Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN4510

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
112677 / KG ZA 10-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldt een beding van non-concurrentie ook omgekeerd? Met andere woorden: elkaars debiteuren mogen niet benaderd worden, maar geldt dat ook voor de crediteuren? De voorzieningenrechter antwoordt ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 112677 / KG ZA 10-162

datum vonnis: 23 juli 2010 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.S. Rijssen Holding B.V.,

gevestigd te Rijssen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.M.S. Rijssen Holding B.V.,

gevestigd te Rijssen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T.M.B. Groep B.V.,

gevestigd te Rijssen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rijssense Metselwerken B.V.,

gevestigd te Rijssen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T.M.B.-Bouwservice B.V.,

gevestigd te Rijssen,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Flexteam Oost B.V.,

gevestigd te Rijssen,

eiseressen,

verder te noemen in vrouwelijk enkelvoud TMB,

advocaat: mr. W.M.T. Raamsman te Enschede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.H.W. Holding B.V.,

gevestigd te Vroomshoop,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.H.W. Bouwdiensten B.V.,

gevestigd te Vroomshoop,

gedaagden,

verder te noemen in vrouwelijk enkelvoud JHW,

advocaat: mr. A.J. ter Wee te Zwolle.

Het procesverloop

TMB heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 16 juli 2010. Ter zitting zijn verschenen:

De heer [A] en de heer [B] namens TMB, vergezeld door mr. Raamsman en de heer [X] en de heer [Y] namens JHW, vergezeld door mr. Ter Wee. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Partijen drijven ieder voor zich een onderneming die zich richt op het uitzenden en detacheren van – kort gezegd – in personeel in bouw, schoonmaak en techniek. Aanvankelijk hebben partijen samengewerkt op dit gebied. Deze samenwerking is vastgelegd bij notariële akte van 11 april 2008.

Na ongeveer een jaar hebben partijen besloten de samenwerking te beëindigen en de onderneming te splitsen. In het kader van de voorgenomen splitsing hebben partijen op

22 mei 2009 een intentieovereenkomst ondertekend.

De intentieovereenkomst heeft uiteindelijk geresulteerd in de overeenkomst tussen partijen van 23 oktober 2009. In deze overeenkomst is een non-concurrentiebeding en relatiebeding opgenomen, zoals dat ook al was opgenomen in de intentieovereenkomst. Dit beding luidt – voor zover van belang – als volgt:

9.2 In het kader van de onderhavige verkoop van Aandelen en Activa/Passiva zijn Partijen overeengekomen dat het JHW Holding en JHW Bouwdiensten verboden is om gedurende een periode van twee jaar na 15 juli 2009, direct of indirect, enigerlei zaken te onderhouden met de relaties van Kopers, TMB Groep en de Werkmaatschappijen met uitzondering van de relaties die onderdeel uitmaken van de Activa/Passiva.

9.3 Onder zaken onderhouden met relaties als bedoeld in dit artikel dient ondermeer doch niet uitsluitend te worden verstaan het offreren of verrichten van werkzaamheden voor of ten behoeve van die relaties en/of, het via derden uitvoeren van werkzaamheden voor of ten behoeve van die relaties en/of het hebben en/of onderhouden van commerciële contacten met die relaties, alles in de ruimste zin des woords. Daaronder vallen uiteraard niet zaken zoals receptiebezoek of toevallige ontmoetingen in het maatschappelijk verkeer.

Aan de hand van een uitdraai uit de debiteurenadministratie van de toen nog gezamenlijke onderneming, zijn de bestaande relaties tussen partijen ‘verdeeld’. Die verdeling heeft plaatsgevonden door op voornoemde uitdraai de naam [voornaam] ([X]) dan wel de namen ‘[voornaam]’ ([B]) te vermelden in de vier na laatste kolom.

De relatie DIT Bouw & Techniek (hierna te noemen: DIT) is toebedeeld aan TMB.

De vorderingen van TMB en haar onderbouwing daarvan

2. Bij dagvaarding vordert TMB:

I. een verbod voor JHW om direct of indirect enigerlei zaken te onderhouden met de relaties die aan TMB zijn toebedeeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. veroordeling van JHW – hoofdelijk – tot het betalen van de verbeurde contractuele boete van € 100.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010;

III. veroordeling van JHW – hoofdelijk – in de kosten van deze procedure.

2.1 TMB stelt daartoe – kort gezegd – dat JHW het non-concurrentiebeding en het relatiebeding heeft overtreden. JHW heeft immers een klant van TMB benaderd. Deze klant, DIT is aan TMB toebedeeld. JHW heeft arbeidskrachten van DIT ingeleend. Uit de facturen van DIT blijkt dat JHW in ieder geval in de periode van 22 februari 2010 tot en met 30 mei 2010 zeven arbeidskrachten bij DIT heeft ingeleend.

2.2 Daarmee staat volgens TMB buiten kijf dat JHW in strijd met het non-concurrentiebeding en relatiebeding uit de overeenkomst tussen partijen heeft gehandeld. Immers, onder ‘zaken onderhouden’ valt in ieder geval het hebben en/of onderhouden van commerciële contacten in de ruimste zin van het woord. Daaronder valt ook het inlenen van arbeidskrachten.

2.3 Aldus heeft TMB de contractuele boete verbeurd tot het maximale boetebedrag van

€ 100.000,00.

