Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO5027

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
112332 / KG ZA 10-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

veroordeling tot betaling achterstallige huurpenningen, rente en aflossingen (toekomstige echter nog niet opeisbaar)- beroep op verrekening niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 112332 / KG ZA 10-156

datum vonnis: 23 november 2010 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de stichting

Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven Noordoost Twente,

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres,

verder te noemen Werkwijzer,

advocaat: mr. S.J.M. Masselink te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

1. 't Molenven B.V.,

gevestigd te Saasveld,

en

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

verder te noemen ’t Molenven en [gedaagde 2]

procederend in persoon.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 16 november 2010. Ter zitting zijn verschenen:[H], directeur van Werkwijzer, vergezeld door mr. Masselink en [gedaagde 2] in persoon, mede namens ‘t Molenven. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. Vaststaande feiten

2.1 Werkwijzer is een instelling die ten doel heeft het bieden van werkervaring, vorming, dagbesteding en scholing aan mensen die werkloos zijn en die slechte vooruitzichten hebben op de reguliere arbeidsmarkt.

2.2 ’t Molenven exploiteert in Saasveld op commerciële basis een café-restaurant, plaatselijk bekend onder de naam ’t Molenven. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lalin Beheer B.V., waarvan [gedaagde 2] bestuurder en enig aandeelhouder is, is sinds 1 december 2009 bestuurder en enig aandeelhouder van ’t Molenven.

2.3 Werkwijzer, ’t Molenven en Stichting Zorg op Navigatie, hierna te noemen ZON, hebben op 6 april 2007 een samenwerkingsovereenkomst gesloten om in het café-restaurant een dagbestedingsplek te realiseren voor cliënten van Werkwijzer en voor ten minste vier cliënten van Zon, op een wijze die tevens een verantwoorde en rendabele exploitatie van het café-restaurant mogelijk zou maken.

2.4 In de samenwerkingsovereenkomst is een bepaling opgenomen dat Werkwijzer voor een periode van 5 jaren het restaurant, zalencomplex, café, drie appartementen en buitengebied aan de Bornsestraat nr. 60 zou huren van de eigenaar, [S]. Werkwijzer heeft daartoe met hem een huurovereenkomst gesloten. Werkwijzer heeft vervolgens het restaurant, zalencomplex, café, drie appartementen en buitengebied onderverhuurd aan

’t Molenven voor de duur van vijf jaren, ingaande 1 april 2007 en lopende tot en met 31 maart 2012 tegen een maandelijkse huurprijs van € 4.504,12. ’t Molenven heeft op haar beurt daarna de drie appartementen onderverhuurd aan ZON voor de duur van vijf jaren.

2.5 Op zaterdag 29 augustus 2010 is er in het café-restaurant brand ontstaan, waardoor er schade is ontstaan.

2.6 ’t Molenven heeft de door haar aan Werkwijzer verschuldigde huurpenningen uit hoofde van de met haar gesloten huurovereenkomst sinds april 2010 tot heden niet meer, althans niet meer volledig voldaan. Werkwijzer heeft tot op heden opeisbaar te vorderen een bedrag van € 21.570,04. Ondanks herinneringen en aanmaningen heeft ’t Molenven verzuimd tot betaling hiervan over te gaan.

3. Het geschil

3.1 Werkwijzer vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van ’t Molenven dan wel [gedaagde 2] tot betaling van achterstallige huurpenningen, alsmede tijdige betaling van de toekomstige huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en betaling van de achterstallige rente en aflossing, alsmede tijdige betaling van de toekomstige rente en aflossingen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid, met veroordeling van ’t Molenven dan wel [gedaagde 2] in de kosten van de procedure.

3.2 Werkwijzer stelt daartoe dat ’t Molenven sinds april 2010 tot op heden haar verplichtingen op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst niet meer nakomt. Meer in het bijzonder heeft ’t Molenven verzuimd tot betaling van de verschuldigde huurpenningen, rente en aflossingen over te gaan. Volgens Werkwijzer is de samenwerking sinds de komst van [gedaagde 2] aanzienlijk verslechterd en zijn, na onderzoek, cliënten van Werkwijzer weggehaald. Door diverse incidenten en problemen is vruchtbare samenwerking volgens Werkwijzer niet meer mogelijk en zodoende is [gedaagde 2] verzocht tot activa/passiva- of aandelenverkoop van het café-restaurant. Tot op heden heeft er nog geen verkoop plaatsgevonden.

