Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN3375

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
10 / 722 WET AQ1 V + 10 /723 WET AQ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De bevoegdheid Versnelde Afgifte tijdelijk ingetrokken voor een periode van zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 722 WET AQ1 V + 10 /723 WET AQ1 A

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[bedrijfsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats], verzoekster,

en

de Directie van de Dienst Wegverkeer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 9 juli 2010.

2. Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 9 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen zijn besluit van 6 mei 2010, waarbij hij de bevoegdheid Versnelde Afgifte (hierna: de bevoegdheid VA) van verzoekster tijdelijk heeft ingetrokken voor een periode van zes weken, ongegrond verklaard en zijn besluit van 6 mei 2010 gehandhaafd.

Bij brief van 13 juli 2010 heeft verzoekster tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit, dit met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Bij brief van 14 juli 2010 heeft verweerder laten weten dat de sanctie zal worden opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Bij brief van eveneens 14 juli 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Verweerder heeft op 20 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft op 26 juli 2010 de gronden van het beroep aangevuld.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 27 juli 2010, waar verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door [naam eigenaar], terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door I.J. Brouwer.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoekster ingestelde beroep.

Kern van het geschil

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot tijdelijke intrekking van de bevoegdheid VA van verzoekster voor de periode van zes weken.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan de Dienst Wegverkeer aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen aan de erkenning bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden verbonden. De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Kentekenreglement. Op grond van artikel 46, eerste lid, van het Kentekenreglement wordt een erkenning als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de WVW, verleend teneinde voertuigen met behulp van een bedrijfsvoorraadpas in de bedrijfsvoorraad op te nemen. Ingevolge het tweede lid, onder b, kan aan de erkenning worden verbonden de bevoegdheid tot het aanvragen van nog niet tenaamgestelde kentekenbewijzen.

Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW kan een erkenning door de Dienst Wegverkeer worden ingetrokken of gewijzigd, indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meerdere uit die erkenning voortvloeiende verplichtingen.

De uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling heeft de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement betrekking op de aanvraag van nog niet tenaamgestelde kentekenbewijzen zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig en zonder afzonderlijke controle op de afdracht van de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten.

Artikel 9, tweede lid, van de Regeling bepaalt dat het erkende bedrijf er zorg voor draagt dat bij voortduring wordt voldaan aan de eisen en voorschriften die gelden voor de erkenning.

Artikel 13, achtste lid, onder e, van de Regeling bepaalt dat voor zover de bevoegdheid betrekking heeft op de bevoegdheid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, het erkende bedrijf de door de Dienst Wegverkeer te bepalen gegevens met betrekking tot het voertuig dient te verstrekken, welke gegevens overeen dienen te komen met de gegevens op het certificaat van overeenstemming (hierna: het CVO).

Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de regels voor erkenninghouders bedrijfsvoorraad aan wie de bevoegdheid VA is verleend, voert verweerder beleid dat is neergelegd in de zogeheten toezichtbeleidsbrief “Het toezichtbeleid op de bevoegdheid versnelde afgifte” (hierna: de Beleidsbrief) van 19 december 2006, die aan elke erkenninghouder is verstrekt.

Volgens dit beleid wordt, wanneer twee waarschuwingen zijn opgelegd, bij een volgende overtreding in de regel een (tijdelijke) intrekking opgelegd. Een waarschuwing is vanaf de datum van verzending een jaar geldig.

Standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de in het primaire besluit opgelegde sanctie, inhoudende dat de bevoegdheid VA van verzoekster tijdelijk is ingetrokken voor de duur van zes weken, gehandhaafd. De sanctie is opgelegd omdat op 16 april 2010 naar aanleiding van een interne controle door verweerder is geconstateerd dat de gegevens van het voertuig met het kenteken [kentekennummer], waarvoor een niet tenaamgesteld kenteken is aangevraagd, niet overeenkomen met de op het CVO vermelde gegevens en/of de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. Verzoekster heeft hierdoor niet voldaan aan artikel 13, achtste lid, onder e, van de Regeling. Verweerder heeft de bevoegdheid VA van verzoekster tijdelijk ingetrokken voor de duur van zes weken omdat voorafgaand aan de tijdelijke intrekking korter dan één jaar geleden twee waarschuwingen zijn opgelegd op respectievelijk 2 februari 2010 en 3 maart 2010. Gelet op het feit dat bij de totstandkoming van de Beleidsbrief reeds rekening is gehouden met het feit dat erkende bedrijven schade lijden en hinder ondervinden door een sanctie als de onderhavige is verweerder van mening dat de opgelegde sanctie redelijkerwijs niet als onevenredig zwaar is aan te merken.

