Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN5993

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
09 / 199 BELEI V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieverlening. Betreft de verdeling van het extra orkestenbudget van € 709.000,-- als gevolg van de motie Dittrich voor de subsidieperiode 2009-2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 199 BELEI V1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

Stichting Orkest van het Oosten,

gevestigd te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. F.J. van der Vaart, advocaat te Enschede,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te Den Haag.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 januari 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2008 heeft verweerder aan het bestuur van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten (hierna te noemen: het CNO) meegedeeld op welke wijze het extra orkestenbudget van € 600.000,-- als gevolg van de motie Dittrich in de periode 2009-2012 zal worden besteed en herverdeeld. Tegen dit besluit is op 11 september 2008 namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 september 2008 heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (verder te noemen: de Wsc) subsidie verleend van in totaal

€ 5.305.853,-- voor 2009 en € 5.214.093,-- voor 2010, 2011 en 2012.

Tegen dit besluit is op 13 oktober 2008 namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft verweerder besloten het in het besluit van 16 september 2008 opgenomen subsidiebedrag te verhogen met een bedrag van € 200.053,-- per jaar.

Tegen dit besluit is op 28 november 2008 namens eiseres bezwaar gemaakt.

Eiseres is op 15 december 2008 over haar bezwaren gehoord.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 februari 2009 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend op 25 maart 2009.

Verweerder heeft op 5 juni 2009 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 maart 2010, waar voor eiseres zijn verschenen H.G. Manak en W.E.C. Broekstra, bijgestaan door mr. F.J. van der Vaart voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W.F. den Haring, bijgestaan door mr. J. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend. Verweerder heeft in antwoord op vragen van de rechtbank bij brief van 30 maart 2010 nader bericht. Eiseres heeft bij brief van 26 april 2010 geantwoord. Bij brief van 27 mei 2010 heeft verweerder gereageerd. Vervolgens hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat er een zitting plaats vindt. Op 30 juni 2010 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Gelet op hetgeen in bezwaar en beroep namens eiseres is aangevoerd spitst het onderhavige geschil zich toe op de vraag of de verdeling door verweerder van het extra orkestenbudget van € 709.000,-- als gevolg van de motie Dittrich voor de subsidieperiode 2009-2012 op goede gronden berust.

Het wettelijk kader in deze wordt gevormd door de Wet op het specifiek cultuurbeleid, het op deze wet gebaseerde Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473) en de op dit besluit gebaseerde Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen (verder te noemen de Wsc, respectievelijk het Bekostigingsbesluit en de Regeling).

Ingevolge artikel 2 van de Wsc is verweerder belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.

Op grond van artikel 4 van de Wsc kan verweerder ten behoeve van cultuuruitingen subsidies verstrekken.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4b van de Wsc kan verweerder instellingen of groepen van instellingen aanwijzen ten behoeve waarvan hij telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie verstrekt. De criteria op grond waarvan verweerder beoordeelt of een instelling of een groep van instellingen wordt aangewezen zijn:

a. de onderlinge samenhang binnen een groep van instellingen;

b. de continuïteit van de activiteiten van een instelling of een groep van instellingen; of

c. het specifieke belang van de activiteiten van een te subsidiëren instelling of een groep van

instellingen voor de cultuur in Nederland.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten.

Bij besluit van verweerder van 25 januari 2008 is eiseres met ingang van 1 januari 2009 aangewezen voor een blijvend uitzicht op subsidie op grond van artikel 4b van de Wsc. Ook voor het subsidietijdvak 2005-2008 is aan eiseres subsidie verleend op grond van artikel 4b van de Wsc. In deze periode zijn extra middelen vrijgemaakt voor een aantal orkesten in reactie op een motie van de Tweede Kamer, de zogenoemde motie Dittrich. Het ging daarbij om een bedrag van € 600.000,--, dat in eerste instantie is verdeeld over drie orkesten, te weten Holland Symfonia, het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Orkest van het Oosten (eiseres). Deze orkesten werden daarmee gecompenseerd voor het feit dat zij veelvuldig dans- en operavoorstellingen begeleidden. Deze compensatie betekende dat eiseres voor het subsidietijdvak 2005-2008 elk jaar een bedrag van € 140.000, bij haar basissubsidie opgeteld kreeg. Dat bleef in dat tijdvak zo, ondanks het feit dat als gevolg van een beslissing op bezwaar ook andere orkesten vanwege hun begeleidingsactiviteiten mee gingen delen in het bedrag van € 600.000,--. Om dat resultaat te bereiken heeft verweerder meer subsidie (€ 109.000,--) verleend dan het in eerste instantie beschikbaar gestelde bedrag van € 600.000,--.

