Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN4472

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
102947 ha za 09-656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na onderhandeling wordt overeenkomst over overname assurantieportefeuille gesloten. Na nadere (?) bestudering van de portefeuille sluiten partijen nieuwe overeenkomst met een lagere koopprijs. Vervolgens beroepen kopers zich op dwaling met verwijzing naar gegevens die zij bij het sluiten van in ieder geval de tweede overeenkomst al hadden en wensen zij halvering van de koopprijs. Zo al dwaling dan is die onverschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 102947 ha za 09-656

datum vonnis: 18 augustus 2010 (mv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [Eiser sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten

2. [vennoot sub 1],

en

3. [vennoot sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten

5. [vennoot sub 3],

en

6. [vennoot sub 4] ,

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder te noemen (eisers],

advocaat: mr. H. Dijks,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat mr. M.J.J. van Geel.

Het procesverloop

De rechtbank neemt over hetgeen over het procesverloop in het tussenvonnis van 16 september 2009 is overwogen.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 13 mei 2009 hebben [eisers] verlof gekregen tot het leggen van conservatoire beslagen. Deze beslagen zijn op 14 mei 2009 gelegd.

[Eisers] hebben op 28 oktober 2009 geantwoord in reconventie.

De in het tussenvonnis van 16 september 2009 gelaste comparitie van partijen is op verzoek van partijen niet doorgegaan.

Partijen hebben vervolgens in conventie en reconventie gerepliceerd en gedupliceerd.

Tenslotte is vonnis gevraagd.

De overwegingen

In conventie en reconventie.

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Op 16 oktober 2008 is tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde] anderzijds een koopovereenkomst gesloten waarbij [eisers] de verzekeringsportefeuille, cliëntenportefeuille en goodwill van [gedaagde] hebben gekocht voor een prijs van € 82.500,--. Bij brief van 3 november 2008 hebben [eisers] [gedaagde] meegedeeld af te zien van de overname. Als reden is opgegeven dat de assurantieportefeuille in aard en omvang in belangrijke mate afwijkt van de door [gedaagde] geschetste situatie. In de brief van 3 november 2008 spreken [eisers] de bereidheid uit een nieuwe overeenkomst aan te gaan tegen een koopprijs van maximaal € 70.500,--.

Met ontbinding van de op 16 oktober 2008 gesloten overeenkomst hebben partijen na nadere onderhandeling op 5 november 2008 een nieuwe koopovereenkomst gesloten, waarbij de prijs is bepaald op € 75.857,--. Voorts is in de overeenkomst vermeld dat de gegevens waarop de koopprijs is gebaseerd zijn: ongeveer 330 actieve relaties en ongeveer € 24.000,-- doorlopende provisie per jaar.

[Eiser sub 1] heeft € 28.000,-- aan [gedaagde] betaald en [eiser sub 2]

€ 35.000,--. Daarnaast is een bedrag van € 5.857,-- in depot gestort.

Bij brief van de advocaat van [eisers] van 31 december 2008 is de vernietiging van een deel van de overeenkomst van 5 november 2008, namelijk de koopprijs, ingeroepen, met een beroep op dwaling.

In conventie.

2. [Eisers] vorderen, kort weergegeven, primair een verklaring voor recht dat zij de koopovereenkomst van 5 november 2008 terecht hebben vernietigd wat betreft de koopsom, met vaststelling van de koopsom nader op € 37.928,50, subsidiair dat de rechtbank die vernietiging uitspreekt met vaststelling van de koopsom op € 37.928,50, met veroordeling van [gedaagde] (de rechtbank beschouwt de door [eisers] gebezigde begrippen gedaagden en hoofdelijkheid als een kennelijke verschrijving) tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 31.334,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2009 en € 1.158,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

[Eisers] stellen daartoe onder meer het volgende. De overeenkomst van

5 november 2008 is tot stand gekomen onder invloed van dwaling dan wel bedrog. In artikel 8c van de overnameovereenkomst garandeert [gedaagde] dat de door hem verstrekte gegevens juist zijn.

Op 16 oktober 2008 ontvingen [eisers] het zogenoemde ANVA-overzicht waaruit bleek dat de voorafgaand aan de overeenkomst van 16 oktober 2008 door [gedaagde] verstrekte gegevens over aantal klanten en dergelijke niet juist waren.

