Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN9792

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
08/700457-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trappen in de buik van hoogzwangere vrouw levert poging tot doodslag op. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K A L M E L O

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/700457-08

Datum vonnis: 8 oktober 2010 Strafvonnis

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats (geboorteland)], op [1987],

wonende te [woonplaats, woonadres].

Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 juni 2010 en 24 september 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte raadsman mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting- ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 28 juni 2007 tot en met 07 juli 2007,

in de gemeente Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk een ander, te weten het toen nog ongeboren kind van de toen ruim

29 weken zwanger zijnde [slachtoffer], - zijnde een vrucht die naar

redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in

leven te blijven - van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader op 28 juni 2007 in de

gemeente Enschede met dat opzet die [slachtoffer] in/tegen de buik geschopt

en/of getrapt, tengevolge waarvan voornoemd kind/vorenbedoelde vrucht in de

gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, omstreeks 07 juli 2007, in elk

geval op enig tijdstip in genoemd tijdvak, is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat:

zij in of omstreeks het tijdvak van 28 juni 2007 tot en met 7 juli 2007, in de gemeente Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [slachtoffer], -zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven- van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] in/tegen de buik heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat vorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR ter zake dat:

zij op of omstreeks 28 juni 2007, in de gemeente Enschede,

met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in

een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten (een horecagelegenheid

van) winkelcentrum de Klanderij, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] (die ruim 7 maanden zwanger was)

welk geweld bestond uit:

- het opzettelijk gewelddadig indringen op - en/of aanvallen van die [slachtoffer], en/of

- het opzettelijk gewelddadig schoppen en/of trappen tegen, althans in de

richting van, de buik en/of de (het) be(e)n(en), in elk geval het lichaam, van

die [slachtoffer], en/of

- het opzettelijk gewelddadig trekken aan de haren van die die [slachtoffer],

waarbij zij, verdachte, heeft geschopt en/of getrapt tegen, althans in de

richting van, de buik en/of de (het) be(e)n(en), in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer], welk door haar gepleegd geweld, enig lichamelijk letsel

voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad en/of de dood ten gevolge heeft gehad van het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [slachtoffer], zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Voor wat betreft de ontvankelijk van de officier van justitie overweegt de rechtbank nog het volgende:

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging ter zake de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging, nu voor dat feit via het Openbar Ministerie aan verdachte ter voorkoming van strafvervolging reeds een taak(leer)straf is opgelegd, welke straf inmiddels ook naar behoren is uitgevoerd.

De rechtbank begrijpt dat de raadsman zich in feite beroept op het in artikel 68 Wetboek van Strafrecht neergelegde beginsel “ne bis in idem”, dat beoogt te voorkomen dat iemand opnieuw ter zake van eenzelfde feit in rechte wordt betrokken, nadat over dat feit reeds een onherroepelijke beslissing is genomen. De rechtbank merkt in dat verband op dat ingevolge artikel 74, lid 1 Wetboek van Strafrecht een voldane transactie ter zake van een strafbaar feit weliswaar gelijk dient te worden gesteld aan een onherroepelijke veroordeling, echter de wetgever heeft in artikel 74b Wetboek van Strafrecht opgenomen dat na een vervolgingsbeslissing van het gerechtshof ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering -waarvan in de onderhavige situatie sprake is- het recht tot strafvervolging herleeft, als ware het niet vervallen geweest. Een en ander impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opnieuw -en naar de rechtbank begrijpt in volle omvang- in rechte kan worden betrokken en dat derhalve van de door de raadsman veronderstelde situatie geen sprake is. Dat de door het OM bij wijze van transactie opgelegde taakstraf inmiddels is uitgevoerd maakt dat niet anders.

Het betoog van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Bewijsoverwegingen

Bewijsvraag

De rechtbank zal de feiten bespreken aan de hand van de ter zitting door het openbaar ministerie en de verdediging ingenomen standpunten ter zake.

In het onderhavige geval wordt verdachte -kort gezegd- primair verweten dat zij op 28 juni 2007 in een horecagelegenheid te Enschede het ongeboren kind van aangeefster [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door laatstgenoemde in/tegen haar buik te trappen.

