Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN6105

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
112871 / JE RK 10-904 (MH)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verzoek verlenging OTS met instemming van Raad voor de Kinderbescherming. Vader - belanghebbende was in voornemen gezinsvoogdijinstelling niet gekend en beklaagt zich bij Raad. Die doet nieuw onderzoek en vraagt wederom OTS. Kinderrechter wijst af. Doelen al bereikt en of niet bereikbaar. Niet langer bedreiging van ontwikkeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Afwijzing ondertoezichtstelling

zaaknummer: 112871 / JE RK 10-904 (MH)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo d.d. 25 augustus 2010

inzake

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te 7604 AD Almelo, Bellavistastraat 3,

verzoeker,

met betrekking tot de minderjarige:

- [naam kind], geboren te [plaats] in 1994.

De minderjarige is geboren uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[naam moeder], wonende te [woonplaats], [adres]

en [naam vader], wonende te [woonplaats], [adres]

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de moeder;

de vader

en de minderjarige.

Het procesverloop

Op 9 juli 2010 is een verzoekschrift met bijlagen tot ondertoezichtstelling ter griffie ingekomen met betrekking tot de minderjarige.

Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 11 augustus 2010. Ter zitting zijn verschenen: de heer A.A.H. Pots namens de Raad voor de Kinderbescherming, mevrouw S. Schulze namens Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel, de moeder bijgestaan door

mr. A.W. van Rutten en de vader. De standpunten zijn toegelicht. De minderjarige is niet ter zitting verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. Op de in zijn verzoek genoemde en ter zitting nader mondeling toegelichte gronden is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat de ontwikkelingsbedreigingen voor [naam kind] (bijna 16 jaar oud) nog steeds zodanig ernstig zijn dat voor hem een kinderbeschermingsmaatregel asl OTS noodzakelijk is. Kort zakelijk weergegeven stelt de

Raad dat de gronden voor de OTS zoals deze ruim een jaar geleden door hem in het OTS rekest zijn aangegeven niet door het verloop van de OTS zijn weggenomen. De door de gezinsvoogdes gestelde doelen en zorgpunten bestaan volgens hem nog steeds. De OTS is volgens hem ten onrechte in februari 2010 niet meer ter verlengingstoets aan de kinderrechter voorgelegd.

2. Het standpunt van de Raad is, zo is uit de rapportage en ter zitting gebleken, in het bijzonder ingegeven door onvrede van vader over het feit dat de Raad begin 2010 heeft ingestemd met het aan hem bekend gemaakte voornemen van Bureau Jeugdzorg om geen verlenging te vragen. Op grond van de ontvangen rapportage van de gezinsvoogdes was ook de Raad klaarblijkelijk van oordeel dat van de ontwikkelingsbedreigingen geen sprake meer was, althans dat er geen OTS meer nodig was om aan zulke bedreigingen iets te doen. Anders dan de gezinsvoogdes blijkbaar heeft voorgespiegeld, zou vader van het voornemen om af te zien van een verlengingsverzoek en van de eindrapportage niet op de hoogte zijn geweest. Hij heeft daarover een gesprek gehad met de Raad en met de praktijkleidster van de gezinsvoogdes. Dat is kennelijk aanleiding voor de Raad geweest om hernieuwd onderzoek te doen en op grond van de nieuwe rapportage wederom OTS te verzoeken.

3. Moeder en, zo blijkt uit het rapport, ook [naam kind] zijn het met het verzoek niet eens. Zij vinden kort gezegd dat het allemaal prima gaat en dat een gezinsvoogd en OTS niet nodig zijn. Vader wil wel graag OTS. Al was het maar om via een gezinsvoogd op de hoogte te worden gehouden van de ontwikkelingen bij [naam kind] en van bezoeken aan artsen. Hij zegt dat hij nu af en toe tegen deuren oploopt die voor hem niet opengaan, ook al verwijst hij naar zijn juridisch (mede)ouderlijk gezag.

4. De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Uit rapportage noch toelichting daarop blijkt van zodanig ernstige ontwikkelingsbedreigingen bij [naam kind] dat wederom een zwaar middel als de gezagsbeperkende maatregel OTS ingezet moet worden. Thuis bij moeder en bij vader en op school gaat het goed met de jongen. Anders dan voor de eerste OTS periode is hij in het OTS jaar en daarna niet of nauwelijks ziek geweest en aangenomen moet worden dat hij ook niet bij artsen is geweest. In de beschikking waarbij de eerste OTS is uitgesproken heeft de kinderrechter uitdrukkelijk bepaald dat moeder, als zij dacht dat [naam kind] bij een arts aangeboden moest worden, eerst het contact met de gezinsvoogd zou zoeken. Dat blijkt niet te zijn gebeurd en uit het feit dat [naam kind] niet heeft verzuimd mag voorzichtig afgeleid worden dat zij zich aan die afspraak heeft gehouden. In elk geval is niets ernstigs geconstateerd.