De gegevens waarop de koopprijs in de overeenkomst van 5 november 2008 vervolgens is gebaseerd, zijn ongeveer 330 actieve relaties en ongeveer € 24.000,-- doorlopende provisie per jaar. [Eisers] hadden [gedaagde] kenbaar gemaakt slechts geïnteresseerd te zijn in een regionale portefeuille, dit was een essentieel punt. [Gedaagde] heeft gesteld dat dat het geval was: 70% van de klanten zou in Almelo en omstreken wonen. Dat blijkt niet het geval te zijn.

Daarnaast ligt het aantal opzeggingen ver boven het gemiddelde terwijl [gedaagde] heeft verklaard dat het aantal opzeggingen “gemiddeld” was.

[Eisers] zijn er bij de bepaling van de koopprijs vanuit gegaan dat de schadeverzekeringen de gebruikelijke vijfjarige contractstermijn zouden hebben, maar een aanzienlijk deel van de overeenkomsten kent een looptijd van één jaar.

De leeftijd van de klanten van [gedaagde] is ook ver bovengemiddeld en een oude klantenkring is minder waard dan een jongere. Daarenboven is een deel van de polissen verouderd.

Dit alles bleek eerst nadat op 6 november 2008 de dossiers bij [gedaagde] waren opgehaald en er actuele overzichten van verzekeraars waren ontvangen.

[Eisers] hebben bij brief van 31 december 2008 de koopovereenkomst vernietigd waar het betreft de overeengekomen prijs. [Eisers] hebben de koopsom gesteld op 50% van de overeengekomen prijs, op een bedrag van € 37.928,50 derhalve. [Eisers] hebben voldaan een bedrag van € 68.857,-- en vorderen nu wegens te veel betaalde koopprijs € 30.928,50 terug, te vermeerderen met rente en kosten.

3. [Gedaagde] verweert zich, kort weergegeven, als volgt. De koopovereenkomst van 16 oktober 2008 kende een hogere koopprijs, namelijk € 82.500,--. Op 31 oktober 2008 vernam [gedaagde] dat een grote klant ([naam]) diens verzekeringen elders ging onderbrengen en dat heeft [gedaagde] onmiddellijk aan [eisers] laten weten. Die mededeling was voor [eisers] aanleiding de koopovereenkomst ter discussie te stellen en verder onderzoek te verrichten naar de portefeuille van [gedaagde]. Op 3 november 2008 lieten [eisers] weten van de overname af te zien. Bij brief van de advocaat van [gedaagde] van 4 november 2008 zijn [eisers] gesommeerd de koopovereenkomst van 16 oktober 2008 na te komen. Volgens [gedaagde] was er sprake van een onomkeerbare situatie daar alle klanten- en contractsgegevens al in het bezit waren gesteld van [eisers] en [gedaagde] zijn bedrijfspand inmiddels per 1 november 2008 had verhuurd, zodat [gedaagde] de portefeuille niet zou kunnen voortzetten. Gelet op deze onmogelijke positie heeft [gedaagde] ingestemd met een verlaging van de koopsom, waarna de overeenkomst van 5 november 2008 is aangegaan. Op die datum was de volledige portefeuille dus al in het bezit van [eisers]. De passage dat de portefeuille uit 330 actieve relaties bestaat en ongeveer € 24.000,-- aan doorlopende provisie oplevert, is door [eisers] in de overeenkomst vermeld, naar aanleiding van het door [eisers] nader uitgevoerde onderzoek.

Voorafgaand aan de koopovereenkomst van 16 oktober 2008 beschikten [eisers] al over alle klantengegevens (adres, relatienummer, geboortedatum, polis- en premiegegevens) en omzetgegevens (verstrekt door Rooks, de accountant van [gedaagde]). [Gedaagde] heeft de door [vennoot sub 3] bij mail van 13 oktober 2008 (productie 9 bij conclusie van antwoord) verzochte gegevens verstrekt: derhalve alle gegevens die [eisers] wensten te hebben. Zo [eisers] deze niet hebben onderzocht, dient dat voor hun risico te blijven.

Er is derhalve geen sprake van dwaling of bedrog: [eisers] beschikten over alle relevante gegevens. Wat er na de overdracht met de portefeuille is gebeurd, weet [gedaagde] niet, maar is voor rekening en risico van [eisers]. Het ontgaat [gedaagde] volkomen hoe [eisers] nu aan een koopprijs van € 37.928,-- komen en zij verschaffen daarover ook geen duidelijkheid. [Gedaagde] betwist dat er enige reden is om op de overeengekomen koopprijs terug te komen. [Gedaagde] betwist dat er reden is voor vernietiging.