Standpunt verzoekster

Verzoekster heeft – samengevat – aangevoerd dat bij de laatste controle per abuis het verkeerde CVO is opgestuurd. Na ontvangst van de e-mail van verweerders medewerker, met de mededeling van de fout, heeft verzoekster onmiddellijk een afbeelding van het correcte CVO per e-mail verzonden. Het is volgens verzoekster dan ook ontzettend kinderachtig van deze medewerker om dit foutje alsnog te melden. Verzoekster voert aan dat afgezien daarvan de opgelegde sanctie zeer schadelijk en hinderlijk voor haar bedrijf is. Verzoekster kan namelijk in Nederland geen scooters afleveren zonder een kentekenbewijs en juist in de zomer zijn het topdagen. Verzoekster voert aan dat er iedere veertien dagen 150 scooters arriveren die afgeleverd moeten worden. In principe kan verzoekster dus zes weken de deuren sluiten en haar personeel (vier man) naar huis sturen. Gelet hierop kan verzoekster verweerders standpunt niet volgen dat de sanctie redelijkerwijs niet als onevenredig zwaar is aan te merken.

Overwegingen van de voorzieningenrechter

Tijdens een door verweerder gehouden interne controle op 1 februari 2010 is geconstateerd dat, in strijd met artikel 13, achtste lid, onder e, van de Regeling, de gegevens van het voertuig met kenteken [kentekennummer], waarvoor een niet tenaamgesteld kenteken is aangevraagd, niet overeenkomen met de op het CVO vermelde gegevens en/of de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. Hetgeen niet overeenkomt is het Voertuig Identificatie Nummer (hierna: het VIN). Verweerder heeft verzoekster bij brief van 2 februari 2010 gewaarschuwd en meegedeeld dat een waarschuwing voor één jaar gehandhaafd blijft.

Op 11 februari 2010 is tijdens een door verweerder gehouden controle geconstateerd dat, in strijd met artikel 13, achtste lid, onder e, van de Regeling, de gegevens van het voertuig met kenteken [kentekennummer], waarvoor een niet tenaamgesteld kenteken is aangevraagd, niet overeenkomen met de op het CVO vermelde gegevens en/of de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. Hetgeen niet overeenkomt is het VIN. Verweerder heeft verzoekster bij brief van 3 maart 2010 gewaarschuwd en meegedeeld dat een waarschuwing voor één jaar gehandhaafd blijft. Tevens heeft verweerder verwezen naar de eerste waarschuwingsbrief van 2 februari 2010. Voorts heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat indien wederom een overtreding van de voorschriften wordt geconstateerd, haar bevoegdheid VA tijdelijk of definitief kan worden ingetrokken of kan worden geschorst.

Op 16 april 2010 is tijdens een door verweerder gehouden interne controle geconstateerd dat, in strijd met artikel 13, achtste lid, onder e, van de Regeling de gegevens van het voertuig met kenteken [kentekennummer], waarvoor een niet tenaamgesteld kenteken is aangevraagd, niet overeenkomen met de op het CVO vermelde gegevens en/of de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. Hetgeen niet overeenkomt is de uitvoering.

Deze feiten zijn door verzoekster niet bestreden. Gelet hierop is verweerder op grond van artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW bevoegd een sanctie op te leggen.

Verzoekster betwist dat de zwaarte van de door verweerder geconstateerde overtreding de opgelegde sanctie rechtvaardigt. Een intrekking van de bevoegdheid VA voor zes weken is volgens verzoekster, kort gezegd, disproportioneel, mede daar het hier gaat om een kleine administratieve fout/vergissing (per abuis de verkeerde CVO opgestuurd) die onmiddellijk is hersteld.