Door de officier van justitie is dienaangaande geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, terwijl door de verdediging vrijspraak is bepleit, nu er onvoldoende betrouwbare direct redengevende feiten en omstandigheden voorhanden zijn die overtuigend bewijs voor het primair ten laste gelegde zouden kunnen opleveren.

Door de verdediging zijn in dit verband ter zitting ook kritische kanttekeningen en twijfels geplaatst bij het waarheidsgehalte van de inhoud van de belastende verklaringen van aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De rechtbank verwijst hiervoor naar de inhoud van de door de raadsman overgelegde pleitnota.

Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap hoeft af te leggen (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, LJN BB4103). Hetgeen namens verdachte is aangevoerd vormt echter een jurisprudentiële uitzondering op deze regel en verlangt een nadere redengeving. In dat verband dient als eerste worden nagegaan of de betreffende verklaringen consistent zijn, anders gezegd: is door aangeefster en de getuigen vanaf het begin tot het einde steeds in overwegende mate hetzelfde betoogd. Vervolgens dient te worden bezien of in de verklaringen tegenstrijdigheden zijn te constateren, of men op enig moment met nieuwe gegevens naar voren is gekomen en of de verklaringen passen in overig bewijsmateriaal.

De rechtbank is na beoordeling van deze criteria van oordeel dat de verklaringen van aangeefster en genoemde getuigen bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegd, als consistent zijn aan te merken en gelet op hun inhoud ook als betrouwbaar kunnen worden beschouwd. Uit de verklaringen valt niet af te leiden dat betrokkenen op enigerlei wijze hebben getracht hun verklaringen in strijd met de waarheidsvinding op elkaar af te stemmen.

De enkele omstandigheid dat in de verklaringen van aangeefster en genoemde getuigen op onderdelen mogelijk sprake is van ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, tast de betrouwbaarheid van die verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk aan. Dit alles leidt ertoe dat de verklaringen van aangeefster en genoemde getuigen tot het bewijs in de onderhavige strafzaak kunnen worden gebruikt. De rechtbank wijst er in het bijzonder op dat verdachte op haar verklaring dat zij [slachtoffer] op haar bovenbeen schopte, ter zitting is teruggekomen. Zij stelt ter zitting niet te hebben gezien en niet te weten waar zij het slachtoffer met haar schoen raakte en wat zij daarover eerder verklaard had beruste op een aanname. Het slachtoffer zegt te hebben gevoeld dat het op haar buik was, een getuige zegt het te hebben gezien en het slachtoffer meldt het onmiddellijk bij de politie en laat zich nog diezelfde middag en ook de volgende dag in het ziekenhuis onderzoeken. Op grond van deze verklaringen, zulks in samenhang en in onderling verband beschouwd met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 juni 2007 in de horecagelegenheid Dolce Vita Gelato te Enschede, aangeefster [slachtoffer], die toen hoog zwanger was, met haar geschoeide voet op pijnlijke wijze in de buik heeft getrapt.

De vraag die in dit verband vervolgens door de rechtbank dient te worden beantwoord, is of de vervolgens ingetreden dood van het ongeboren kind is veroorzaakt door de gewraakte handelwijze van verdachte, met andere woorden de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door verdachte uitgeoefende geweld en het overlijden van het kind. Een en ander dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te geschieden aan de hand van de maatstaf of de dood van het kind redelijkerwijs als gevolg van het uitoefenen van dat geweld aan de verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten af.

Op 28 juni 2007 te omstreeks 19.00 uur, bevindt aangeefster [slachtoffer], die op dat moment hoogzwanger is, zich samen met haar vriendin [getuige 1] in de horecagelegenheid Dolce Vita Gelato in de Klanderij te Enschede. Daar bevinden zich op dat moment ook de verdachte en haar moeder [medeverdachte]. De verhouding tussen aangeefster enerzijds en laatstgenoemde zijn kennelijk al gedurende langere tijd gebrouilleerd. Verdachte [medeverdachte] begeeft zich vervolgens naar de plaats waar aangeefster en haar vriendin zijn gezeten om, naar zij zegt, de zaak uit te praten.

