Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO4649

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
115645 / KG ZA 10-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid; recht van overpad. Gang afgesloten door middel van poort, hetgeen in strijd is met de gevestigde erfdienstbaarheid. Vordering tot verstrekken sleutel van de poort toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 115645 / KG ZA 10-276

datum vonnis: 18 november 2010 (l.)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. R.W. Hoevers te Enschede,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

procederend in persoon.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 november 2010. Ter zitting zijn verschenen: [eiser], vergezeld door mr. Hoevers, en [gedaagde]. De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2 [eiser] en [gedaagde] zijn buren. [eiser] woont aan de [adres] en [gedaagde] woont aan de [adres] te [woonplaats]

2.3 Op 12 maart 1964 is bij notariële akte een erfdienstbaarheid gevestigd, waarbij ten laste van het erf aan de [adres] ten behoeve van het erf aan de [adres] een recht van overpad is gevestigd. In de akte is – onder andere – het volgende opgenomen:

“Ten behoeve van het bij deze verkochte pand en ten laste van het aan verkopers in eigendom verblijvend pand [adres] te [woonplaats], eveneens deel uitmakende van het kadastrale perceel gemeente [plaats,sectie en nummer], wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van voetpad, uit te oefenen op de bestaande wijze, zulks om te komen van- en te gaan naar de[adres].”

2.4 Het recht van overpad loopt over de lengte door een gang tussen de woning van [gedaagde] en de woning aan de [adres]

2.5 Deze gang is sinds enige tijd afgesloten door een poort, die op slot zit. [eiser] beschikt niet over een sleutel van de poort.

3. De standpunten van partijen

3.1 [eiser] vordert – kort gezegd – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 1 dag na betekening van het vonnis aan [eiser] een sleutel van de poort te verstrekken, zodat [eiser] de sleutel kan dupliceren, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft. Ook vordert [eiser], indien [gedaagde] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis [eiser] nog belemmert in de uitoefening van het recht van overpad, dat [gedaagde] herstel in de oude toestand bewerkstelligt, waaronder het volledig verwijderen en afvoeren van de poort moet worden begrepen. Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot een dwangsom van € 250,00 per keer dat [gedaagde] de poort afgesloten houdt. Tot slot vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2 [eiser] voert hiertoe aan dat hij door het afsluiten van de gang tussen [adres] en [nummer] gehinderd wordt in het recht van overpad. Het recht van overpad is volgens [eiser] nooit opgeheven en dus nog steeds geldig.

3.3 [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [gedaagde] stelt dat de poort is geplaatst in overleg met [eiser] en de buurman van nummer [nr]. De poort kostte € 1.150,00. [eiser] heeft volgens [gedaagde] geweigerd om zijn deel van de kosten van de poort te betalen. Voorts voert [gedaagde] aan dat elke nieuwe bewoner van de [adres] het recht op overpad heeft overgenomen, terwijl dit recht was opgehouden te bestaan. Elke bewoner van de [adres] liep langs het huis van [gedaagde], waardoor zijn recht op privacy werd aangetast. [gedaagde] heeft [eiser] de toegang tot de gang geweigerd.

4. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4.1 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging en door verjaring. In dit geval is de erfdienstbaarheid ontstaan door vestiging, bij notariële akte van 12 maart 1964. Een gevestigd erfdienstbaarheid gaat steeds over met de eigendom van het erf. Een erfdienstbaarheid kan worden beëindigd door opheffing door de rechter (artikel 5:79 BW), door vermenging (artikel 5:80), of door afstand van het recht (artikel 5:82 BW).

4.2 [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de erfdienstbaarheid is opgehouden te bestaan, maar heeft niet aangevoerd waarom dit het geval is. Gesteld noch gebleken is dat op enig moment het recht door de rechter is opgeheven, dat sprake is van vermenging of dat afstand van het recht is gedaan. Het enkele feit dat [gedaagde], wellicht in overleg met zijn buurman van nummer [nr], heeft besloten om [eiser] geen toegang tot de gang te verlenen, heeft niet tot gevolg dat de erfdienstbaarheid is geëindigd. Ook het feit dat [eiser] niet heeft betaald voor de poort die is geplaatst, brengt niet met zich mee dat daardoor de erfdienstbaarheid is geëindigd.

4.3 De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in het kader van dit kort geding genoegzaam is gebleken dat de erfdienstbaarheid nog steeds bestaat. [eiser] heeft daarom nog steeds recht op overpad over het perceel van [gedaagde] om te komen en te gaan naar de [adres], zoals omschreven in de notariële akte van 12 maart 1964. De vordering van [eiser] zal – behoudens het navolgende – worden toegewezen.

4.4 [eiser] vordert in de eerste plaats dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 1 dag na betekening van het vonnis aan [eiser] een sleutel van de poort te verstrekken, zodat [eiser] deze sleutel kan laten dupliceren. De voorzieningenrechter zal deze termijn van 1 dag verlengen tot een termijn van 14 dagen.

4.5 [eiser] vordert voorts dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft de sleutel af te geven. De voorzieningenrechter zal aan de gevorderde dwangsom een maximum koppelen. De voorzieningenrechter acht een maximum van € 10.000,00 redelijk.

4.6 [eiser] vordert ook dat [gedaagde] bewerkstelligt dat de oude toestand wordt hersteld en dat dus de poort volledig wordt verwijderd en afgevoerd, indien [gedaagde] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis [eiser] nog belemmert in de uitoefening van het recht van overpad, door de poort af te sluiten en [eiser] niet te laten beschikken over een sleutel van de poort. Deze vordering zal worden toegewezen, op de na te formuleren wijze.

4.7 Vervolgens vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per keer dat [gedaagde] de poort afgesloten houdt of laat houden. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Na betekening van het vonnis kunnen zich twee situaties voordoen. Òf [gedaagde] geeft [eiser] een sleutel van de poort, zodat [eiser] deze kan dupliceren, òf [gedaagde] doet dit niet, waardoor hij de dwangsom van € 100,00 per dag verbeurt. In dat laatste geval belemmert [gedaagde] [eiser] (nog steeds) in de uitoefening van het recht van overpad. In dat geval zal [gedaagde] herstel in de oude toestand moeten bewerkstelligen, door het verwijderen en afvoeren van de poort. Er is niet gevorderd dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij geen herstel in de oude toestand bewerkstelligt. De gevorderde dwangsom van € 250,00 is gevorderd voor elke keer dat [gedaagde] de poort afgesloten houdt of laat houden. Het afgesloten houden van de poort wordt echter al bestreken door de dwangsom van € 100,00 per dag. Dit omdat het niet afgeven van een sleutel van de poort hetzelfde is als het afgesloten houden van de poort. De gevorderde dwangsom van € 250,00 zal daarom worden afgewezen.

4.8 [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] een sleutel van de poort te verstrekken, zodat [eiser] in de gelegenheid is om deze sleutel te laten dupliceren ten behoeve van eigen gebruik;

II. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij na de sub I genoemde termijn in gebreke blijft de te dupliceren sleutel aan [eiser] af te geven, zulks tot een maximum van € 10.000,00;

III. veroordeelt [gedaagde] tot het bewerkstelligen van herstel in de oude toestand, daaronder begrepen volledig verwijderen en afvoeren van de poort, indien [gedaagde] nadat veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken [eiser] nog belemmert in de uitoefening van het recht van overpad, door de poort af te (doen) sluiten en [eiser] niet te laten beschikken over een sleutel van de poort;

IV. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 342,93 aan verschotten en € 527,00 aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

V. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.