Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO4459

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
354.813 EJ VERZ 5173/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster lijdt aan kyfoscoliose, ten gevolge waarvan zij arbeidsongeschikt is geraakt. Begin 2009 is zij gaan reïintegreren met als doel volledige hervatting van de eigen werkzaamheden. Dat bleek niet haalbaar.

De bedrijfsarts heeft werkneemster blijvend arbeidsongeschikt geoordeeld voor 20 uur per week en arbeidsgeschikt voor 20 uur per week voor haar eigen werkzaamheden. In maart 2010 is zij door de bedrijfarts weer als volledig arbeidsongeschikt beoordeeld. Volgens de bedrijfsarts is de arbeidsongeschiktheid deels arbeidsgerelateerd.

Werkneemster heeft een IVA-uitkering met verkorte wachttijd aangevraagd en verkregen. Werkgever heeft haar tot twee keer toe geconfronteerd met voorstel tot beëidiging van de arbeidsovereenkomst. Zij is volgens haar ook op andere manieren door haar werkgever onheus bejegend hetgeen voor haar aanleiding is de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van ruim 77.000,00 waarbij de correctiefactor door haar op 2 is gesteld. De kantonrechter ziet niet waarom de arbeidsovereenkomst eerder zou moeten eindigen dan medio 2011, wanneer de verplichting van wergever afloopt tot aanvulling van de uitkering zodat kan worden opgezegd na verkregen ontslagvergunning. Verzoekster werkt niet meer en hoe ook de verhoudingen tussen partijen mogen zijn, zij heeft daar in de praktijk geen last van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie Enschede

Zaaknummer : 354.813 EJ VERZ 5173/10

Beschikking van de kantonrechter d.d. 12 november 2010 in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekster

hierna te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré

advocaat te Zwolle

tegen

De besloten vennootschap

Modeca B.V.

gevestigd te Enschede

verweerster

hierna te noemen: Modeca

gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen

advocaat te Almelo

Gezien het op 5 oktober 2010 ter griffie van dit gerecht binnengekomen verzoekschrift strekkende tot ontbinding ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

Gezien het ingekomen verweerschrift en de overige op het geding betrekking hebbende stukken.

Gelet op hetgeen door en/of namens partijen is verklaard bij de mondelinge behandeling van het verzoek op 3 november 2010.

Overweegt:

Ten aanzien van het verzoek en het verweer:

De feiten

1. Vast staat dat [verzoekster], thans 59 jaar oud, op 1 juni 2001 in dienst is getreden van Modeca. Laatstelijk is zij werkzaam geweest in de functie van administratief medewerkster voor 37 uur per week. Haar laatstgenoten salaris bedraagt € 2.242,68 bruto per maand c.a.

2. [Verzoekster] is eerder in dienst geweest van de op 16 mei 2001 gefailleerde onderneming Modeca Bruidsmode B.V. Bij die onderneming heeft zij gewerkt vanaf 12 oktober 1981 tot 16 mei 2001.

3. [Verzoekster] lijdt aan kyfoscoliose, ten gevolge waarvan zij op 3 november 2008 arbeidsongeschikt is geraakt. Begin 2009 is zij gaan reïintegreren met als doel volledige hervatting van de eigen werkzaamheden. Dat bleek niet haalbaar. De bedrijfsarts heeft [verzoekster] op 22 juni 2009 blijvend arbeidsongeschikt geoordeeld voor 20 uur per week en arbeidsgeschikt voor 20 uur per week voor haar eigen werkzaamheden. Op 8 maart 2010 is zij door de bedrijfarts weer als volledig arbeidsongeschikt beoordeeld. Volgens de bedrijfsarts is de arbeidsongeschiktheid deels arbeidsgerelateerd.

4. Bij brief van 16 juli 2009 heeft Modeca aan [verzoekster] het volgende medegedeeld.

Hierbij delen wij u mede dat Modeca B.V. het dienstverband met u m.i.v. 01-10-2009 wenst te beëindigen, waarbij in acht genomen wordt de opzegtermijnen en de overige arbeidsrechtelijke vereisten. Voor de goede orde delen wij u mede dat de beëindiging van het dienstverband betrekking heeft op 20 uur. Het gedeelte (17 uur) waarvoor u in de ziektewet zit blijft uiteraard buiten schot. Van zelfsprekend erkent Modeca B.V. ook de verplichtingen die voortvloeien uit het ziektebeeld in het kader van de wet Poortwachter.