Aangeefster wordt daarbij door verdachte [medeverdachte] aan de haren getrokken en roept daarbij tegen laatstgenoemde “Laat mij los, ik ben zwanger”, waarop [medeverdachte] reageert met de woorden “Jouw kindje wordt ook een hoer”. Op dat moment voegt ook verdachte zich bij haar moeder en trapt de voorovergebogen zittende aangeefster met haar geschoeide voet in de buik. Verdachte moet hebben geweten dat zij toen geweld gebruikte tegen een zwangere vrouw, gelet op wat [slachtoffer] zojuist had geroepen, de reactie van verdachtes moeder en op grond van het feit dat de zeven maanden zwangerschap goed zichtbaar was volgens de getuige [getuige 3]. Door personeel van de horecagelegenheid wordt aangeefster vervolgens ontzet, waarna zij meteen aangifte bij de politie doet en zich ter controle begeeft naar het Streekziekenhuis Midden Twente te Enschede en daarbij aangeeft dat zij in de buik is geschopt.

Blijkens het daarop in genoemd ziekenhuis door de gynaecoloog Van Doorn verrichte onderzoek, voelt aangeefster op dat moment goed leven, had zij geen klachten van bloedverlies, vruchtwaterverlies of een harde buik en was de hartslag van het kind normaal. Bij een verrichte echografie werd normaal vruchtwater gevonden. Aan de placenta werden geen duidelijke afwijkingen waargenomen. Verder werd aanvullend onderzoek verricht waarbij van aangeefster bloed werd afgenomen, teneinde te bezien of er mogelijk bloed van het kind in de moederlijke circulatie terecht was gekomen. (Kleihauer-Betke test).

Aangeefster wordt geadviseerd zich ter observatie in het ziekenhuis te doen opnemen, hetgeen door haar op dat moment om haar moverende redenen wordt geweigerd. Het advies om de dag erop in het ziekenhuis in Hengelo (O) nader onderzoek te doen plaatsvinden volgt zij wel op.

Op 29 juni 2007 blijkt uit het laboratoriumonderzoek in Hengelo (O) dat er sprake is van een duidelijke transfusie van het kind naar de moeder. Verder worden geen bijzonderheden vastgesteld.

Op 7 juli 2007 meldt aangeefster zich bij een zwangerschapsduur van 32 weken wederom in eerdergenoemd ziekenhuis in verband met buikpijnklachten en vaginaal bloedverlies, waarna bij onderzoek door de behandelend gynaecoloog Paaijmans een intrauteriene vruchtdood wordt geconstateerd, met als diagnose een loslating van de placenta. Bij de daarna opgetreden bevalling werd een placenta geboren, erg klein met een gewicht van 295 gram. Omdat niet zeker was of er sprake was van een natuurlijke dood werd contact opgenomen met de politie die het kind meenam voor verder onderzoek en obductie in Rijswijk.

Door de gynaecoloog Paaijmans worden aanwijzingen vermoed dat er een relatie bestaat tussen intrauteriene vruchtdood en het eerder gemelde trauma.

Bij het vervolgens door de arts en patholoog Ann Maes, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, d.d. 21 september 2007 op gestelde rapport betreffende een door haar verrichte uit- en inwendige schouwing van het doodgeboren kind van aangeefster, toonde de placenta ernstige ziekelijke afwijkingen en waren er veel recente infarcten als gevolg van placentaloslating. Bij microscopisch onderzoek kon deze infarcering worden gedateerd op circa 1 dag oud en vormde deze de doodsoorzaak De oorzaak van deze infarcering is op grond van de macroscospische en microscopische bevindingen volgens genoemde arts en patholoog zonder meer te herleiden naar de placentaloslating circa een dag voor de doodgeboorte. Er waren geen aanknopingspunten voor “uitgestelde”placentaloslating. Op grond van de sectiebevindingen kan geen directe relatie worden gelegd tussen de geweldsinwerking 9 dagen tevoren en de doodgeboorte.

