Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO2094

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08/710555-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor poging tot doodslag tot gevangenisstraf van 2 jaren en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710555-09

08/720629-10

08/711003-06 (Vord.tul.)

STRAFVONNIS

datum vonnis: 29 oktober 2010

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [1982],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting voor vrouwen te Zwolle.

Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 september 2009, 4 december 2009, 2 maart 2010, 21 mei 2010, 27 juli 2010 en 15 oktober 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Flos en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 08/710555-09: Op 9 juli 2009 [slachtoffer] met een mes in de buik heeft gestoken. Primair is dit ten laste gelegd als poging tot moord, subsidiair als poging tot doodslag en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.

Parketnummer 08/720629-10: Op 5 augustus 2010 te Groningen samen met een ander een personenauto en diverse goederen heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte dat:

parketnummer 08/710555-09

zij op of omstreeks 9 juli 2009 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (onder)buik, althans

in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat:

zij op of omstreeks 9 juli 2009 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met kracht, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn

(onder)buik, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat:

zij op of omstreeks 9 juli 2009 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in de (onder)buik, althans in het lichaam, heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 08/720629-10

1.

zij op of omstreeks 05 augustus 2010 te Groningen tezamen en in verenging met

(een) ander(en) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een personenauto (Opel Ascona, kenteken [XX-AA-XX]), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde sub 1] en/of [benadeelde sub 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes

mededader, waarbij verdachte en/of haar mededader het weg te nemen goed onder

haar/zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten het onbevoegd gebruik maken van deze sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat:

zij op in de periode van 05 augustus 2010 tot en met 09 augustus 2010 te

Groningen, te Joure, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en) opzettelijk een personenauto (Opel Ascona, kenteken [XX-AA-XX]), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde sub 1] en/of [benadeelde sub 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

verdachtes mededader, en welk goed verdachte en/of haar mededader anders dan

door misdrijf, te weten als gebruiker, onder zich/hun had(den),

wederrechtelijk zich/hun heeft/hebben toegeëigend;

2.

zij op of omstreeks 05 augustus 2010 te Groningen tezamen en in vereniging

met (een) ander(en) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen autosleutels en/of een mini laptop (merk HP 210 (mini)) en/of een

(mobiele) telefoon (merk Samsung) en/of een fotocamera (merk Sony) en/of een

MP3-speler (merk Samsung) en/of een toilettas (met inhoud) en/of gereedschap

(boormachines, ring, steeksleutels) en/of een geldbedrag van 25 euro, in elk

geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde sub 1] en/of [benadeelde sub 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het bewijs

Bewijsvraag

De rechtbank zal de feiten bespreken aan de hand van de ter zitting door het openbaar ministerie en de verdediging ingenomen standpunten ter zake.

In het onderhavige geval wordt verdachte onder parketnummer 08/710555-09 primair -kort gezegd- verweten zij op 9 juli 2009 in haar woning heeft getracht aangever [slachtoffer] met een mes van het leven te beroven.

De officier van justitie acht de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer], waarin deze stelt dat er tussen hem en verdachte ruzie ontstond in de woonkamer, waarbij verdachte op zeker moment naar de keuken liep om kort daarna weer terug te keren met een mes in haar hand, waarmee zij vervolgens een stekende beweging naar aangever maakte en deze met het mes in de buik raakt. Naast de aangifte is er de medische informatie over het letsel van aangever, waaruit blijkt dat er sprake is van een penetrerende verwonding rechts boven in de buik, welke verwonding van rechtsvoor naar schuin achter liep over een lengte van 20 centimeter. Een dergelijk letsel kan resulteren in een levensbedreigende situatie op basis van een bloeding.

Voorts is de officier van justitie van mening dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, nu er bij verdachte een moment van kalm overleg is geweest voorafgaande aan haar besluit om het slachtoffer van het leven te beroven.