Voor de nieuwe subsidieperiode 2009-2012 heeft verweerder besloten het bedrag van

€ 709.000,-- aan extra middelen op grond van de motie Dittrich op een andere wijze te verdelen, namelijk niet naar rato van het aantal begeleidingsactiviteiten van de betreffende orkesten, maar naar rato van de hoogte van de subsidie die elk van de orkesten ontvangt.

Op deze manier ontvangt ieder orkest een evenredig deel van het extra budget.

Blijkens het beroepschrift kan eiseres zich niet verenigen met de wijze van verdeling van het extra budget van € 709.000,-- naar rato van de hoogte van de subsidie die elk van de orkesten ontvangt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder voor de subsidieperiode 2009-2012 had moeten vasthouden aan het oude verdeelmechanisme naar rato van het aantal begeleidingsactiviteiten zoals dat is toegepast in de subsidieperiode 2005-2008.

Tevens bestrijdt zij de correctie op de motie Dittrich ten bedrage van € 76.125,--.

De rechtbank beoordeelt deze geschilpunten als volgt.

Niet in geschil is dat een evenredige verdeling van het extra budget van € 709.000,-- over de betreffende orkesten naar rato van de subsidieomvang voor eiseres een extra bedrag oplevert van € 63.875,-- per jaar. Indien verweerder de oude verdelingsmaatstaf, gehanteerd voor de subsidieperiode 2005-2008, zou hebben toegepast, waarbij als verdelingsmaatstaf de omvang van de begeleidingsactiviteiten gold, zou eiseres een subsidiebedrag van € 62.000,-- hebben ontvangen, aldus verweerder. Eiseres heeft dat bedrag niet bestreden. De conclusie is dat eiseres niet is benadeeld door het hanteren van een nieuwe verdelingsmaatstaf. Eiseres heeft daar nog tegenin gebracht dat zij aanvankelijk € 140.000,-- op jaarbasis kreeg, beduidend meer dan het huidige bedrag van € 63.875,--. De rechtbank wijst er evenwel op dat verweerder aanvankelijk besloten had om het extra budget ingevolge de motie Dittrich te verdelen over slechts drie orkesten voor het verrichten van begeleidingsactiviteiten. Dat standpunt is echter onhoudbaar gebleken zodat het budget over meer orkesten moest worden verdeeld. Verweerder heeft indertijd besloten het oorspronkelijke aandeel van eiseres door middel van extra subsidiëring over de subsidieperiode 2005-2008 in stand te laten en niet te verlagen. Geen rechtsregel verplicht evenwel verweerder om over de nieuwe subsidieperiode hetzelfde te blijven doen. Evenmin is sprake van schending van een beginsel van behoorlijk bestuur. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

Uitgaande van een basisbedrag aan subsidie voor eiseres in het jaar 2008 van € 5.473.737,-- heeft verweerder voor het jaar 2009 een korting van € 76.125,-- op dat basissubsidiebedrag toegepast, zijnde een correctie op de uitvoering van de motie Dittrich. Als gezegd heeft eiseres voor de subsidieperiode 2009-2012 recht op een jaarlijks extra subsidie ingevolge de motie Dittrich van € 63.875,--. Voormelde korting die verweerder heeft toegepast is alleen correct als in het basissubsidiebedrag in het jaar 2008 de extra subsidie van € 140.000,-- ingevolge de uitvoering van de motie Dittrich is begrepen. Dat is inderdaad het geval. Uit de bijlage “subsidie-opbouw” 2005-2008 blijkt dat het subsidie voor 2008 € 5.473.735,-- bedraagt. Uit deze bijlage blijkt ook dat in dat bedrag een verhoging van € 140.000,-- is opgenomen vanwege de motie Dittrich.

Derhalve kan ook deze beroepsgrond niet slagen.

Al met al heeft het lang geduurd voordat verweerder eiseres gemotiveerd heeft kunnen aangeven hoe de vork in de steel zit. In het bestreden besluit noch in het verweerschrift is verweerder er in geslaagd een en ander toereikend te motiveren. Eiseres heeft daar ook op gewezen en betitelt de handelwijze van verweerder als onzorgvuldig. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen, maar omdat het besluit inhoudelijk juist is, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

Verweerder zal worden veroordeeld om de proceskosten te betalen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van verweerder van 15 januari 2009 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 813,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder het griffierecht ad € 288,-- aan eiseres vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 14 JULI 2010.

Afschrift verzonden op

A