Uit het daarop door de gynaecoloog-perinatoloog dr. J.J.H.M. Erwich, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum te Groningen, in het kader van het door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank verrichte gerechtelijk vooronderzoek, opgestelde rapport omtrent placentaloslating, in het bijzonder in het stadium van een acht maanden durende zwangerschap, de mogelijke oorzaken daarvan, de frequentie waarin deze oorzaken zich in dit stadium van de zwangerschap voordoen en de mogelijke relatie tussen het gestelde geweld en de placentaloslating, blijkt volgens genoemde deskundige onder meer dat het loslaten van de placenta (moederkoek) een klinische diagnose is, waarbij vaak het kind in de buik overlijdt.

Volgens genoemde deskundige komt placentaloslating in ongeveer 1% van alle zwangerschappen voor, waarbij de belangrijkste risicofactoren zijn: een eerdere loslating bij een vorige zwangerschap, cocaïne gebruik, roken en hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap. Trauma wordt in alle literatuur ook als risicofactor genoemd en de loslating hoeft niet direct in aansluiting op het trauma plaats te vinden. Uit onderzoek in de VS blijkt dat placentaloslating het vaakst tussen de 22 en 30 weken voorkomt en daarna afneemt tot ruim onder de 1% vanaf 37 weken.

Een “flinke”trap in de buik, die als pijnlijk wordt ervaren, lijkt genoemde deskundige een trauma zoals door hem hiervoor benoemd als risicofactor. Wat extra pleit voor een significant effect is dat bij het bloedonderzoek van patiënte direct na het trauma de zogenaamde Kleihauer test significant positief was, hetgeen wijst op de aanwezigheid van foetaal bloed in de moederlijke bloedbaan. Dit komt doordat in de placenta foetale bloedvaten zijn verscheurd. Echter dit bewijst niet dat dit ook door het trauma veroorzaakt zou moeten zijn. Er blijft de kans dat dit zich ook spontaan heeft voorgedaan.

Door de deskundige wordt als conclusie aan zijn bevindingen gesteld dat (bij gebreke van informatie over roken of drugsgebruik) de enige risicofactor die patiënte had voor een placentaloslating het eventuele trauma was. Hoewel er nooit een directe 1 op 1 relatie te bewijzen valt in deze (het had ook gebeurd kunnen zijn zonder trauma) is de deskundige de mening toegedaan dat in de voorliggende casus, er vanuit gaande dat er een trauma aan de

zwangere buik is geweest, dit een belangrijke bijdragende factor is geweest voor het in de buik overlijden van het kind. De deskundige acht die relatie dan ook mogelijk.

De rechtbank heeft het voor de beoordeling en afdoening van de onderhavige strafzaak vervolgens noodzakelijk geacht dat de deskundige Erwich nader ter terechtzitting omtrent zijn bevindingen zal worden gehoord.

Tijdens dat verhoor ter terechtzitting van 24 september 2010, waarbij de deskundige heeft gepersisteerd bij de inhoud van zijn in voormelde rapportage beschreven rapport en de daarin opgenomen conclusie, is door de deskundige aan de hand van vraagstelling door de rechtbank onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard:

-placentaloslating komt in ongeveer 1% van alle zwangerschappen voor, waarbij naast een

mogelijk trauma, belangrijke risicofactoren zijn loslating bij eerdere zwangerschappen,

hetgeen in dit geval niet aan de orde is, roken, gebruik van cocaïne en hoge bloeddruk;

-in verreweg de meeste gevallen van placentaloslating is geen aanwezigheid van één van de

genoemde risicofactoren vast te stellen. Tussen trauma en loslating is dus geen 1 op 1

situatie, zodat alleen kan worden gekomen tot de classificering “mogelijk”of “waarschijnlijk”

en het 100 % bewijs nooit kan worden geleverd. In dit geval heb ik gekozen voor “mogelijk”;

