Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BO1399

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
: 08/710281-10 en 08/710733-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak, meermalen gepleegd, een diefstal met geweld in vereiniging gepleegd en een diefstal met geweld.

De psycholoog en de psychiater schetsen in grote lijnen een zelfde beeld van de persoonlijkheid van verdachte. Beide deskundigen concluderen dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis beginnend in de adolescentie. De psycholoog acht verdachte om voornoemde redenen verminderd toerekeningsvatbaar. De psychiater acht verdachte om voornoemde redenen licht verminderd toerekeningsvatbaar. De deskundigen adviseren tot oplegging van een PIJ-maatregel.

De rechtbank neemt de conclusies uit de rapporten van de psychiater, de psycholoog en het strafadvies van de Raad en Bureau Jeugdzorg over. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is. De noodzaak van behandeling van verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank gezien de voornoemde pro justitia rapportage’s, vast. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, het onvoorwaardelijk opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummers: 08/710281-10 en 08/710733-09 (tul)

datum vonnis: 14 oktober 2010

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen de minderjarige verdachte:

[Verdachte 1],

geboren op [1995] te [geboorteland],

wonende in [woonplaats], [adres],

nu verblijvende in JPC De Sprengen te Zutphen.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzitting met gesloten deuren van 30 september 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Hofstee en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. N.D. Schraa, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

Het slachtoffer, [slachtoffer 1], was op de zitting aanwezig. Zij heeft gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Zij heeft de inhoud van haar schriftelijke slachtofferverklaring op de zitting voorgedragen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich op of omstreeks 13 december 2009 met anderen in Hengelo heeft schuldig gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld.

Feit 2: zich op of omstreeks 9 april 2010 in Hengelo heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld.

Feit 3: zich in de maand september 2009 met anderen meermalen schuldig heeft gemaakt aan een inbraak bij de Schlecker in Hengelo.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 13 december 2009, in de gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een cafetaria aan de

[adres] heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die cafetaria [naam] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen een medewerkster van die cafetaria genaamd

[slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] met een mes heeft/hebben gedreigd en/althans

die [slachtoffer 2] dat mes heeft/hebben getoond/voor gehouden en/of dat mes op die

[slachtoffer 2] heeft/hebben gericht gehouden en/althans met dat mes ten opzichte van

die [slachtoffer 2] heeft/hebben gemanipuleerd;

2.

hij op of omstreeks 9 april 2010 in de gemeente Hengelo (O),

op of aan de openbare weg, de Beukweg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer

(hand)tas(sen), en/althans/in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om diediefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- die [slachtoffer 1] onverhoeds/snel (van achteren) is genaderd, en/of

- (vervolgens) met kracht aan die tas(sen) van die [slachtoffer 1] heeft gerukt en/of

getrokken, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen de borst/het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of

tegen de grond heeft gewerkt/geduwd;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand september 2009 in de

gemeente Hengelo (O),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel

aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten/shag, in elk

geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma

Schlecker, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

De rechtbank heeft een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging, te weten ‘[naam]’ verbeterd in ‘[naam]’, nu verdachte daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] voor het gehele bedrag van respectievelijk €1213,65, € 1000.00 en € 459,00 dienen te worden toegewezen.

De vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 08/710733-09, heeft de officier van justitie ingetrokken.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

5.2 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1, sub 2 en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 december 2009, in Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een cafetaria aan de

[adres] heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan die cafetaria [naam] en/of [benadeelde 1], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen een medewerkster van die cafetaria genaamd [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte of zijn mededaders die [slachtoffer 2] met een mes hebben gedreigd en dat mes op die [slachtoffer 2] hebben gericht gehouden.

2.

hij op 9 april 2010 in de Hengelo (O), op of aan de openbare weg, de [adres],

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen tassen en geld toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte:

- die [slachtoffer 1] onverhoeds/snel van achteren is genaderd, en

- vervolgens met kracht aan die tassen van die [slachtoffer 1] heeft getrokken, en

- die [slachtoffer 1] tegen de borst heeft gestompt en tegen de grond heeft gewerkt.