De voorzieningenrechter is, allereerst van oordeel, dat het beleid, zoals neergelegd in de Beleidsbrief niet onredelijk is te achten en dat de sanctie conform dit beleid is opgelegd. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel tenzij dat voor de belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De vraag is derhalve of er sprake is van bijzondere omstandigheden die er toe leiden dat verweerder de onderhavige sanctie in redelijkheid niet had mogen opleggen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat verzoekster per abuis de verkeerde CVO heeft opgestuurd niet zo’n bijzondere omstandigheid is. Dat, zoals ter zitting naar voren is gebracht, de administratieve verwerking van gegevens normaliter nauwkeuriger is, maar aan het begin van dit jaar mede wegens de persoonlijke situatie van de eigenaar van verzoekster mogelijk minder nauwkeurig is geweest, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verzoekster binnen de verjaringstermijn van één jaar op 2 februari 2010 en 3 maart 2010 waarschuwingen heeft ontvangen voor soortgelijke overtredingen, zodat daarop overeenkomstig het beleid een intrekking voor de duur van zes weken is gevolgd. Verzoekster had op de hoogte kunnen zijn van de mogelijke gevolgen die zijn verbonden aan niet naleving van de voorschriften en maatregelen kunnen en moeten treffen om (soortgelijke) overtredingen in de toekomst te voorkomen. Daarnaast constateert de voorzieningenrechter dat er aan het begin van dit jaar in een kortere periode weliswaar wat meer overtredingen zijn begaan, maar dat deze, zoals verzoekster ter zitting zelf ook heeft verklaard, in de voorafgaande twee jaren ook gemiddeld zo’n twee tot drie keer per jaar zijn begaan. Het is dus ook niet zo dat het begaan van overtredingen normaliter een uitzondering is.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat verzoekster de op

16 april 2010 geconstateerde fout onmiddellijk heeft hersteld, evenmin als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter is in dezen met verweerder van oordeel dat een sanctie wordt opgelegd naar aanleiding van de toestand, zoals die in een bedrijf wordt aangetroffen tijdens de controle.

Het argument, zoals dat ter zitting naar voren is gebracht, dat bij het toezicht niet wordt gekeken hoeveel kentekens er worden aangevraagd slaagt evenmin. Op grond van het beleid vinden de administratieve controles steekproefsgewijs plaats, waarbij er naar wordt gestreefd om per bedrijf een representatief aantal aanvragen te controleren. Per maand neemt verweerder in de regel één steekproef, waarbij de omvang evenredig is met het aantal aanvragen, met dien verstande dat er nooit meer dan tien aanvragen worden gecontroleerd. Er wordt dus, anders dan verzoekster kennelijk meent, wel degelijk rekening gehouden met het aantal aanvragen.

Wat betreft de sanctieoplegging beschouwt verweerder het niet als een verzwarende omstandigheid als er bij één controle een veelvoud van overtredingen wordt vastgesteld. Wanneer voor de eerste keer of tweede keer een onregelmatigheid wordt aangetroffen wordt een waarschuwing opgelegd. Bij de constatering van, zoals in casu, een derde overtreding in een periode, dat er twee niet verjaarde waarschuwingen zijn, wordt een tijdelijke intrekking voor de duur van zes weken opgelegd. Gelet hierop ziet verweerder per jaar twee overtredingen door de vingers. Dat vervolgens een derde overtreding in een periode van een jaar een intrekking voor een periode van zes weken tot gevolg heeft acht de voorzieningenrechter niet onredelijk bezwarend voor verzoeksters bedrijf.

Het argument dat verweerder, wat daar verder ook van zij, ook wel eens fouten maakt is evenmin een bijzondere omstandigheid die tot het oordeel leidt dat hij in redelijkheid niet onverkort aan het gevoerde beleid heeft kunnen vasthouden. Verzoekster dient de aan de erkenning verbonden voorschriften en eisen na te leven. Zij heeft immers om de erkenning verzocht en daarmee aanvaard dat zij zich had te houden aan de daaraan verbonden voorschriften.

De door verzoekster gestelde bedrijfseconomische gevolgen van de sanctie zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden omdat deze gevolgen reeds in het beleid zijn verdisconteerd: ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat bij de opstelling van het beleid rekening is gehouden met de bedrijfseconomische gevolgen van tijdelijke intrekking. De bedrijfseconomische gevolgen kunnen derhalve ook niet leiden tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan het gevoerde beleid heeft kunnen vasthouden.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Nu het beroep ongegrond is, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Vanwege de beslissing op het beroep in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op het beroep in de hoofdzaak:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

II Op het verzoek om voorlopige voorziening:

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

J. Wenniger, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

Afschrift verzonden op

AW