Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN9808

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
08.700323-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo veroordeelt verdachte voor het samen met anderen gedurende een lange periode dealen van zowel hard- als softdrugs tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een gedragsinterventie en/of behandeling of begeleiding door bijvoorbeeld JusTact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/700323-09

datum vonnis: 5 oktober 2010

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Overijssel in Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 maart, 12 mei 2010, 9 juni 2010 en 21 september 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Lambers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: meerdere malen heeft gedeald in harddrugs, onder andere speed en XTC.

Feit 2 en feit 3: meerdere malen heeft gedeald in softdrugs, onder andere GHB en wiet.

Feit 4: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand, en/althans (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of tenamfetamine (MDA) en/of

metamfetamine en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende

amfetamine, (telkens) zijnde MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of tenamfetamine

(MDA) en/of metamfetamine en/of amfetamine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand en/althans (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) hoeveelheid/hoeveelheden van van een materiaal bevattende

Gammahydroxyboterzuur (GHB)/4-hydroxyboterzuur, (telkens) zijnde

Gammahydroxyboterzuur (GHB)/4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007

tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand en/althans (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) hoeveelheid/hoeveelheden van van een materiaal bevattende (een)

hoeveelheid/hoeveelheden (van meer dan 30 gram) van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, (telkens) zijnde

hasjiesj en/of hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

4.

hij op of omstreeks 11 december 2009 te Westerhaar-Vriezenveenswijk, gemeente

Twenterand, een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool

(merk: Rohm, type RG600), en/of munitie van categorie III, te weten 15,

althans meerdere, stuks munitie (kaliber .22) en/of een knalpartroon (kaliber

.315), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, ook als dat een CoVa-training of een ambulante behandeling inhoudt. Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen vordert de officier van justitie dat de goederen op de beslaglijst onder de nummers 1a, 1, 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10a, 10, 11, 12, 15, 16, 17 tot en met 22, 25, 26, 30, 32 en 35 tot en met 39 worden onttrokken aan het verkeer. Daarnaast vordert hij dat de goederen op de beslaglijst onder nummer 23 en 24 verbeurd worden verklaard en dat het goed op de beslaglijst onder nummer 13 wordt teruggegeven aan verdachte.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De periode ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de dealperiode ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 korter is dan ten laste is gelegd, nu verdachte in het jaar voor zijn aanhouding enkel gedurende 3 à 4 maanden verdovende middelen heeft verkocht.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de periode zoals deze sub 1, sub 2 en sub 3 is ten laste gelegd ook bewezen kan worden verklaard. Hij voert daartoe aan dat het dossier verschillende verklaringen van klanten van verdachte bevat, die allemaal verklaren dat zij gedurende een langere periode dan verdachte stelt drugs bij hem hebben gekocht.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

[Getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in de periode van november 2007 tot

24 juni 2009 alleen van [verdachte] speed heeft gekocht en dat hij ook wel eens wiet bij [verdachte] kocht. [Getuige 2] heeft op 14 december 2009 bij de politie verklaard dat zij [verdachte] ongeveer 2 à 3 jaar kent en dat zij zeker 2 jaar lang speed bij hem heeft gekocht. Daarnaast heeft zij sinds augustus 2009 GHB bij [verdachte] gekocht. [Getuige 3] heeft op

25 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij al een aantal jaren wiet, GHB en speed van [verdachte] kocht. Hij verklaart dat hij ongeveer 3 of 4 jaar geleden voor het eerst speed bij [verdachte] heeft gekocht, dat hij ongeveer 1,5 jaar geleden voor het eerst GHB bij [verdachte] heeft gekocht en dat hij ongeveer 3 of 4 jaar lang wiet bij [verdachte] heeft gekocht.

Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de sub 1, sub 2 en sub 3 tenlastegelegde periodes in verdovende middelen heeft gehandeld.

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, , , , zulks met inbegrip van het dealen van XTC zoals is tenlastegelegd onder sub 1. Het dossier bevat drie verklaringen , , van mensen die XTC kochten bij verdachte. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen.