Reden voor beëindiging van het dienstverband heeft te maken met het feit dat Modeca een reorganisatie heeft doorgevoerd waarbij tot gevolg heeft dat uw werkzaamheden zijn komen te vervallen dan wel overgenomen zijn door anderen.

Tijdens ons gesprek d.d. 9 juli 2009 heeft ondergetekende aangegeven dat na wederzijdse vakantie de zaak verder te bespreken voor de noodzakelijke vervolgstappen.

5. Er is door [verzoekster] een IVA-uitkering met verkorte wachttijd aangevraagd. Deze uitkering is [verzoekster] per 6 augustus 2010 toegekend bij beschikking van 13 september 2010.

Het verzoek

6. [Verzoekster] verzoekt om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met Modeca onder toekenning van een vergoeding van € 77.507, -- bruto (A = 16, C = 2).

7. Door haar tot twee keer toe te confronteren met een voorstel tot beëindiging van haar arbeidsovereenkomst, haar niet toe te laten tot de bedongen arbeid en te suggereren dat haar werkzaamheden niet veel meer inhielden dan koffiejuffrouw spelen handelt Modeca volgens [verzoekster] in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte en haar verplichting om een zieke werknemer te reïntegreren. Daarbij is zij onheus bejegend en genegeerd, hetgeen in strijd is met art. 7:611 BW, aldus [verzoekster]. Als gevolg van een en ander heeft zij psychische klachten gekregen en zijn haar sociale contacten tot een minimum beperkt. Daarnaast is vanaf 1 juli 2010 haar inkomen met 30% verminderd terwijl zij uitzicht had om gedurende 20 uur per week door te werken voor haar volledige loon.

Het verweer

8. Volgens Modeca is [verzoekster] als gevolg van haar aandoening, die niet arbeidsgerelateerd is, arbeidsongeschikt geraakt. Haar schade is dus veroorzaakt door een omstandigheid die in haar risicosfeer ligt. Voor haar stelling dat zij psychische problemen heeft als gevolg van de handelwijze van Modeca is er geen enkel bewijs.

9. Modeca erkent dat een herschikking van het administratieve werk is doorgevoerd, maar bestrijdt dat [verzoekster] bij haar reïntegratie ander werk dan haar eigen werk is aangeboden. Haar is licht administratief werk aangeboden, zoals archivering, dossiervorming en administratieve opruimwerkzaamheden. Van het ontslag aangekondigd bij brief van 16 juli 2009 heeft Modeca afgezien, mede gelet op haar reïntegratieverplichtingen. Van een ontslagprocedure is tot op heden geen sprake. Wel is juist dat de arbeidsplaats van [verzoekster] in 2009 ten gevolge van een reorganisatie is komen te vervallen. In die periode is van een aantal medewerkers afscheid genomen. Geen van hen heeft een vergoeding meegekregen. De middelen daarvoor ontbraken.

10.Volgens Modeca was het juist [verzoekster] die niet meewerkte aan re-integratie. Zij wilde het gewijzigde plan van aanpak van 21 augustus 2009 niet ondertekenen. Haar casemanager heeft d.d. 7 december 2009 bevestigd aan Modeca dat [verzoekster] medewerking aan haar re-integratie weigerde. Voorts wijst Modeca er op dat zij als werkgeefster betrokken is geweest bij het aanvragen van een IVA-uitkering. Zij heeft dan ook de toekenningbeslissing ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft zij bij brief van 20 september 2010 [verzoekster] geïnformeerd over de aanvullende betaling die zij nog zou ontvangen. In deze brief wordt aangegeven dat [verzoekster] tot medio 2011 in loondienst blijft bij Modeca. Dat Modeca juist wel heeft meegewerkt aan de reïntegratie van [verzoekster] blijkt uit het feit dat geen loonsanctie is opgelegd.

11. Modeca stelt zich op het standpunt dat het ontbindingsverzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden die tot ontbinding zouden moeten leiden. Zij betitelt [verzoekster] als “gelukszoekster”.Het gaat [verzoekster] volgens Modeca louter om het bemachtigen van een vergoeding. Indien de kantonrechter toch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] mocht overgaan verzoekt Modeca om [verzoekster] geen vergoeding toe te kennen

De motivering van de beslissing:

12. De kantonrechter vermag in dit geval niet in te zien waarom de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] eerder zou moeten eindigen dan medio 2011, wanneer, naar de kantonrechter begrijpt, de verplichting van Modeca afloopt tot aanvulling van de uitkering van [verzoekster] en kan worden opgezegd na verkregen ontslagvergunning. Immers, [verzoekster] werkt niet meer, dus hoe ook de verhoudingen tussen partijen mogen zijn, zij heeft daar in de praktijk geen last van.