Door de verdediging is integraal vrijspraak bepleit, nu er -zakelijk weergegeven- onvoldoende betrouwbare direct redengevende feiten en omstandigheden voorhanden zijn om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging moord, doodslag dan wel zware mishandeling.

Door de verdediging zijn in dit verband ter zitting ook kritische kanttekeningen en twijfels geplaatst bij het waarheidsgehalte van de inhoud van de belastende verklaringen van aangever [slachtoffer]. De rechtbank verwijst hiervoor naar de inhoud van de door de raadsvrouw overgelegde pleitnota.

Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap hoeft af te leggen (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, LJN BB4103). Hetgeen namens verdachte is aangevoerd vormt echter een jurisprudentiële uitzondering op deze regel en verlangt een nadere redengeving. In dat verband dient als eerste te worden nagegaan of de betreffende verklaringen consistent zijn, anders gezegd: is door aangever vanaf het begin tot het einde steeds in overwegende mate hetzelfde betoogd. Vervolgens dient te worden bezien of in de verklaringen tegenstrijdigheden zijn te constateren, of op enig moment met nieuwe gegevens naar voren wordt gekomen en of de verklaringen passen in overig bewijsmateriaal.

De rechtbank is na beoordeling van deze criteria van oordeel dat de verklaringen van aangever bij de politie voor wat betreft de feitelijke toedracht van hetgeen zich op

9 juli 2009 in de woning van verdachte heeft afgespeeld, als consistent zijn aan te merken en gelet op hun inhoud ook als betrouwbaar kunnen worden beschouwd. Niet is gebleken van factoren in zijn verklaring waaruit valt af te leiden dat betrokkene op enigerlei wijze heeft getracht in strijd met de waarheid te verklaren. De enkele omstandigheid dat in de verklaringen van aangever op onderdelen mogelijk sprake is van ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, tast de betrouwbaarheid van die verklaringen met betrekking tot de kern van de zaak, namelijk het steken met een mes, naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk aan. De rechtbank neemt hierbij mede de aard en ernst van het geconstateerde letsel in aanmerking. De rechtbank wijst er in dit verband overigens op dat de lezing van verdachte omtrent het hanteren van het mes niet als consistent is aan te merken. Zo heeft zij bij de politie verklaard vanuit de woonkamer naar de keuken te zijn gelopen, daar een mes te hebben gepakt en daarmee in de richting van de zich op dat moment nog in de woonkamer bevindende aangever [slachtoffer] te zijn gelopen. Laatstgenoemde zou daarop op haar af zijn gekomen en in het mes zijn gelopen. Ter terechtzitting daarentegen geeft verdachte een andere lezing voor wat betreft de volgorde van de gebeurtenissen. Zij verklaart daar dat aangever op haar af kwam lopen, waarop zij achterwaarts naar de keuken is gelopen en toen het mes zou hebben gepakt. Op de naar aanleiding van laatstbedoelde verklaring door de rechtbank aan verdachte gestelde vraag of zij zich de precieze toedracht van het gebeurde überhaupt nog wel weet te herinneren, antwoordt verdachte ontkennend, maar zegt wel te weten verdachte niet te hebben gestoken.

Dit alles leidt ertoe dat de verklaringen van aangever tot het bewijs in de onderhavige strafzaak kunnen worden gebruikt. Op grond van deze verklaringen, zulks in samenhang en onderling verband beschouwd met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.

Op donderdag 9 juli 2008 te omstreeks 11.15 uur, begeeft aangever zich op uitnodiging van verdachte naar haar woning aan de [adres] te [woonplaats]. In de woning wordt door verdachte en aangever in een ruzieachtige sfeer gesproken over de verstoorde relatie die kennelijk tussen hen is ontstaan, in welk verband over en weer de nodige verwijten worden gemaakt. Hierbij verlaat verdachte op enig moment de woonkamer en gaat naar de keuken. Daar pakt verdachte een mes en begeeft zich daarmee weer naar de woonkamer, waar aangever zich op dat moment nog bevindt.