-bij aanwezigheid van één van de risicofactoren komt ook dikwijls geen placentaloslating

voor. Zo kunnen stevige rokers toch dikwijls kinderen krijgen en zijn ook gevallen bekend

van vrouwen die met de fiets vielen en met de buik op het stuur terecht kwamen en geen last

hebben gehad van placentaloslating. De buik kan vaak verrassend veel verdragen;

-als er een verscheuring is geweest van kinderlijke bloedvaten, waarbij bloed van het kind bij

de moeder gekomen is, de hiervoor bedoelde transfusie, dan is dat in dit verband zeker

belangrijk, maar ook dit kan gebeuren zonder trauma. Het kan dus ook spontaan gebeuren,

ook bij niet roken, geen cocaïne gebruik en geen hoge bloeddruk. Ook in dat geval blijf voor

wat betreft de relatie de classificatie dan steken bij “mogelijk”.

-het trauma, voor zover dat heeft plaatsgehad, is mogelijk een bijdrage voor placentaloslating,

maar het is ook mogelijk dat het spontaan geschiedt. Het is juist dat wanneer men alle

gevallen van placentaloslating bij elkaar neemt, daarvan dan het grootste deel een spontane

en niet te verklaren loslating betreft. Er zijn risicofactoren die de kans op een loslating

wellicht 2 of 3 keer vergroten, maar hoeveel een trauma in de zin van een flinke trap in de

buik, die kans vergroot, weet denk ik niemand. Men kan het ook omdraaien en zeggen: hoe

vaak zie je vrouwen die van de fiets gevallen zijn met het stuur in de buik of die een auto

ongeval hebben gehad, met daarbij een placenta loslating als gevolg. Die gevallen zijn

zeldzaam. Op zich is een kind namelijk goed beschermd. In de literatuur staat die relatie

echter wel beschreven, dus helemaal naast je neerleggen kan ook weer niet.

-zoals ik heb aangegeven treedt in 1% van de zwangerschappen een placenta loslating op en

binnen die gevallen van placenta loslating is in verreweg voor het grootste gedeelte geen

oorzaak aan te wijzen, zoals trauma, roken of drugsgebruik. In dat verband wordt mij

voorgehouden dat ik in mijn rapport van 2 februari 2009, direct vóór de zinsnede “ik acht die

relatie dan ook mogelijk” heb geschreven dat een trauma aan de zwangere buik een

belangrijke bijdragende factor is geweest voor het in de buik overlijden van het kind”.

Gevraagd in dit verband, dat als er nu zoveel gevallen van onbekende oorzaken zijn, in

hoeverre dan eigenlijk gezegd kan worden dat het trauma 10 dagen vóór de geboorte een

belangrijke bijdrage is geweest, anders gezegd heeft het bijgedragen of is er niet veel meer

sprake van een statistische kans dat het een andere, onbekende oorzaak is geweest, antwoord

ik dat ik bedoelde zinsnede niet voor niets zo heb opgeschreven, want er is sprake van een

trauma en je hebt het verhaal dat er op volgt. 1 + 1 = bijna 2, maar lastig is dat dat nooit met

100% zekerheid kan worden gezegd. De relatie is er echter wel. Uiteraard is de 1 op 1 relatie

moeilijker te leggen naarmate het tijdsverloop tussen trauma en placenta loslating langer is,

maar daar bestaan niet veel publicaties over. Tien dagen is een wat langere tijd, maar

bevreemdend zou het niet zijn;

-gevraagd naar de mogelijkheid of er voor een bloedtransfusie tussen moeder en kind behalve

een trauma ook andere oorzaken denkbaar zijn, dan is dat inderdaad het geval. De meeste

bloedtransfusies zijn ook spontaan. Met name in de tweede helft van de zwangerschap is

spontane transfusie mogelijk, sterker nog die treedt bij elke zwangerschap op, alleen de