3.3 ’t Molenven en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer en stellen dat onduidelijk is waarom [gedaagde 2] in persoon is gedagvaard aangezien zij geen contractspartij is.

’t Molenven stelt vervolgens dat zij terecht niet is overgegaan tot betaling van het gevorderde, omdat zij een en ander kan verrekenen met vorderingen die zij op Werkwijzer heeft. Voorts stelt ’t Molenven dat zij als gevolg van de brand niet het volledig huurgenot heeft (gehad) en zodoende niet verplicht is om huurpenningen te betalen totdat zij weer optimaal gebruik kan maken van alle voorzieningen. Voorts stelt ’t Molenven dat zij recht heeft op vergoeding voor het begeleiden van cliënten zoals in de samenwerkingsovereenkomst staat vermeld. Deze vergoeding zou ook verschuldigd zijn wanneer er geen cliënten worden begeleid en bovendien heeft Werkwijzer de cliënten zelf teruggehaald.

De voorzieningenrechter zal, voor zover relevant, op de standpunten van partijen ingaan.

4. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat Werkwijzer spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Werkwijzer heeft immers vanaf april 2010 de op haar als huurder rustende verplichting tot betaling van de huurpenningen aan de verhuurder ([S]) voldaan, terwijl zij vanaf die tijd al geen huurpenningen meer van haar onderhuurder (’t Molenven) heeft ontvangen.

4.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 2] in het onderhavige geschil geen partij is gelet op het feit dat tussen Werkwijzer en [gedaagde 2] geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan [gedaagde 2] de gevorderde bedragen zou moeten voldoen. De vorderingen van Werkwijzer op [gedaagde 2] zullen dan ook worden afgewezen.

4.3 Kern van het geschil is of ’t Molenven de door Werkwijzer gevorderde achterstallige en toekomstige huurpenningen, rente en aflossingen is verschuldigd. In rechte staat vast dat

’t Molenven het gevorderde op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is verschuldigd aan Werkwijzer.

4.4 ’t Molenven heeft echter een beroep gedaan op verrekening, zoals bedoeld in de artikelen 127-145 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan zij stelt niet gehouden te zijn aan genoemde betalingsverplichting. Het antwoord op de vraag of ’t Molenven een beroep op verrekening toekomt moet vooralsnog ontkennend worden beantwoord, aangezien het voor een geslaagd beroep op verrekening moet gaan om een onbetwiste vordering. Hiervan is in casus niet gebleken.

4.5 Dit zou echter nog anders zijn indien ’t Molenven aannemelijk had gemaakt dat de vorderingen waar zij zich op beroept in een eventuele bodemprocedure stand zouden houden. Ook hiervan is echter onvoldoende gebleken. Ter zitting heeft Werkwijzer, onweersproken, aangevoerd dat na de brand kennelijk wel een feest heeft plaatsgevonden, zodat de stelling van ’t Molenven dat brandschade normale exploitatie heeft verslechterd dan wel onmogelijk heeft gemaakt geen steek houdt. Voorts heeft Werkwijzer terecht gesteld dat zij, noch de voorzieningenrechter, een oordeel kan vormen over de daadwerkelijke schade, nu de stellingen van ’t Molenven niet worden onderbouwd door enige vorm van bewijs. Voor de beantwoording van de vraag of ’t Molenven derhalve gerechtigd was om de huurpenningen in te houden doordat geen normale exploitatie kon c.q. kan plaatsvinden zal nadere bewijsvoering noodzakelijk zijn en hiervoor is in de onderhavige kort geding procedure geen plaats. Ditzelfde geldt voor de stelling van ’t Molenven dat zij recht heeft op een vergoeding voor cliëntenbegeleiding, zelfs wanneer geen daadwerkelijke begeleiding geboden wordt. Enig bewijs van deze stelling ontbreekt en Werkwijzer heeft deze stelling bovendien gemotiveerd weerlegd.

4.6 De vorderingen van Werkwijzer kunnen daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering tot betaling van de toekomstige huurpenningen, rente en aflossingen dient te worden afgewezen, omdat deze nog niet opeisbaar zijn.

4.7 ‘t Molenven zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst af de vorderingen tegen [gedaagde 2].

II. Veroordeelt ’t Molenven om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Werkwijzer te betalen het bedrag van € 21.570,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf de respectieve data van opeisbaar worden van de betreffende huurpenningen tot aan de dag der algehele voldoening.

III. Veroordeelt ‘t Molenven in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Werkwijzer begroot op € 560,- aan verschotten en € 527,- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.