2.4. TMB concludeert dan ook dat zij recht en spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorzieningen als gevorderd.

Het verweer van JHW

3. JHW voert verweer, concludeert tot afwijzing van de vorderingen en stelt daartoe – kort gezegd – het navolgende.

3.1 In de eerste plaats heeft JHW Holding geen zaken onderhouden met DIT. Alle vorderingen ten aanzien van JHW Holding dienen derhalve te worden afgewezen; JHW Holding oefent enkel holdingactiviteiten uit voor [X]. De daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten vinden plaats in de werkmaatschappij JHW Bouwdiensten.

3.2 In de tweede plaats dient het non-concurrentiebeding en het relatiebeding niet zo te worden uitgelegd dat daaronder ook valt het inlenen van personeel van relaties zoals DIT. Uit de opzet van artikel 9 uit de overeenkomst van 23 oktober 2009 kan zulks in ieder geval niet worden afgeleid. Als een andere uitleg zou worden gehanteerd, zou het ook nog eens zo zijn dat het derden – namelijk de verdeelde relaties – verboden is om diensten te leveren aan de andere partij. Dat is onlogisch, onwerkbaar en ook niet bedoeld. Er is dan ook geen contractuele boete verbeurd aan de zijde van JHW.

3.3 Ten aanzien van de gevorderde boete stelt JHW – subsidiair – nog dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat de boete ook verkeerd is berekend. Als er al een boete verbeurd is, dient deze te worden gematigd.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft TMB voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang bij haar verbodsvordering heeft. Dat is als zodanig ook niet betwist door JHW, zodat de voorzieningenrechter op dit punt toekomt aan een materiele beoordeling van het geschil.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil is dat er tussen hen een non-concurrentiebeding geldt. De inhoud van de bijbehorende lijst met relaties (die tussen partijen verdeeld zijn) vormt ook geen punt van discussie. Dat geldt ook voor de vraag in hoeverre het partijen is toegestaan om relaties die aan de wederpartij zijn toebedeeld, te bedienen. Dat mag niet, op grond van de overeenkomst.

4.2 In de onderhavige procedure staat vast dat DIT diensten heeft geleverd aan JHW, bestaande uit het uitlenen van personeel aan JHW. DIT is daarmee crediteur van JHW geworden. Volgens TMB betekent dit een overtreding van het non-concurrentie en relatiebeding. TMB kan hier echter niet in worden gevolgd. Daartoe heeft het navolgende te gelden.

4.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient te worden nagegaan welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan het non-concurrentie en relatiebeding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten. De omstandigheden van het geval zijn daarvoor bepalend.

4.4 In de eerste plaats is van belang dat partijen hun onderneming gesplitst hebben. Elk van partijen blijft echter activiteiten ontplooien op dezelfde markt als voorheen toen zij nog samen optrokken. Die activiteiten betreffen in hoofdzaak het uitlenen van personeel aan derden. Daarmee verdienen partijen hun geld. Het beschermen van hun eigen deel van de markt moet daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook worden aangemerkt als een belangrijke grond, zo niet de belangrijkste grond, voor het opnemen van een non-concurrentie en relatiebeding in de beëindigingovereenkomst. Dat is niet uniek, in meer algemene zin is dit een gebruikelijke manier om het eigen deel van de markt voor een bepaalde tijd te kunnen beschermen om – onder meer – daardoor de continuïteit van de eigen onderneming te kunnen waarborgen. Voornoemde uitleg wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigd door de omstandigheid dat partijen bij de verdeling van de markt zijn uitgegaan van een uitdraai uit de debiteurenadministratie. Het voert te ver om aan te nemen dat het non-concurrentie en relatiebeding eveneens in omgekeerde zin geldt, namelijk dat er geen diensten mogen worden betrokken van de ondernemingen die vermeld staan op de bewuste lijst. De formulering van het non-concurrentie en relatiebeding geeft daartoe, in weerwil van hetgeen TMB betoogt, geen aanleiding. Weliswaar is het beding ruim geformuleerd en ook gepreciseerd, maar dat moet in het licht van het vorenstaande worden uitgelegd, namelijk om te voorkomen dat er direct of indirect toch diensten worden geleverd aan de reeds bestaande relaties. Ook de zinsnede ‘onderhouden van commerciële relaties’ moet in die zin worden uitgelegd. De toevoeging ‘in de ruimste zin des woords’ maakt dit niet anders.

4.5 Dat partijen wellicht een bijzondere onderneming drijven, namelijk een onderneming die zowel personeel uit- als inleent, maakt het vorenstaande niet anders. Zoals reeds overwogen wordt de kern van beide ondernemingen immers gevormd – en daar wordt het geld mee verdiend – door het uitlenen van personeel. Het beding heeft betrekking op dit uitlenen, niet op inlenen van personeel.

4.6 Aldus is er geen sprake van overtreding van het non-concurrentie en relatiebeding aan de zijde van JHW en dienen de vorderingen van TMB te worden afgewezen. De overige stellingen van partijen ten aanzien van de vraag of JHW Holding B.V. al dan niet terecht (mede) is gedagvaard en ten aanzien van de contractuele boete, behoeven geen nadere bespreking.

4.7 TMB zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure als na te melden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vorderingen van TMB af.

II. Veroordeelt TMB hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van JHW begroot op € 263,-- aan verschotten en € 816,-- aan salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.