3.

hij op tijdstippen in de maand september 2009 in Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid sigaretten/shag, toebehorende aan de firma Schlecker, waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2 en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 310, 311 en 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: "diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen",

feit 2:

het misdrijf:

"diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken."

feit 3:

het misdrijf: "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd"

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte is in september 2009 betrokken geweest bij een tweetal inbraken bij de Schlecker in Hengelo. Verdachte en zijn mededaders hadden donkere kleding aangetrokken en bandana’s voor hun gezicht gedaan om niet herkend te worden. Omdat de eerste inbraak zo gemakkelijk verliep, hebben verdachte en zijn mededaders besloten om een aantal weken later opnieuw in te breken. Het spreekt voor zich dat de inbraken hebben bijgedragen aan de nodige negatieve gevoelens bij de eigenaar van de Schlecker en daarnaast hebben gezorgd voor overlast en financieel nadeel.

Verdachte heeft bij de diefstal met geweld bij cafetaria [naam] in Hengelo in december 2009, een belangrijke rol gehad. Hij en de mededaders hadden voor ook voor dit feit donkere kleding aangetrokken en een bandana voor hun gezicht gedaan. Verdachte en mededaders wilden met twee balletjespistolen de overval plegen, maar zijn deze pistolen uiteindelijk vergeten mee te nemen. Een medeverdachte heeft de medewerkster van de cafetaria met een mes bedreigd. Door de aanwezigheid van het mes waren zij in staat om de medewerkster schrik aan te jagen en te manipuleren. De medewerkster van de cafetaria heeft de overval, blijkens haar verklaring bij de politie, als zeer beangstigend ervaren en het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat feiten als deze een grove aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers inhouden en te verwachten valt dat de slachtoffers nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van deze traumatische ervaringen. Bovendien brengen dergelijke feiten maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust met zich mee.

Tot slot heeft verdachte zich op 6 april 2010 schuldig gemaakt aan een straatroof. Met de straatroof heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naar de ervaring leert kunnen slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat dit ook nu het geval is geweest, blijkt uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting waarin zij aangeeft dat het gebeuren op haar een grote impact heeft gehad. Zij heeft bovendien blijvend letsel aan haar linkerhand. Ook heeft de gebeurtenis ertoe geleid dat zij niet meer onbevangen en onbezorgd over straat kan, hetgeen voor haar in het verleden heel vanzelfsprekend was. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich puur heeft bekommerd om zijn eigen behoefte aan geld. Hij heeft het slachtoffer zonder zich op enigerlei wijze om haar welzijn te bekommeren achtergelaten. Hij heeft zich op geen enkel moment rekenschap gegeven van de gevolgen voor het slachtoffer.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 7 juli 2010, uitgebracht door G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 10 augustus 2010 uitgebracht door prof. dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog;

- een de verdachte betreffend strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 28 september 2010,

opgesteld door W. Roest.

Uit voornoemde rapportages komt onder meer het volgende naar voren:

De psycholoog en de psychiater schetsen in grote lijnen een zelfde beeld van de persoonlijkheid van verdachte. Beide deskundigen concluderen dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis beginnend in de adolescentie. De psycholoog concludeert dat er tevens sprake is van een ziekelijke stoornis. Er bestaat volgens de deskundigen een verhoogd risico op ontwikkeling van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De psycholoog acht verdachte om voornoemde redenen verminderd toerekeningsvatbaar. De psychiater acht verdachte om voornoemde redenen licht verminderd toerekeningsvatbaar. Door beide deskundigen wordt de kans op herhaling als groot ingeschat. Over de aard van een op te leggen maatregel zijn de adviezen eensluidend. De deskundigen adviseren in voornoemde rapporten tot oplegging van een PIJ-maatregel.

De psycholoog wijst erop dat er risico’s zijn verbonden aan het verblijf in een groep jongeren met een soortgelijke problematiek omdat verdachte daardoor sterk geneigd is zich dominanter op te gaan stellen en te verharden in zijn reactiepatroon. Aan de andere kant is er een duidelijke structuur nodig waardoor verdachte niet kan ontsnappen in (rand)crimineel gedrag, en een snelle en duidelijke reactie kan krijgen op zowel negatief als positief gedrag. Verdachte beschikt over intellectuele capaciteiten die binnen de gestructureerde setting van een jeugdinrichting mogelijk meer gestimuleerd en ontwikkeld kunnen worden dan in een ambulante situatie.