5. Het valt geenszins uit te sluiten, zoals in de vorige en de huidige raadsrapportage is vermeld, dat moeder trekken heeft van een vrouw die behept is met het syndroom van Munchhausen by proxy. [naam kind] heeft een leeftijd gekregen dat hij met zijn verstand mans genoeg is om zich tegen eventuele nieuwe pogingen van moeder om hem allerlei onderzoeken te laten ondergaan te verweren. Hij heeft een goed contact met zijn vader, die ook gezag heeft en die op ongeveer steenworpafstand van de woning van [naam kind] en moeder woont. Uit niets is gebleken dat vader niet de mogelijkheid heeft om via goed contact met [naam kind] van alles op de hoogte te zijn. Dat biedt voldoende bescherming, mits vader zijn taak goed oppakt en verantwoordelijkheid neemt.

Overigens is het argument van vader voor wederom OTS, te weten zijn wens om door de gezinsvoogd van alles op de hoogte te worden gehouden, onvoldoende zwaarwegend. Hij kan het [naam kind] zelf ook allemaal vragen en zijn medegezag moet voldoende zijn om relevante informatie van derden (school, artsen, SVB) te krijgen. Daar is een duur instrument als OTS niet voor nodig.

6. Raad en vader maken zich met name zorgen over het feit dat moeder niet van haar gedachte af is te brengen dat [naam kind] een stoornis in het autistisch spectrum (ASS) heeft. Zij veronderstellen dat moeder, als er geen OTS (meer) is, wederom met [naam kind] gaat shoppen om dat via second opinion vastgesteld te krijgen, waar bij eerdere onderzoeken vast is gesteld dat hij geen ASS stoornis heeft. Niet uit te sluiten is dat moeder dat nog steeds denkt. Dat zal ook tijdens de eerste periode van OTS zo zijn geweest. Desondanks heeft zij tijdens dat OTS jaar geen pogingen ondernomen tot zodanig onderzoek en, als overwogen, is het ook niet aannemelijk dat ze [naam kind] zonder OTS weer in een onderzoekscircuit zal weten te brengen. De jongen is, desnoods gesteund door vader, zelf sterk genoeg om dat te voorkomen. Overigens zal ook een gezinsvoogd in het kader van OTS niet bij machte zijn om moeder’s gedachten te veranderen.

7. De OTS zou ook nodig zijn om voor [naam kind] “noodzakelijke hulpverlening” in te zetten. Onduidelijk is gebleven op welke hulp de Raad en – nu ook weer – BJZO het oog hebben. Daar zou toch eerst nader onderzoek voor nodig zijn en terecht merkt moeder op dat zij dat onderzoek (natuurlijk) wel had gewild, maar dat zij het initiatief daarvoor niet heeft durven nemen tijdens de OTS om te voorkomen dat ze wederom van Munchhausen by proxy beticht zou worden. De gezinsvoogdes, op wier weg het dan had gelegen om initiatief te nemen, heeft in het OTS jaar kennelijk ook geen reden gezien voor een onderzoek om vast te stellen of en zo ja welke specifieke hulp voor [naam kind] ingezet zou moeten worden. Als de Raad (en vader) het oog hebben op traumaverwerking vanwege het vaak ten onrechte aan onderzoeken bloot hebben gestaan, dan is het maar de vraag of dat nodig is. [naam kind] zelf lijkt momenteel niet gebukt te gaan onder zijn verleden en functioneert naar behoren.

8. Rest de hulp die moeder volgens de Raad (en nu ook BJZO) voor zichzelf zou moeten zoeken. Onbetwist heeft moeder ter zitting aangegeven dat zij contact heeft gehad met psychiater Sorèl, dat zij gebruik heeft gemaakt van de door deze geadviseerde hulp en dat in gesprek met die hulpverlener in goed overleg is besloten niet met elkaar verder te gaan. Verder heeft zij hulp gezocht en aanvaard van mantelzorg via Humanitas. Met moeder vermag de kinderrechter niet in te zien wat er op dit moment nog meer bij moeder zou moeten gebeuren en evenmin wat daarbij de toegevoegde waarde van een gezinsvoogd zou kunnen zijn.

9. Nu er onvoldoende gronden voor OTS zijn behoort het verzoek te worden afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

1. Wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op < in tegenwoordigheid van mr. S.A. Westerbeek-Nette, griffier