Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN5046

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
10 / 801 AW W1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie:

Strafontslag medewerker Universiteit Twente wegens plichtsverzuim bestaande uit het onrechtmatig overmaken van geldbedragen tot een totaalbedrag van ruim 2 miljoen euro ten laste van bankrekeningen van de Universiteit Twente naar een bankrekening van een bevriende relatie in Peru.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 801 AW W1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen, advocaat te Almelo,

en

het College van Bestuur van de Universiteit Twente,

gevestigd te Enschede, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Boiten, werkzaam bij CAPRA te Zwolle.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 16 juni 2010.

2. Procesverloop

Verzoeker was werkzaam als medewerker administratieve processen en systemen bij de afdeling FEZ-FV van de concerndirectie Financiƫle en Economische Zaken van de Universiteit Twente te Enschede.

Bij brief van 12 mei 2010 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen bekend gemaakt om hem de disciplinaire maatregel van strafontslag op te leggen wegens plichtsverzuim bestaande uit het verduisteren van gelden.

Verzoeker heeft op 18 mei 2010 zijn schriftelijke bedenkingen tegen dit voornemen ingediend en heeft zich op 21 mei 2010 mondeling verantwoord ter zake van het hem ten laste gelegde plichtsverzuim.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder op de daarin genoemde gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, verzoeker met ingang van 21 juni 2010 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij bezwaarschrift van 26 juli 2010 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 30 juli 2010 heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 16 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2010, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.M. van Zutphen, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.C. Berger-Roelvink RA, directeur FEZ van de Universiteit Twente, en mr. B.J. Boiten, voornoemd.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter. De definitieve beantwoording van de vraag of de door verzoeker gepleegde feiten zeer ernstig plichtsverzuim opleveren en een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen vraagt nader onderzoek waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent.

Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 16 juni 2010, waarbij verzoeker met ingang van 21 juni 2010 de disciplinaire maatregel van ontslag is opgelegd, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 6.12, lid 1, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) kan de werkgever aan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt een disciplinaire maatregel opleggen welke in verhouding staat tot het plichtsverzuim.

Ingevolge artikel 6.12, lid 2, van de CAO NU omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 6.12, lid 3, van de CAO NU kan de werkgever met betrekking tot het opleggen van een disciplinaire maatregel nadere regels stellen.

Verweerder heeft deze nadere regels vastgesteld in de Regeling Disciplinaire Maatregelen Universiteit Twente 2010 (hierna te noemen: de Regeling), welke op 8 maart 2010 in werking is getreden. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.2, aanhef en onder e, van de Regeling kan de disciplinaire maatregel van ontslag (zonder opzegtermijn) worden opgelegd.

Blijkens het bestreden besluit is verweerder van mening dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, omdat hij op 31 maart 2010 onrechtmatig geldbedragen tot een totaalbedrag van ruim 2 miljoen euro ten laste van bankrekeningen van de Universiteit Twente heeft overgemaakt naar een bankrekening van een bevriende relatie van verzoeker in Peru. Verzoeker heeft zonder toestemming deze betalingen op 31 maart 2010 klaargezet, geautoriseerd en verzonden met gebruikmaking van toegangsmiddelen, wachtwoorden en/of pincodes van zijn leidinggevende(n).

Nadat verzoeker genoemde overboekingen op 5 april 2010 tegenover zijn directe leidinggevende had bekend, heeft verweerder de betrokken banken benaderd en getracht de bedragen te laten terugstorten op de bankrekeningen van de Universiteit Twente. Omdat de bankrekening in Peru waarnaar de bedragen waren overgemaakt was opgeheven voordat de definitieve overboeking was gerealiseerd, waren de bedragen op een tussenrekening gedeponeerd. De overgeboekte bedragen zijn inmiddels teruggeboekt op de bankrekeningen van de Universiteit Twente.

Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de bewuste overboekingen, waarvan door verzoeker niet wordt betwist dat hij deze op 31 maart 2010 heeft verricht, op goede gronden kunnen aanmerken als - zeer ernstig - plichtsverzuim als bedoeld in artikel 6.12, lid 2, van de CAO NU en artikel 3.1 van de Regeling. Het door verzoeker onrechtmatig overboeken van bedragen van bankrekeningen van de Universiteit Twente naar een bankrekening van een bevriende relatie in Peru ten eigen bate, zonder daartoe te zijn geautoriseerd en met gebruikmaking van wachtwoorden en/of pincodes van zijn leidinggevende(n), moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als een handeling die een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort na te laten.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen reden om aan te nemen dat verzoeker deze handeling niet zou kunnen worden verweten. De omstandigheid dat verzoeker door de gang van zaken met betrekking tot de autorisatie van betalingen en het onzorgvuldig omgaan met wachtwoorden en pincodes door zijn leidinggevende(n) in staat was de betreffende overboekingen uit te voeren, ontslaat hem niet van zijn eigen verant-woordelijkheid jegens zijn werkgever en doet niet af aan de ernst van het plichtsverzuim waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.

Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat het plichtsverzuim niet aan verzoeker zou kunnen worden toegerekend, omdat hij - naar eigen zeggen - in een staat van een tijdelijke verstandsverbijstering impulsief zou hebben gehandeld. Deze stelling van verzoeker vindt althans geen bevestiging in de door verzoeker in beroep overgelegde verklaring van Mediant van 27 juli 2010 of andere stukken van medische aard. Bovendien heeft verzoeker alvorens de overboekingen te kunnen uitvoeren de nodige gegevens moeten verzamelen omdat hij niet bevoegd was deze overboekingen zelf te autoriseren. Deze voorbereidingen wijzen niet op een impulsief handelen maar bevestigen veeleer de stelling van verweerder dat verzoeker bewust en weloverwogen heeft gehandeld.

Gelet op het vorenstaande was verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningen-rechter bevoegd verzoeker een disciplinaire maatregel op te leggen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag niet onevenredig worden genoemd, ongeacht of met betrekking tot verzoekers gedragingen ook een strafrechtelijke sanctie zal worden opgelegd. Het feit dat verzoeker de onrechtmatige overboekingen zelf bekend heeft gemaakt en er naar zijn zeggen enkele dagen na 31 maart 2010 alles aan heeft gedaan om deze weer zo spoedig mogelijk ongedaan te maken, wat daarvan verder ook mag zijn, doet niet af aan de ernst van het plichtsverzuim. Door zijn gedragingen heeft verzoeker het vertrouwen dat verweerder in hem als werknemer mocht stellen zodanig beschadigd, dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van verweerder kan worden gevergd het dienstverband met verzoeker, al dan niet in een andere functie, nog langer voort te zetten.

De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er op voorhand geen aanleiding is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Er is derhalve geen reden voor schorsing van dat besluit of het treffen van een andere voorlopige voorziening.

Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

wijst het verzoek af.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010

Afschrift verzonden op

mtl