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of tenamfetamine (MDA) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en N-ethyl-MDA (MDEA) en tenamfetamine (MDA) en amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur (GHB)/4-hydroxyboterzuur, zijnde Gammahydroxyboterzuur (GHB)/4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 december 2009 in de gemeente Twenterand tezamen en in vereniging met anderen meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende een hoeveelheid (van meer dan 30 gram) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en hennep, zijnde hasjiesj en hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op 11 december 2009 te Westerhaar-Vriezenveenswijk, gemeente Twenterand, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk: Rohm, type RG600), en munitie van categorie III, te weten 15 stuks munitie (kaliber .22) en een knalpatroon (kaliber.315), voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 Sr en artikel 55 van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 2 en feit 3

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan handel in voornamelijk speed, GHB en hennep, welke handel pas is gestopt door het ingrijpen van de politie. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. De handel in verdovende middelen gaat bovendien gepaard met overlast in de samenleving. Daarnaast genereert het gebruik van verdovende middelen op zijn beurt strafbare feiten. Verdachte heeft door zijn handelen zijn afnemers en de maatschappij in zijn algemeenheid bewust aan deze risico's blootgesteld. Een aantal van de getuigen die hebben verklaard dat zij deze drugs van verdachte kochten, was ten tijde van het kopen van de drugs minderjarig. Het wordt verdachte ernstig aangerekend dat hij uit puur geldelijk gewin deze schadelijke drugs aan kwetsbare minderjarigen heeft verkocht. Voorts rekent de rechtbank het verdachte ernstig aan dat hij de betreffende drugs niet alleen vanuit zijn woning verkocht onder de ogen van zijn eigen minderjarige kinderen waar hij de zorg voor had, maar ook dat hij deze drugs in de diepvries en de koelkast bewaarde en daarmee dus niet buiten het bereik van zijn eigen kinderen hield. Kinderen dienen naar het oordeel van de rechtbank van dit soort zaken verschoond te blijven. Verdachte heeft bovendien misbruik gemaakt van sociaal zwakkeren bij zijn handel. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast aan dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest ter zake van soortgelijke feiten, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 22 maart 2010. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, zoals hiervoor is weergegeven, zal de rechtbank verdachte een forse vrijheidsbenemende straf opleggen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf allereerst rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover die voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat, gedurende 6 tot 12 maanden, als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 12 maanden onvoorwaardelijk. Verdachte heeft zich langer dan 12 maanden beziggehouden met het handelen in harddrugs, alsmede zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het dealen van softdrugs en heeft bovendien zoals hiervoor weergegeven verkocht aan minderjarigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder en de manier waarop verdachte en zijn mededaders gehandeld hebben, de gevangenisstraf die in het landelijk oriëntatiepunt straftoemeting is vastgesteld onvoldoende uiting geeft aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal daarom overgaan tot het opleggen van een hogere gevangenisstraf, waarbij de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen betrekt.

Over verdachte is een voorlichtingsrapport uitgebracht door de Reclassering Nederland. De rechtbank heeft hiervan kennisgenomen. Mede gelet op de inhoud van het rapport is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf eveneens een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde dient te worden opgelegd. Verdachte heeft problemen op verschillende gebieden in zijn leven en is niet zelfredzaam genoeg om daarin orde aan te brengen. Hij zal op verantwoorde wijze zijn leven weer in moeten richten en heeft getoond dit niet alleen te kunnen, zodat hulp daarbij hard nodig is. Met de reclassering acht de rechtbank een verplicht reclasseringstoezicht dan ook zeker geboden. Daarnaast heeft de rechtbank ingevolge het bepaalde in artikel 63 Sr rekening gehouden met de eerdere veroordeling van verdachte door de politierechter te Almelo d.d. 23 juli 2009 tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht, ook als dat ambulante behandeling en/of deelname aan een gedragsinterventie (CoVa-training) inhoudt, passend en geboden is.

8.2 De in beslag genomen goederen

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld op de aan dit vonnis aangehechte beslaglijst, onder de nummers 1a, 1 tot en met 4, 7 tot en met 9, 10a, 10 tot en met 12, 15, 17 tot en met 22, 25, 26, 30, 32 en 35 tot en met 39 vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu de hiervoor bewezenverklaarde feiten mede zijn begaan met deze voorwerpen en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in beslag genomen geldbedragen, vermeld onder de nummers 16, 23 en 24 op voornoemde beslaglijst, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu dit geld door het strafbare feit is verkregen.

De rechtbank is daarnaast met de officier van justitie van oordeel dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van de aan verdachte toebehorende en onder hem in beslag genomen portemonnee, vermeld onder nummer 13 van voornoemde beslaglijst, zodat de rechtbank de teruggave hiervan aan verdachte zal gelasten.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 91 Sr en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 2 en feit 3

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt begeleiding of behandeling door derden, bijvoorbeeld JusTact en/of deelname aan een gedragsinterventie, bijvoorbeeld een CoVa-training, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 1a, 1 tot en met 4, 7 tot en met 9, 10a, 10 tot en met 12, 15, 17 tot en met 22, 25, 26, 30, 32 en 35 tot en met 39;

- verklaart verbeurd de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 16, 23 en 24;

- gelast de teruggave aan verdachte van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 13.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2010.