Vanaf dat moment lopen de lezingen van aangever en verdachte uiteen. Eerstgenoemde verklaart dat verdachte hem met het mes heeft gestoken, terwijl laatstgenoemde verklaart dat aangever met versnelde pas op haar af kwam lopen en daarbij in het mes is gelopen.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte bewust heeft gestoken, of wel dat er sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden zoals door verdachte geschetst, zal de rechtbank de lezing van aangever volgen. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij diens verklaringen omtrent hetgeen zich in de woonkamer heeft afgespeeld als consistent en betrouwbaar aanmerkt.

Op grond van de medische informatie, waaruit blijkt dat sprake is van een penetrerende verwonding rechts boven in de buik, welke verwonding liep van rechtsvoor naar schuin achter over een lengte van 20 centimeter, een en ander bezien in samenhang met de verklaring van aangever dat hij in een reactie op het steken zijn lichaam naar links wegdraaide, acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat het letsel per ongeluk is toegebracht. De rechtbank gaat er op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden van uit dat verdachte met betrekking tot aangever doelgericht en bewust heeft gehandeld en over dat handelen ook controle heeft gehad. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte aangever opzettelijk met een mes in de buik heeft gestoken.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of er dienaangaande sprake is van poging tot moord, dan wel poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling.

Met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade dient sprake te zijn van een moment van kalm beraad en rustig overleg voorafgaande aan de uitvoering, welk tijdsverloop blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet erg lang behoeft te zijn (vgl. HR 7 december 1999, NJ 2000, 263 en HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280). Weliswaar hebben zich voorafgaande aan het steken momenten voorgedaan die als korte onderbreking kunnen worden gekarakteriseerd, immers is verdachte vanuit de woonkamer naar de keuken gegaan, heeft daar het mes gepakt en is daarmee weer teruggekeerd naar de woonkamer, maar onduidelijk is naar het oordeel van de rechtbank gebleven op welk moment verdachte in het licht van de bij haar heersende gemoedstoestand, exact heeft besloten om aangever te steken. Een en ander impliceert dat voor de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte niet uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling maar middels een vooropgezet plan heeft gehandeld, zodat zij verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord.

De rechtbank is daarentegen wel van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het verweer van de verdediging dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het doden van aangever, verwerpt de rechtbank. Zoals hiervoor reeds is overwogen, neemt de rechtbank de medische verklaring en de verklaring van aangever hierbij als uitgangspunt. Uit de verklaringen van aangever volgt dat de tegenover hem staande verdachte met het mes recht vooruit een onderhandse steekbeweging in zijn richting maakte, waarop aangever een soort kramp en bloed voelde. Uit de medische

verklaring blijkt van een penetrerende verwonding die van rechtsvoor naar schuin achter in de buik liep over een lengte van ca. 20 centimeter, met letsel linker leverpunt en enkele kleine bloedvaatjes, welk letsel kan resulteren in een levensbedreigende situatie op basis van een bloeding. Het is een feit van algemene bekendheid en daarmee dus ook voor verdachte, dat zich in de buik vitale organen bevinden. Door op bovenomschreven wijze met een mes in de buik van aangever te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard en ook op de koop toegenomen dat aangever levensgevaarlijk gewond zou raken en zou komen te overlijden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Onder parketnummer 08/720629-10 wordt verdachte onder 1 en 2 verweten dat zij zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) diefstallen te Groningen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van beide feiten, met dien verstande, dat de onder 1 ten laste gelegde diefstal van de auto onder bereik is gebracht door middel van een valse sleutel en dat de weggenomen goederen onder feit 2 dienen te worden beperkt tot de autosleutels, toilettas en geld.

De verdediging heeft ten aanzien van beide feiten geconcludeerd tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende vaststaande feiten af.