13. Het gegeven dat naast de fysieke problemen van [verzoekster] haar psychische toestand een rol is gaan spelen kan een omstandigheid zijn waarmee bij het bepalen van een vergoeding rekening dient te worden gehouden, maar kan in de omstandigheden van dit geval geen grond opleveren om de concluderen dat de arbeidsovereenkomst wegens gewijzigde omstandigheden dient te worden ontbonden. Nogmaals, [verzoekster] zit al thuis en ontvangt een arbeidsongeschiktheiduitkering. Uit de opmerking van de bedrijfsarts dat zij psychische problemen ondervindt ten gevolge van een arbeidsconflict mag overigens niet worden afgeleid dat ter zake een verwijt richting werkgever te maken valt. Voor zover de brief van 16 juli 2009 een rol speelt bij het van slag raken van [verzoekster] overweegt de kantonrechter dat de brief weliswaar niet erg diplomatiek is geformuleerd, maar dat de brief is ingeslikt. Het gaat dus wel wat ver om daar blijvende zielepijn aan te ontlenen, zeker als rekening wordt gehouden met het feit dat de toonzetting van de brief van 16 juli 2009 vermoedelijk mede is bepaald door de zeer moeilijke bedrijfseconomische omstandigheden waarin Modeca verkeerde. Naar de kantonrechter begrijpt had de huisbankier het krediet opgezegd en zou het bedrijf zonder een kapitaalinjectie uit de privé-middelen van de heer [B.], schrijver van de brief, niet meer bestaan.

14. Uit het voorgaande valt af te leiden dat de kantonrechter voornemens is het ontbindingsverzoek af te wijzen. Het is dus ten overvloede dat hij het volgende overweegt. Indien een vergoeding zou zijn toegekend zou dat bij lange na niet het bedrag van

€ 77.507,-- zijn dat [verzoekster] verlangt. Ten eerste is het onjuist om het faillissement wel als breekpunt in de opbouw van aanspraken op vergoeding te erkennen bij het berekenen van de factor A en vervolgens via C de dienstjaren tot 2001 bij de gefailleerde onderneming als factor bij het toekennen van een vergoeding binnen te sluizen. Hierbij overweegt de kantonrechter dat op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat Modeca dient te worden beschouwd als rechtsopvolger van Modeca Bruidsmode B.V. Het voorgaande dient reeds te leiden tot halvering van de gevraagde vergoeding. Het resterende bedrag dient evenwel nogmaals te worden gehalveerd omdat partijen het er kennelijk over eens zijn dat 50% van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] dient te worden toegeschreven aan haar kyfoscoliose. Met toepassing van C= 1 zou er dus voor [verzoekster] sowieso niet meer inzitten dan € 19.376,75. Echter, bij een werknemersverzoek wordt geteld vanaf C = 0 en wordt op basis van verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever bij geplust. Er moet dan heel wat aan de hand zijn om tot C = 1 te komen. In dit geval is denkbaar dat [verzoekster] door Modeca vanwege haar eigen problemen wat kort door de bocht is benaderd, ook bij de pogingen om tot werkhervatting te komen, en dat Modeca het liefst van haar afwilde, maar onvoldoende vast dat dit heeft geleid tot laakbaar optreden door de werkgever. Daarnaast, zelfs als de kantonrechter tot een vergoeding zou zijn gekomen op basis van de aanname dat de bejegening van [verzoekster] te wensen heeft overgelaten dient hij rekening te houden met de nog immer moeilijke financiële positie van Modeca. Het is niet de bedoeling dat met het toekennen van een vergoeding aan één werknemer aan een bedrijf de genadeklap wordt uitgedeeld. Per saldo komt het er op neer, dat, ook als wel zou zijn ontbonden, [verzoekster] niet of weinig beter af zou zijn geweest dan met de aanvulling op haar uitkering die zij tot medio 2011 zal ontvangen.

15. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren ondanks het feit dat het ontbindingsverzoek zal worden afgewezen.

Beschikt:

Wijst het verzoek af.

Compenseert de kosten van deze procedure in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Enschede op 12 november 2010 door mr. H.J. Vos, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.