hoeveelheid is dan niet significant belangrijk.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende en in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen “conditio sine qua non-verband” kan worden vastgesteld tussen enerzijds het trappen in de buik door verdachte en anderzijds het overlijden van het ongeboren kind.Bij de beantwoording van de vraag of de dood van het kind redelijkerwijs aan het gedrag van de verdachte is toe te rekenen, is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat de trap in de buik de doorslaggevende factor is geweest die de placentaloslating en daarmee de dood van het ongeboren kind van aangeefster heeft veroorzaakt. Gelet op het voorgaande blijft naar het oordeel van de rechtbank de reële mogelijkheid bestaan dat bij aangeefster, anders dan door een trap in de buik door verdachte, een placenta loslating is opgetreden, bijvoorbeeld spontaan. Door de deskundige is in dit verband desgevraagd ter terechtzitting ook verklaard dat in alle gevallen waarin placenta loslating optreedt, het merendeel daarvan een spontane en niet te verklaren loslating betreft. Daarnaast heeft de deskundige verklaard dat het element dat in zijn rapport als significant wordt aangemerkt, namelijk de bloedtransfusie tussen moeder en kind, ook een spontaan optredend, wel vaker voorkomend, verschijnsel kan zijn, zonder dat er ook op dat punt een reële mogelijkheid bestaat dat er geen relatie is met het trauma.

Nu de rechtbank het causale verband tussen de gedraging van verdachte (de trap in de buik) en het intreden van de dood van het ongeboren kind derhalve niet met zekerheid kan vaststellen en niet in redelijkheid aan elkaar kan verbinden, kan naar het oordeel van de rechtbank ook de dood van het kind niet redelijkerwijs als gevolg van de ten laste gelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend.

Verdachte dient derhalve van het hem primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank is daarentegen wel van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het verweer dat de verdediging dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het doden van het ongeboren kind, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op grond van de bij het onderzoek ter terechtzitting door de rechtbank vastgesteld feiten en omstandigheden wist dat verdachte ten tijde van de confrontatie op 28 juni 2007 zwanger was.

Uit zowel het relaas van de verbalisanten als uit de verklaring van de getuige [getuige 3] komt naar voren dat aangeefster zichtbaar hoogzwanger was. Bovendien komt uit de verklaring van de aangeefster en de getuige [getuige 1] duidelijk naar voren dat de aangeefster riep dat ze zwanger was en dat de medeverdachte, gelet op haar uitlatingen op dit punt, ook uitdrukkelijk blijk heeft gegeven dat zij daarvan op de hoogte was. Verdachte heeft onder de omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen naar voren komen, de noodkreet van de aangeefster en de uitlatingen van haar moeder zeker moeten horen. Zij heeft dus van de zwangerschap geweten.

Die wetenschap heeft verdachte er echter kennelijk niet van weerhouden om het slachtoffer met geschoeide voet in de buik te schoppen. De rechtbank acht het van algemene bekendheid dat door zodanig handelen het leven van de ongeboren vrucht gevaar kan lopen. Verdachte moet daarvan, evenals ieder weldenkend mens, naar het oordeel van de rechtbank ook op de hoogte zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst genomen ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het kind zou komen te overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van opzet op de dood van het ongeboren kind.

De bewezenverklaring

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in het tijdvak van 28 juni 2007 tot en met 7 juli 2007, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [slachtoffer], -zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven- van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] in/tegen de buik heeft geschopt of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank heeft kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor in haar belangen niet geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

Het misdrijf: poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

De op te leggen straf of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot het verrichten van een taak(werk)straf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair, als subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewezen verklaarde feit zijn geen oriëntatiepunten straftoemeting ontwikkeld. Wel heeft de rechtbank gelet op andere uitspraken met betrekking tot poging tot doodslag. De rechtbank heeft voorts gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Op 28 juni 2007 bevindt verdachte zich in de horecagelegenheid Dolce Vita Gelato te Enschede. Nadat verdachte constateert dat haar aldaar ook aanwezige moeder in een woordenwisseling verzeild raakt met twee bekende landgenotes, met wie zij al enige tijd in onmin verkeerden, voegt verdachte zich in boosheid ontstoken -kennelijk ter ondersteuning- bij haar moeder. Verdachte trapt vervolgens een van de beide vrouwen, te weten de hoogzwangere aangeefster [slachtoffer], terwijl zij wist van die zwangerschap, welbewust op zodanig pijnlijke wijze in de buik, dat -zoals de rechtbank hiervoor bewezen heeft geacht- sprake is van poging tot doodslag op het ongeboren kind van genoemde aangeefster.