Op 2 augustus 2002010 onttrekt verdachte zich aan de proefbehandeling op de afdeling De Brug van de FPK te Assen, waar zij in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis in de strafzaak onder parketnummer 08/710555-09 sedert

24 juni 2010 ter observatie was opgenomen. Samen met de medepatiënt [X] ontvlucht verdachte genoemde kliniek, waarna zij zich op 4 augustus 2010 begeven naar de woning van -de hem [X] bekende- aangever [benadeelde sub 1] aan de [adres] te [woonplaats], waar hen door laatstgenoemde onderdak wordt verschaft.

De volgende ochtend, te omstreeks 07.00 uur, stelt aangever vast dat verdachte en [X] zijn vertrokken, waarbij aangever tevens ontdekt dat uit zijn woning een aantal goederen zijn verdwenen en dat ook zijn auto niet meer aanwezig is.

Op maandag 9 augustus 2010 te omstreeks 19.05 uur, worden verdachte en genoemde [X] door de politie als inzittenden van de vermiste auto aangetroffen op de Rijksweg A7 binnen de gemeente Skarsterlân, waarop zij worden aangehouden.

Tijdens de daarop volgende verhoren beroepen verdachte en [X] zich op hun zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat [X] haar vertelde toestemming te hebben gekregen van [benadeelde sub 1] om diens auto te gebruiken en daartoe ook de sleutels van de auto had gekregen. Van de door aangever als vermist uit de woning opgegeven goederen is verdachte niets bekend.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, daarbij mede in aanmerking nemende de omstandigheid dat aangever [benadeelde sub 1] bij de politie heeft verklaard genoemde [X] al langer te kennen en die hem ook al eerder thuis had bezocht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de auto waarin verdachte en [X] zich ten tijde van de aanhouding bevonden, daadwerkelijk met goedvinden van aangever door [X] is meegenomen en zich derhalve op dat moment op rechtmatige wijze in handen van laatstgenoemde bevond. Een en ander impliceert dat van wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 310 Sr geen sprake kan zijn.

Ten aanzien van de uit de woning van aangever verdwenen en zich ten tijde van de aanhouding in de auto bevindende goederen, heeft verdachte verklaard van die aanwezigheid niet op de hoogte te zijn geweest. Nu deze verklaring van verdachte niet door enig bewijsmiddel kan worden weerlegd, en naar het oordeel van de rechtbank ook niet kan worden uitgesloten dat die goederen uit de woning van aangever zijn meegenomen, zonder dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad, kan van het (mede) beramen van de diefstal, het verrichten van enige uitvoeringshandeling daaraan, dan wel van enige andere effectieve betrokkenheid, geen sprake zijn.

Het vorenstaande leidt ertoe dat verdachte niet als (mede) pleger van de haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kan worden aangemerkt, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De conclusie van al hetgeen hiervoor is overwogen luidt dat de rechtbank door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- tot de overtuiging is gekomen dat de verdachte het onder parketnummer 08/710555-09 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 9 juli 2009 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een mes in zijn buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid is namens de verdachte een beroep gedaan op ontslag van alle rechtsvervolging op grond van noodweer(exces) dan wel psychische overmacht. De raadsvrouw heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de aanleiding voor het handelen van verdachte was ingegeven door het feit dat zij zich bedreigd voelde door de houding van aangever [slachtoffer], toen deze met een verwilderde blik in zijn ogen op verdachte af kwam. In die situatie, waarin verdachte werd gegrepen door gevoelens van angst- en stress, welke gevoelens in feite nog werden versterkt door een eerdere gewelddadige ervaring met aangever, heeft verdachte niet anders kunnen handelen dan het met behulp van het mes op afstand houden van aangever, teneinde daarmee verdere agressie tegen haar persoon te voorkomen.

Bij de beoordeling van het beroep moet voorop worden gesteld dat de omstandigheid dat verdachte, zoals in dit geval, primair de haar ten laste gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan (vgl. HR 10-02-2004, NJ 2004,286).

