te stellen.

3.4 Omdat het ontslag kennelijk onredelijk is, maakt [eiseres] aanspraak op schadevergoeding. De schadevergoeding bestaat uit drie onderdelen:

a. Inkomensschade. Deze bedraagt over de periode van oktober 2010 tot en met september 2015 € 23.596,05 bruto;

b. Pensioenschade. Vanaf 1 oktober 2015 bedraagt deze schade € 12.189,00 bruto. (Er is van uitgegaan dat de gemiddelde levensverwachting van vrouwen 82 jaar is.)

c. Immateriële schade. Door het ontslag heeft de maatschappelijke status van [eiseres] een deuk opgelopen. [eiseres] is geconfronteerd met gevoelens van onzekerheid over haar toekomst.

4. Het verweer:

4.1 Livio is van mening dat [eiseres], voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in haar vorderingen niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen. Het volgende is naar voren gebracht:

4.2 De opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden.

a. Weliswaar wilden de betrokken gemeenten dat de zorginstellingen zich zouden inschrijven voor HH1 en HH2 thuishulp maar Livio heeft dat genegeerd door alleen in te schijven voor HH2 hulp. HH2 hulp past meer bij een zorginstelling als Livio en de inschrijving is gedaan om te proberen over HH2 hulp toch nog in gesprek te komen met de gemeenten.

b. Niet uit het oog mag worden verloren dat [eiseres] wegens bedrijfseconomische redenen is ontslagen. Hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht over het niet aanwezig zijn van een separate bedrijfsvestiging is daarom niet relevant bij de beoordeling of er al dan niet een valse of voorgewende reden door Livio is aangewend. Overigens: Het organisatieonderdeel thuishulp was een bedrijfsvestiging in de zin van artikel 4.2 van het Ontslagbesluit.

c. Hetgeen Livio over het Sociaal Plan in de ontslagprocedure naar voren heeft gebracht heeft niets van doen met een voorgewende of valse reden in de zin van artikel 7: 681 lid 2 sub a BW. De vakbonden stelden zich op het standpunt dat er sprake zou kunnen zijn van een overgang van een onderneming en zij voelden daarom niets voor een Sociaal Plan. De CAO voorziet in een wachtgeldregeling voor de ontslagen werknemers.

4.3 Wat betreft het gevolgencriterium dient in aanmerking te worden genomen dat de enkele omstandigheid dat de werknemer zonder het toekennen van een vergoeding is ontslagen in het algemeen geen grond oplevert voor het toekennen van een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen (Hoge Raad 12 februari 2010 (JAR 2010,72). De wachtgeldregeling in de CAO geldt voor alle werknemers en er is daarom geen bijzondere omstandigheid als in de uitspraak van de Hoge Raad bedoeld. Hetzelfde geldt voor de bepalingen die betrekking hebben op het flexpensioen.

4.4 De door [eiseres] gevorderde schadevergoedingsbedragen, het wordt als subsidiair verweer naar voren gebracht, zijn veel te hoog. Niet alle inkomensschade komt zonder meer voor vergoeding in aanmerking. Een toe te kennen schadevergoeding is ook afhankelijk van de verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever. Livio betwist dat [eiseres] immateriële schade heeft geleden. [eiseres] heeft verzuimd die gestelde schade te onderbouwen. Nergens uit blijkt dat [eiseres] haar gestelde schade heeft beperkt door te (proberen) elders werk te vinden.

4.5 [eiseres] heeft geen buitengerechtelijke kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

5. De beoordeling van het geschil:

5.1 Livio had in de procedures bij het UWV Werkbedrijf wellicht duidelijker naar voren kunnen brengen dat zij wel of niet (geheel) zou meedoen in de aanbestedingsprocedures van de gemeenten. Livio heeft om strategische redenen besloten alleen voor de HH2 thuishulp in te schrijven. Wellicht is dat gedaan omdat ervan is uitgegaan dat het alleen voor HH2 thuishulp inschrijven toch nog een kans bood om in de markt te blijven. Uitgangspunt van Livio in de ontslagprocedures was echter dat de gemeenten de eis stelden dat de zorginstellingen inschreven op zowel de HH1 en HH2 thuishulp en dat Livio aan deze eis niet wilde voldoen omdat de te verlenen zorg HH1 zorg voor haar te verliesgevend zou worden. Dit uitgangspunt is terecht geweest want Livio is noch belast met HH1 thuishulp noch met HH2 thuishulp en dat was tijdens de ontslagprocedures te voorzien. Die voorzienbaarheid en de bedrijfseconomische omstandigheden zijn in de ontslagprocedures uitvoerig aan de orde gesteld en daarom is er wat dat betreft door Livio geen voorgewende of valse reden gebruikt om [eiseres] te ontslaan.