De psychiater acht gelet op de het gebrek aan empathie, geen probleembesef en een gebrekkige gewetensfunctie in combinatie met een onveilig, gebroken en beperkt opvoedingsmilieu, de kans op recidive hoog. Een behandeling is geïndiceerd, waarin verdachte wordt geleerd en gestimuleerd tot een meer sociaal aanvaardbare en meer onafhankelijke ontwikkeling, waarin hij leert omgaan met provocaties en er aandacht is voor het leren hanteren van adequate (agressie) impulsbeheersing. De psychiater ziet strafrechtelijk geen andere behandelmogelijkheid om tot daadwerkelijke verandering te komen en tot voldoende maatschappelijke beveiliging dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbank om de voornoemde adviezen te volgen en aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, het onvoorwaardelijk opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Tevens wordt het opleggen van voornoemde maatregel geacht in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank neemt de conclusies uit de rapporten van de psychiater, de psycholoog en het strafadvies van de Raad en Bureau Jeugdzorg over. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is. De noodzaak van behandeling van verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank gezien de voornoemde pro justitia rapportage’s, vast. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om een nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden van een gedragsbeïnvloedende maatregel door de reclassering verwerpt. De rechtbank is van oordeel dat de problematiek van verdachte de mogelijkheden van de gedragsbeïnvloedende maatregel overstijgt, nu het enkel inzetten van gedragsinterventies onvoldoende is om deze problematiek aan te pakken. Gezien de ernst van de delicten en de korte tijd waarin de delicten in ernst en gewelddadigheid toenemen, alsmede de pedagogisch onmachtige thuissituatie, is de rechtbank van oordeel dat een residentiële, in aanvang gesloten behandeling sterk is geïndiceerd.

Het verzoek van de raadsvrouw om de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zal de rechtbank gelet op het voorgaande eveneens afwijzen.

9. De schade van benadeelden

[slachtoffer 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.000,- (duizend euro), als “voorschot” voor geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade bestaat uit de volgende post:

- Smartengeld ad € 1.000,- .

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag voor verdachte erg hoog is. Het bedrag dient te worden gematigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1, diefstal met geweld, rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank acht het gevorderde smartengeld toewijsbaar tot een bedrag van € 750,-. Daarnaast wordt de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd toegewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank begroot die kosten tot op heden op nihil.

[benadeelde 1], wonende te Hengelo aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 459,- (vierhonderd negenenvijftig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- Gestolen kasgeld, ad € 210,-;

- Kosten camerasysteem, ad € 249,- .

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de post “kosten camerasysteem” dient te worden afgewezen nu deze schade niet rechtstreeks volgt uit het bewezenverklaarde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1, diefstal met geweld, rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank acht de gevorderde schade onder de post “gestolen kasgeld” geheel toewijsbaar. De schade gevorderd onder de post “kosten camerasysteem” is naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar nu deze schade niet rechtstreeks voorvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank begroot die kosten tot op heden op nihil.

[slachtoffer 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.213,65 (duizend tweehonderd en dertien euro en vijfenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade bestaat uit de volgende post:

- Smartengeld ad € 750,- .

- Materiële schadeposten ad € 463,65

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering geheel gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 2, diefstal met geweld, rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank acht het gevorderde smartengeld toewijsbaar tot een bedrag van € 1.213,65,-. Daarnaast wordt de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd toegewezen.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank begroot die kosten tot op heden op nihil.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr niet opleggen nu dit door de officier van justitie niet is gevorderd en verdachte gelet op deze uitspraak voorlopig niet in staat zal zijn de schade te vergoeden.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v en 77gg Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1, sub 2 en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte het sub 1, sub 2 en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: "diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen",

feit 2:

het misdrijf:

"diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken."

feit 3:

het misdrijf: "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd"

- verklaart verdachte strafbaar voor het sub 1, sub 2 en sub 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 181 dagen;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de

jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

- legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van

twee jaren;

Schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 750,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2009), voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van een bedrag van € 210,- voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.213,65,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2010);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. L.T. Vogel en mr. C. Verdoold, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010.