Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN4846

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
10/828
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het niet frankeren van een envelop met -en het daardoor niet tijdig indienen van deze bescheiden- heeft ertoe geleid dat verzoeker niet is toegelaten tot de opleiding Geneeskunde aan de RUG. De voorzieningenrechter heeft in een voorlopige voorziening het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 828 BESLU V1 V en 10 / 830 BESLU V1 A

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

< verzoeker >,

wonende te < woonplaats >,

gemachtigde: mr. G.B. Meijer, werkzaam bij Stellingwerf Van Beek & Drosten te Enschede,

en

Dienst Uitvoering Onderwijs,

gevestigd te Groningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 juli 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn aanmelding voor de opleiding Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit te Groningen (hierna: RUG) voor het studiejaar 2010/2011 is ingetrokken (lees: vervallen).

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 9 augustus 2010 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker alsnog wordt toegelaten tot de selectieprocedure voor de opleiding Geneeskunde aan de RUG voor het studiejaar 2010-2011.

Verweerder heeft bij schrijven van 12 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 19 augustus 2010, waar verzoeker niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. Hummel-Fekkes.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden verzocht. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoeker ingestelde beroep.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker wil in het studiejaar 2010-2011 de opleiding Geneeskunde aan de RUG volgen; dit is een zogenaamde fixusopleiding, zijnde een opleiding waarvoor krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) een toelatingsbeperking geldt. Het bestuur van de RUG heeft voor de opleiding Geneeskunde gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid gegadigden op grond van artikel 7.57e van de WHW door middel van decentrale selectie in aanmerking te brengen voor de toekenning van een bewijs van toelating. Gebleken is dat verzoeker heeft deelgenomen aan voornoemde decentrale selectie en hiervoor geselecteerd is. Verzoeker is op 17 juni 2010 geslaagd voor zijn eindexamen Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs aan de < naam school > te < vestigingsplaats >. Op 2 juli 2010 is het diploma aan hem uitgereikt.

Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2010 verzoeker verzocht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, vierde lid, onder a, van de Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs van 13 september 1999 (Hierna: de Regeling), om voor 5 juli 2010 de benodigde kopie van de cijferlijst, diploma, of een ander bewijsstuk van de voltooide vooropleiding of de antwoordkaart “Verlate inzending” in te sturen. Verzoeker heeft de gevraagde bescheiden op 3 juli 2010 opgestuurd in de door verweerder verstrekte retourenvelop. Hij heeft deze echter abusievelijk niet gefrankeerd.

Verweerder heeft deze envelop geweigerd en geretourneerd aan TNT. Op 9 juli 2010 heeft verweerder de envelop wederom van TNT ontvangen. Deze keer heeft verweerder de envelop niet geretourneerd, maar behouden en geopend, ten einde te achterhalen wie de afzender was.

Omdat verzoeker niet uiterlijk 5 juli 2010 het gevraagde bewijsstuk van een voltooide vooropleiding heeft ingediend, heeft verweerder op 6 juli 2010 aan verzoeker bericht dat zijn aanmelding voor de opleiding Geneeskunde aan de RUG voor het studiejaar 2010/2011 is ingetrokken (lees: vervallen).

Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar is dit besluit gehandhaafd.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de verzochte bescheiden tijdig zijn opgestuurd en door verweerder zijn ontvangen. Overschrijding van de termijn is verschoonbaar. Verzoeker staat een acht gemiddeld en was reeds decentraal geselecteerd zodat de late ontvangst van de bewijsstukken niet van belang was voor de lotingsprocedure. Verzoeker is niet gehoord.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat volgens vaste jurisprudentie van het indienen van een poststuk eerst sprake is indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken (bijvoorbeeld CRvB 10 december 2002, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AF2958). Eén van de daartoe noodzakelijke handelingen is het zorg dragen voor (een voldoende) frankering. Vast staat dat de benodigde bescheiden in een envelop zijn verstuurd die niet was gefrankeerd, zodat verweerders beslissing dat de bescheiden niet (tijdig) zijn ingediend, dat wil zeggen voor 5 juli 2010, juist is. In dat geval is verweerder op grond van artikel 11 van de Regeling verplicht de aanmelding van verzoeker als vervallen te beschouwen. Niet gebleken is dat verweerder na ontvangst van de envelop met bescheiden op 9 juli 2010 alsnog de aanmelding van verzoeker in behandeling heeft genomen, hetgeen overigens in strijd met de dwingende bepaling van de Regeling zou zijn geweest.

Het niet voldoende frankeren van een envelop is niet verschoonbaar. Wat verzoeker verder nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat artikel 11 van de Regeling verweerder geen beleidsruimte verschaft.

Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, verweerder het horen van verzoeker in bezwaar terecht achterwege heeft kunnen laten.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Vanwege de beslissing op het beroep in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

II Op het verzoek om voorlopige voorziening:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. D.H. Harbers, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 AUGUSTUS 2010