5.2 De kantonrechter is het met Livio eens dat al haar werknemers die met WMO-thuishulpwerkzaamheden belast waren in dienst waren van een zelfstandig opererend bedrijfsvestigingsonderdeel. Redengevend daarvoor is dat [eiseres] niet heeft betwist dat het Organisatieonderdeel Thuishulp een eigen Winst- en Verliesrekening kent, een eigen financieringsmethodiek en dat de leiding van het onderdeel niet behoorde tot het managementteam van Livio. De in dit vonnis onder 3.2 sub b vermelde feiten leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat Livio bezig was de WMO-thuishulp onder te brengen in een besloten vennootschap. Dat was in 2009 nog niet geheel gelukt, maar het oprichten van de vennootschap wijst er zeer nadrukkelijk op dat de WMO-thuishulp in sterke mate was afgescheiden van de andere zorgtaken van Livio.

5.3 Zoals hiervoor overwogen zijn door Livio bedrijfseconomische redenen aangevoerd om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen. Het al dan niet maken van een Sociaal Plan is daarom irrelevant voor de beoordeling of Livio een voorgewende of valse reden heeft aangewend [eiseres] te ontslaan.

5.4 Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen. Wat betreft dit gevolgencriterum is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] een lang dienstverband heeft en dat het aannemelijk is dat, gelet op haar leeftijd, het voor haar moeilijk zal zijn ander passend werk te vinden. Bovendien ligt de opzegging van de arbeidsovereenkomst geheel in de risicosfeer van Livio. Ervan uitgaande dat [eiseres] vanaf 1 januari 2010 geen werk meer voor Livio heeft verricht, wordt geconstateerd dat zij negen maanden lang een inkomen heeft behouden dat gelijk is aan 100% van het laatstgenoten salaris. De vervolgens optredende inkomstendaling is aanzienlijk maar niet zodanig dat enkel en alleen op grond daarvan de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk moet worden geacht. Daarvoor is meer nodig en er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit is op te maken dat Livio het ontslag heeft gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Het niet eenzijdig opstellen van een Sociaal Plan, dat voor de betrokken werknemers meer soelaas zou bieden dan in de CAO was neergelegd, is ook onvoldoende om tot de slotsom te komen dat er sprake was van een kennelijk onredelijk ontslag. De wachtgeldregeling is niet riant maar biedt [eiseres] een financiële tegemoetkoming waarover CAO-partijen het eens zijn geworden. Van Livio behoefde ook niet te worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [eiseres] eerst na 1 november 2010 ging opzeggen. Het ging hier om een collectief ontslag waarbij 486 werknemers waren betrokken. Bij een dergelijk ontslag is het ondoenlijk, mede omdat binnen een bepaalde termijn van de ontslagvergunning gebruik moet worden gemaakt, voor alle betrokken werknemers andere opzeggingstermijnen in acht te nemen dan die zijn neergelegd in de wet of in een (collectieve) arbeidsovereenkomst. Het standpunt van [eiseres] komt erop neer dat zij gedurende 10 maanden, zonder dat er werk voor haar voorhanden was, in dienst zou moeten blijven bij Livio. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter te veel gevraagd. Aan het voorgaande doet niet af, dat door de opzegging [eiseres] ook pensioenschade lijdt. Met Livio is de kantonrechter van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet is onderbouwd en alleen daarom niet bij het gevolgencriterium van artikel 7: 781 lid 2 sub b BW behoeft te worden betrokken. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van Livio bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst als gevolg van het staken van de verliesgevende WMO-thuishulp dusdanig groot waren, dat niet geoordeeld kan worden dat de gevolgen van de opzegging voor [eiseres] in vergelijking daarmee te ernstig zijn.

5.5 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van Livio begroot op € 1.200,-- wegens het salaris van de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis, voor zover betrekking hebbend op de proceskostenver-

oordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. M.H. van Rhijn, kantonrechter, en op

30 november 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.