4. Voor een geslaagd beroep op bedrog moet er sprake zijn van: iemand tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling bewegen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep. Er moet dus sprake zijn van willens en wetens (bewust) misleiden. [Eisers] hebben onvoldoende feiten gesteld die, zo al bewezen, tot de conclusie leiden dat [gedaagde] hen willens en wetens heeft misleid, heeft bedrogen. De vorderingen zijn op deze grondslag derhalve niet toewijsbaar.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of aan alle vereisten van dwaling is voldaan. Zelfs indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat aan alle vereisten van dwaling is voldaan, geldt dat die dwaling niet verschoonbaar is. [Eisers] hebben voorafgaand aan de eerste overeenkomst met [gedaagde] onderhandeld en hebben bij mail van 13 oktober 2008 een (uitvoerige en gespecificeerde) opgave gevraagd van het klantenbestand van [gedaagde] (de gegevens uit Anva). Deze opgave is door [gedaagde] verstrekt. Mede aan de hand van deze opgave hebben [eisers] zich een beeld gevormd van de aard en omvang van de portefeuille, die zij vóór de aanschaf al beschouwden als “een wat minder goed onderhouden klantenbestand wegens ziekte”. Die aard en omvang waren, samen met de opzegging door een grote klant, voor [eisers] aanleiding [gedaagde] te melden dat zij van de overeenkomst van 16 oktober 2008 afzagen. Letterlijk hebben [eisers] [gedaagde] bij brief van 3 november 2008 laten weten: “Pas na het tekenen van het contract op 16 oktober is ons duidelijk geworden dat de werkelijke situatie in belangrijke mate afwijkt van de door u geschetste aard en omvang van de assurantieportefeuille.” [Eisers] hebben in deze brief een concreet voorstel voor een andere koopprijs gedaan. Vervolgens hebben partijen nader onderhandeld en is de koopprijs nader (en lager) vastgesteld. Dat was dus op een moment dat [eisers] naar eigen zeggen van de werkelijke situatie, die volgens hen anders was dan [gedaagde] eerder had gemeld, op de hoogte waren. Zo er van moet worden uitgegaan dat [eisers] ook na nadere bestudering van alle door hen gevraagde gegevens nog steeds niet op de hoogte waren, geldt dat een als gevolg daarvan aan hun zijde ontstane dwaling onverschoonbaar is. Daar komt nog bij dat een aanmerkelijk deel van de feiten/gegevens waarop de nadere klachten van [eisers] betrekking hebben (woonplaats verzekerden in Almelo, leeftijd van de verzekerden, looptijd van de verzekeringen), zonder enige moeite uit de zogenaamde Anva-lijst waren te halen. Voorts is door [eisers] niet, met cijfers onderbouwd, gesteld dat de provisie uit de overgenomen portefeuille afwijkt van de besproken provisieopbrengst.

6. Op grond van het hiervoor overwogene dienen de vorderingen van [eisers] te worden afgewezen. [Eisers] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden veroordeeld.

In reconventie.

7. [Dedaagde] vordert (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] tot betaling van een bedrag van € 7.000,-- vermeerderd met € 768,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten en vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2008, een veroordeling van [eisers] tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (bedoeld zal zijn: de dag van instellen van de eis in reconventie) en een veroordeling van [eisers] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding tot een bedrag van € 4.113,29 vermeerderd met wettelijke rente, alles met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding.

[Gedaagde] stelt daartoe onder meer dat [eisers] in gebreke zijn de restantkoopsom te betalen. Ter incassering daarvan heeft [gedaagde] kosten moeten maken. Doordat [eisers] de koopovereenkomst van 5 november 2008 niet naar behoren zijn nagekomen, heeft [gedaagde] zijn onderneming nog niet fiscaal kunnen afsluiten en een kredietfaciliteit niet kunnen aflossen zodat hij restschade lijdt. Die restschade bestaat uit een debetrente van € 1.100,-- per kwartaal wegens een debetstand van € 52.900,--. In verband met een door [gedaagde] aan [eisers] verstrekte bankgarantie staat een bedrag van € 45.000,-- “vast” en dat bedrag kan door [gedaagde] dus niet worden gebruikt om de debetstand in te lossen. Daarnaast moet [gedaagde], omdat hij door de wanprestatie van [eisers] de aangifte inkomstenbelasting 2008 niet kan afwerken, heffingsrente betalen, vanaf 1 december 2008 een schadepost van € 150,-- per maand. De boekhouder van [gedaagde] heeft wegens de huidige procedure extra werkzaamheden moeten verrichten, hetgeen een schade van € 560,-- oplevert.