In het onderhavige geval is sprake van een subsidiair beroep op noodweer in die zin, dat daaraan door de verdediging, in afwijking van de door haar primair ingenomen stellingen, een alternatieve lezing van hetgeen zich feitelijk heeft toegedragen ten grondslag is gelegd. Die alternatieve lezing komt er in de kern op neer dat verdachte, toen zij uit de keuken in de woonkamer terugkeerde met in haar hand een mes, aangever op haar af zou zijn gekomen en daarbij in het mes zou zijn gelopen.

De rechtbank acht deze aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde lezing van de gebeurtenissen echter niet aannemelijk geworden, nu deze niet wordt gestaafd door enig bewijsmiddel. Zoals hiervoor bij de bewijsoverwegingen reeds door haar uiteengezet, -welke uiteenzetting als hier ingelast kan worden beschouwd- is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat aangever direct voorafgaand aan of op het moment waarop hij door verdachte met het mes werd gestoken, aanstalten maakte om verdachte op enige wijze kwaad te doen. Van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijk moest verweren was derhalve geen sprake, zodat het namens verdachte gedane beroep op noodweer wordt verworpen.

Bij gebreke van een noodweersituatie behoeft het gedane beroep op noodweerexces geen bespreking. Ingevolge vaste jurisprudentie kan van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 41, lid 2 Sr immers eerst sprake zijn als de verdediging noodzakelijk was (vgl. HR 07-02-2006, LJN AU8274).

Aan het namens verdachte gedane beroep op psychische overmacht wordt door de verdediging ten grondslag gelegd dat bij verdachte sprake was van een door de feitelijke omstandigheden veroorzaakte drang waardoor zij het mes heeft gebruikt, waarbij redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat zij hiertegen weerstand bood.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog. Van psychische overmacht kan worden gesproken indien de verdachte in een zodanige toestand van psychische drang verkeerde, dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij heeft gedaan. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen de mate van de drang, de vraag of weerstand tegen die drang redelijkerwijs kon worden gevergd en of anders handelen redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoorde.

Op grond van de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting kan weliswaar enerzijds worden afgeleid dat het verslechteren van de relatie met aangever en het daadwerkelijk toepassen van ernstig lichamelijk geweld door aangever jegens verdachte, in toenemende mate hebben geleid tot spanningen, gevoelens van angst en een bedreigd gevoel bij verdachte, welke psychische gesteldheid op het moment van het steken mogelijk nog aan de orde was, maar anderzijds kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat ook een zekere mate van anterieure verwijtbaarheid, bestaande in wraakgevoelens en boosheid als gevolg van de eerdere mishandeling, een mede bepalende factor is geweest en heeft bijgedragen aan het optreden van verdachte. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte, na gebruik van alcohol en cocaïne, wetende welk effect dat op haar heeft, welbewust de confrontatie met aangever heeft opgezocht, waarbij er momenten zijn geweest waarop zij had kunnen besluiten die confrontatie nu juist te vermijden en naar andere oplossingen had kunnen zoeken dan het steken van aangever.

Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank tot het oordeel komt dat bij verdachte geen sprake was van een van buiten komende drang waartegen weerstand in redelijkheid niet kon worden gevergd. Van psychische overmacht is derhalve geen sprake en het daartoe strekkende verweer wordt verworpen.

Voor wat betreft de strafbaarheid van de verdachte baseert de rechtbank zich ook op de door de psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser en de GZ-psycholoog drs. H.A. Stierum respectievelijk op 9 november 2009 en 23 november 2009 uitgebrachte rapportages.

In eerstgenoemd rapport wordt verdachte beschreven als een vrouw bij wie als gevolg van een persoonlijkheidsstoornis gevoelens van woede, onmacht en krenking sterk naar boven komen, met welke gevoelens betrokkene slecht om kan gaan. De gevoelens zijn bijzonder instabiel, wisselend tussen rationele controle en emotionele ontladingen. Betrokkene heeft weinig vermogen om haar impulsen vanuit emoties te beheersen, heeft in de interactie weinig frustratietolerantie en is egocentrisch gericht met nauwelijks empathie. Betrokkene tracht vooral zichzelf staande te houden en doet dat door wisselende maar instabiele activiteiten. Zij manipuleerde en domineerde in het contact met aangever maar had uiteindelijk de situatie met hem niet onder controle.