Aannemelijk is dat het optreden van verdachte -zoals ook naar voren komt in de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster- diepe wonden heeft geslagen in de levens van aangeefster en haar partner.

Delicten zoals het onderhavige, leveren een ernstige aantasting op van de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan een voor de rechtsorde schokkend karakter. Daarnaast brengen dergelijke delicten bij burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Dit klemt temeer nu het onderhavige feit is gepleegd in een openbare gelegenheid.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan gebleken is uit het door de reclassering opgemaakte rapport van 3 mei 2010.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank, hoewel zij komt tot een bewezenverklaring van een minder zwaar feit als door de officier van justitie gevorderd, van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Dit alles in aanmerking nemende, daarbij in beperkte mate rekening houdende met het feit dat er inmiddels al weer geruime tijd is verstreken na het plegen van het feit, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden passend en geboden. De omstandigheid dat verdachte blijkens het haar betreffende Uittreksel justitiële Documentatie van 20 september 2010, nog niet eerder is veroordeeld, acht de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit geen strafverminderende omstandigheid. Indien sprake zou zijn geweest van geweldsrecidive, zou dit veeleer als een strafverhogende omstandigheid hebben gegolden.

De schade van benadeelde

Vordering benadeelde partij

[Slachtoffer], wonende te [woonplaats, woonadres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 5.000,=

voor geleden immateriële schade en € 100,= voor kosten rechtsbijstand. Voorts vordert de benadeelde partij vergoeding van de advocaatkosten welke zijn gemaakt in de aan de onderhavige strafzaak voorafgaande procedure in het kader van artikel 12 Wetboek van Strafvordering en welke kosten blijkens declaratie van de behandelend raadsman € 6.395,54 bedragen. In totaal vordert de benadeelde partij derhalve een bedrag van € 11.495,54 (elfduizend vierhonderd vijfennegentig euro en vierenvijftig eurocent).

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd daarbij een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de civiele vordering kan worden toegewezen voor wat betreft de gevorderde immateriële schade en de kosten rechtsbijstand. Ten aanzien van de gevorderde kosten inzake de artikel 12 Sv. procedure is de officier van justitie van mening dat die kosten niet in rechtstreeks, althans in een te ver verwijderd verband staan met de onderhavige strafbare feiten, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat zij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu in de visie van de verdediging vrijspraak dient te volgen voor de aan de vordering ten grondslag liggende feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering voor een deel ontvankelijk. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn onderbouwd en -mede gelet op de partiële vrijspraak- ten dele aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 1.000,= voor geleden immateriële schade en een bedrag van € 100,= voor kosten rechtsbijstand. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor de kosten van executie van dit vonnis.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde kosten welke zijn gemaakt in de eerdergenoemde procedure in het kader van artikel 12 Sv., komt de rechtbank tot de conclusie dat voor toekenning van een vergoeding voor bijstand van een advocaat in casu geen wettelijke grondslag aanwezig is en dat de benadeelde partij niet in haar verzoek dienaangaande kan worden ontvangen (evenzo Gerechtshof Arnhem 25 juni 2004, LJN AP4515 en Gerechtshof ‘s- Gravenhage 28 januari 2004, LJN AO2525).

De schadevergoedingsmatregel

De rechtbank zal voor de toewijsbare vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, en 36f Sr.

De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt

haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals

hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en

spreekt haar daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Het misdrijf: poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk;

Schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een

bedrag van € 1000,=;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij

gemaakt, tot op heden begroot op € 100,=, alsook in de kosten van betekening van dit

vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de

kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het subsidiair bewezen

verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

€ 1.000,= ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling

noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor

de tijd van 20 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der

Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de

benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen en andersom, als veroordeelde aan

de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot

betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. N.R. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. ter Haar, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2010.