8. [Eisers] verweren zich, kort weergegeven, als volgt. Op de gronden van hun conventionele vordering stellen [eisers] niets meer wegens koopsom aan [gedaagde] verschuldigd te zijn. Buitengerechtelijke incassokosten zijn er niet gemaakt, hoogstens enige standaardbrieven en werkzaamheden ter instructie van deze zaak. [Eisers] betwisten dat [gedaagde] 2008 fiscaal nog niet kan afwikkelen en met rente wegens een debetstand van € 52.900,-- hebben [eisers] niet te maken, zeker niet nu [gedaagde] ruim 90% van de koopsom reeds in 2008 heeft ontvangen.

9. Nu in conventie is geoordeeld dat de koopovereenkomst van 5 november 2008 niet is vernietigd en er verder in reconventie geen andere grondslag van verweer is gesteld, dient deze overeenkomst (volledig) te worden nagekomen. Dat betekent dat de hoofdsom van

€ 7.000,-- dient te worden toegewezen. Nu niet is gebleken van een ingebrekestelling (per 1 december 2008) is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 2 september 2009, de dag van het instellen van de eis in reconventie.

10. De rechtbank is niet gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden die vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten rechtvaardigen. Hetgeen ten bewijze van die werkzaamheden is gesteld en overgelegd, wijst slechts op werkzaamheden in het kader van de onderhavige procedure. De vordering wegens buitengerechtelijke incassokosten dient dus te worden afgewezen.

11. Ook het gevorderde voorschot zal worden afgewezen. De vordering tot betalen van schadevergoeding wegens heffingsrente ontbeert een behoorlijke grondslag: niets let(te) [gedaagde] een voorlopige aangifte over 2008 te doen en het bedrag van de daaruit volgende voorlopige aanslag te voldoen. Eventuele consequenties van het meningsverschil over de definitieve koopprijs kunnen later worden gemeld bij de fiscus. [Gedaagde] heeft daar niet voor gekozen. De als gevolg daarvan kennelijk opgelegde heffingsrente is dus het gevolg van het handelen van [gedaagde] en kan niet aan [eisers] worden verweten.

De rente over de debetstand bij de ING-bank claimt [gedaagde] als schade, ten dele het gevolg van het feit dat [eisers] niet de restantkoopsom van € 7.000,-- hebben betaald en het feit dat hij € 45.000,-- bij de bank gereserveerd dient te houden. Nu de vordering van € 7.000,-- wordt toegewezen inclusief wettelijke rente is daarmee de renteschade vergoed en kan deze niet nogmaals worden toegewezen. Het bedrag van

€ 45.000,-- dat [gedaagde] naar zijn zeggen bij de bank gereserveerd dient te houden wegens de bankgarantie zal ook (zij het een lagere) rente opleveren. Dienaangaande is niets gesteld. De rechtbank is op dit moment dan ook niet in staat te beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van renteschade en, zo ja hoeveel, zodat ook dit deel van het voorschot dient te worden afgewezen.

De geclaimde vergoeding wegens kosten van de boekhouder worden afgewezen: blijkens de inhoud van de overgelegde producties gaat het ofwel om werkzaamheden die los van deze procedure toch al verricht moeten worden (fiscale werkzaamheden) dan wel zijn het toelichtingen op hetgeen zich in het verleden heeft afgespeeld en zo deze kosten al als kosten van verweer moeten worden beschouwd, komen deze niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

12. De vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat is wel toewijsbaar. Zoals in rechtsoverweging 11 is overwogen zal er in ieder geval enige renteschade zijn. Voorts noemt [gedaagde] de kosten van het inlossen en opheffen van de kredietfaciliteit met als grondslag dat die nu onmogelijk zijn wegens het gelegde beslag. Nu de vordering waarvoor dit beslag is gelegd wordt afgewezen, kan het zijn dat het beslag heeft geleid tot schade, door [eisers] te vergoeden. Op deze grondslagen is de vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat toewijsbaar als na te melden.

13. [Eisers] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden veroordeeld.

Rechtdoende:

in conventie:

I. Wijst het gevorderde af.

II. Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 715,-- aan verschotten en € 1.158,-- wegens het salaris van de advocaat.

In reconventie:

III. Veroordeelt [eisers] hoofdelijk, in die zin dat indien de een betaalt de ander is gekweten, aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.000,-- (zevenduizend euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2009 tot de dag der algehele voldoening.

IV. Verklaart dictumonderdeel III uitvoerbaar bij voorraad.

V. Veroordeelt [eisers] tot betaling aan [gedaagde] van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2009.

VI. Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil aan verschotten en € 452,-- wegens het salaris van de advocaat.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven en is op 18 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.