Betrokkene voldoet aan de kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij reageert impulsief, vanuit frustratie of angst zonder de consequenties voor zichzelf of de ander te overzien. Betrokkene redeneert en handelt op dat moment vanuit een momentaan gevoel met oplopende wraakgevoelens terwijl zij daarin in uitersten vervalt. De impulsiviteit wordt versterkt door alcohol- en cocaïnegebruik.

In laatstgenoemde rapport wordt verdachte -zakelijk weergegeven- beschreven als vrouw bij wie sprake is van een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit. De impulsiviteit op de gebieden die betrokkene in potentie kunnen schaden, komt onder meer naar voren in het misbruik van cocaïne en alcohol. Betrokkene heeft een duidelijk aanhoudend instabiel zelfbeeld. Betrokkene zoekt geborgenheid en bescherming bij anderen. Ze wil graag verzorgd worden en hangt zich helemaal aan één persoon op.

Betrokkene probeert mensen te bespelen, maar is daar heel doorzichtig in. Als gevolg van affectlabiliteit veroorzaakt door duidelijke reactiviteit van stemming, kent betrokkene periodes van somberheid, angst en prikkelbaarheid. Ze heeft soms moeite met het beheersen van haar kwaadheid en kan dan prikkelbaar en agressief reageren. Betrokkene heeft grote behoefte aan bewondering en heeft een gebrek aan empathie. Ze is niet in staat gevoelens van anderen te erkennen. Het ontbreekt haar aan spijtgevoelens. Ze is ongevoelig voor hetgeen ze aangever heeft aangedaan en ziet zichzelf eerder als slachtoffer.

Betrokkene laat een patroon zien van onaangepast gebruik van alcohol en cocaïne, wat significante beperkingen veroorzaakt.

Geconcludeerd kan worden dat bij betrokkene sprake is van een affectieve en pedagogische verwaarlozing, waardoor een scheefgroei in haar persoonlijkheid is ontstaan. Betrokkene was desondanks wel in staat het strafbare van de haar ten laste gelegde feiten in te zien, maar zij beschikte -mede door haar persoonlijkheidsstoornis- niet over voldoende copingmechanismen om tot een andere oplossing te komen. Betrokkene reageerde, mede onder invloed van alcohol en cocaïne, impulsief, misschien uit angst geïnitieerd, zonder na te denken over het gevaar en de consequenties.

Op grond van hun bevindingen komen beide gedragsdeskundigen tot de gezamenlijke conclusie dat bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van misbruik van alcohol en cocaïne. Het gezamenlijk advies luidt om het ten laste gelegde in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich met de conclusie en het advies van de gedragsdeskundigen en zij neemt deze over.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

De op te leggen straf of maatregel

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd dat

verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar onvoorwaardelijk. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

De verdediging heeft -voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging zal komen- bepleit dat geen TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd, maar dat de mogelijkheid van TBS met voorwaarden nader zal worden onderzocht.

De rechtbank overweegt als volgt.

De eerdergenoemde psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser en psycholoog drs. H.A. Stierum, psycholoog, hebben onderzoek gedaan omtrent de persoon van verdachte en daarover gerapporteerd.

De beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte tijdens het begaan van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijk e stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In hun rapportages hebben zij beiden aangegeven dat verdachte klinisch behandeld dient te worden om het recidiverisico te beperken. Door de psychiater Kaiser wordt in dat verband nog aangegeven dat de kans dat verdachte zich wederom begeeft in een gecompliceerde relatie als groot dient te worden ingeschat en dat in een dergelijke relatie de kans dat verdachte agressie zal gebruiken eveneens als tamelijk groot dient te worden beschouwd. Gezien de ernst van de stoornis en de gecompliceerdheid van haar toekomstige omstandigheden, waarin wonen, werken en contacten aandacht behoeven, wordt een ambulante behandeling als ontoereikend beschouwd. Daarnaast is aandacht nodig voor de verslavingsproblematiek van betrokkene.

De gedragsdeskundigen hebben beiden geadviseerd om de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een TBS met voorwaarden. De gedragsdeskundigen hebben hierbij overwogen dat bij betrokkene hiervoor gemotiveerd lijkt. Een TBS met dwangverpleging wordt door de psychiater als een veel te zwaar kader ingeschat.

Op basis van deze adviezen is verdachte met ingang van 24 juni 2010 in het kader van een observatie en proefbehandeling geplaatst op afdeling de Brug van de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen. Die opname, welke in principe

3 maanden zou duren en waarbij aandacht zou worden besteed aan:

-de wijze van omgaan met intermenselijke relaties, onder andere haar partnerkeus en

het aangaan van gezonde relaties

-omgaan met haar instabiele zelfbeeld;

-omgaan met haar affecten, onder andere haar impulsiviteit en agressiviteit;

-omgaan met haar verslaving

-het leren opbouwen van zelfstandigheid, onder andere een zinvolle dagbesteding,

wordt echter voortijdig afgebroken omdat betrokkene op 2 augustus 2010 samen met een medepatiënt uit de kliniek vlucht. Blijkens een door de klinisch psycholoog en waarnemend behandelcoördinator van genoemde afdeling de Brug, A. Warnaar d.d. 12 augustus 2010 opgesteld verslag betreffende het verloop van de (tijdelijke) behandeling van betrokkene, actualiseerde zij problematiek in het therapeutische milieu hetgeen werkbaar leek. Betrokkene blijkt echter een vrouw met twee gezichten: enerzijds lijkt ze een kwetsbare vrouw die in behandeling wil gaan, steun zoekt bij behandelaren, zegt zich daar veilig bij te voelen en zelfs eventueel vrijwillig in de kliniek te willen blijven, anderzijds is ze een femme fatale op de afdeling die ondanks nadrukkelijke navraag daarover in strijd met de gestelde regels een relatie begint en zich weloverwogen aan het toezicht onttrekt. Geconcludeerd wordt dat de proefbehandeling in de FPK als mislukt beschouwd moet worden en dat de FPK niet in staat is om betrokkene onder de voorgestelde titel van TBS met voorwaarden te behandelen.

De rechtbank stelt aan de hand van hetgeen hiervoor door haar is overwogen, vast dat verdachte, bij wie sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, ter beperking van het recidiverisico klinisch behandeld dient te worden. Nu de in eerste instantie bij verdachte veronderstelde motivatie voor een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden kennelijk niet sterk genoeg is gebleken, getuige het feit dat zij zich korte tijd na een proefplaatsing al weer aan behandeling onttrekt, kan naar het oordeel van de rechtbank thans niet met een minder ver strekkende maatregel dan TBS met dwangverpleging worden volstaan. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd. De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid Sr.

Het vorenstaande impliceert dat het verzoek van de raadsvrouw tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden door de rechtbank wordt afgewezen.

Gezien de ernst van het door verdachte gepleegde feit, acht de rechtbank het geboden om verdachte naast TBS met dwangverpleging ook een straf op te leggen.

Voor wat betreft de hoogte van de op te legen straf overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewezen verklaarde feit zijn geen oriëntatiepunten straftoemeting ontwikkeld. De rechtbank heeft gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

Tussen verdachte en aangever [slachtoffer] is in de woning van verdachte ruzie ontstaan over hun verstoorde relatie, waarbij verdachte op zeker moment een mes ter hand heeft genomen en daarmee aangever in de buik heeft gestoken. Aangever heeft hierbij letsel opgelopen dat blijkens een geneeskundige verklaring van de arts Soethoudt zonder medisch ingrijpen mogelijk tot verbloeding en daarmee tot een levensbedreigende situatie zou hebben kunnen leiden. De rechtbank rekent het verdachte -die blijkens een haar betreffend uittreksel justitiële Documentatie d.d.

16 december 2009 al eerder terzake geweldscriminaliteit werd veroordeeld- ernstig aan dat zij heeft gemeend een geschil op zodanige wijze te moeten beslechten. Dergelijk gewelddadig optreden, dat getuigt van een gebrek aan respect voor het leven en de gezondheid van een ander en daarnaast de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt, rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting ook uitdrukkelijk rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting en uit de door de reclassering en de hiervoor reeds genoemde gedragsdeskundigen opgestelde rapportages is gebleken. Uit laatstbedoelde rapportages komt verdachte naar voren als een vrouw met een benedengemiddeld intelligentieniveau, die naarmate de relatie met aangever -mede ook door een ernstige mishandeling van verdachte door laatstgenoemde- verslechterde, onder oplopende gevoelens van spanning, angst en bedreiging kwam te staan. Die omstandigheden, in combinatie met eerder alcohol- en cocaïnegebruik,

-waarbij de hiervoor beschreven ruzie kennelijk de druppel is geweest die de emmer heeft doen overlopen- hebben geleid tot de agressieve impulsdoorbraak op 9 juli 2009.

Als omstandigheid die mede strafverminderend werkt houdt de rechtbank voorts rekening met door eerdergenoemde gedragsdeskundigen geconcludeerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Alles overziend kom de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden is.

Het beslag

De onder verdachte inbeslaggenomen messen en honkbalknuppel zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu met betrekking tot die aan verdachte toebehorende voorwerpen het bewezen verklaarde feit is begaan, respectievelijk bij gelegenheid van het onderzoek naar het door haar begane feit zijn aangetroffen, terwijl die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijk feit;

De schade van benadeelden

[Slachtoffer], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 30.609,= wegens geleden materiële schade. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- € 30.000,-- als gevolg van verlies arbeidsvermogen (niet kunnen overnemen

shoarmazaak);

- € 384,-- kleding/schoenenschade;

- € 70,-- ziekenhuiskosten;

- € 155,-- kosten eigen risico ziekenfonds.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de drie eerstgenoemde schadeposten onvoldoende is onderbouwd en niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij in zoverre in zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Voor wat betreft de laatstgenoemde schadepost heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de vordering niet voldoende is onderbouwd en voorts dat er onvoldoende causaal verband aanwezig is tussen het ten laste gelegde en het gestelde verlies van arbeidvermogen als gevolg van het niet kunnen overnemen van een shoarmazaak. Een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering voor een deel ontvankelijk. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schade is ten dele aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 155,-- voor de eigen risico kosten ziekenfonds. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor de kosten van executie van dit vonnis.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu deze enerzijds onvoldoende is onderbouwd en anderzijds niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor een behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf van 56 dagen die deze rechtbank bij vonnis van 29 mei 2007 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat die vordering moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14f, 14g, 14h, 14i, 27, 37a en 37b Sr.

De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/710555-09

primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 08/720629-10 ten laste

gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/710555-09 subsidiair

ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste

gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: poging tot doodslag

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de

gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], [adres], van een bedrag van € 155,--;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde

partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening

van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken

kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen

verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

155,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige

betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat

vervangende hechtenis voor de tijd van drie dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de

Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte

om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen en andersom,

als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald,

dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat

bedrag komt te vervallen;

beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen messen en

honkbalknuppel;

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder haar inbeslaggenomen kleding en

mobiele telefoons;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08/711003-06

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Almelo van 29 mei 2007,

te weten van 56 dagen gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H.W. Teekman, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. N.R. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. ter Haar, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2010.