Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN2473

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
102241 HA ZA 09-553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Projectontwikkelaar spreekt de gemeente aan op grond van onrechtmatige daad, omdat de gemeente tweemaal een publicatiefout heeft gemaakt bij de vaststelling van een nieuw bestemmingplan. In dit nieuwe bestemmingsplan zijn bouwmogelijkheden (een bedrijventerrein) voor de projectontwikkelaar mogelijk gemaakt. Door de publicatiefouten is het bestemmingsplan uiteindelijk ongeveer twee jaar later dan zonder publicatiefouten mogelijk was geweest, vastgesteld en onherroepelijk geworden.

De gemeente betwist onder meer dat is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW. Volgens haar is de norm van publicatie van een terinzagelegging van een (ontwerp)bestemmingsplan niet geschreven voor degene die een ruimtelijke ontwikkeling juist wel wil, en de norm beschermt volgens de gemeente niet tegen vermogensschade die een projectontwikkelaar, die de ontwikkeling juist wel wenst, lijdt. De rechtbank honoreert dat verweer zodat de vordering van de projectontwikkelaar moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/311
RVR 2010/99
O&A 2010, 92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 102241 HA ZA 09-553

datum vonnis: 14 juli 2010 (hbvo)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiseres]

gevestigd te [plaats]

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. R. Kroon te Enschede,

tegen

de openbare rechtspersoon

GEMEENTE HOF VAN TWENTE,

zetelende te Goor, gemeente Hof van Twente,

gedaagde,

verder te noemen de gemeente,

advocaat: mr. T.J. van Drooge te Almelo.

Het procesverloop

[eiseres] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Ze heeft daarbij 21 producties overgelegd.

De gemeente heeft geconcludeerd voor antwoord en daarbij 2 producties in het geding gebracht.

Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiseres], waarbij de producties 22 en 23 zijn overgelegd;

- een conclusie van dupliek van de zijde van de gemeente.

Tot slot hebben partijen vonnis gevraagd.

De overwegingen

Vaststaande feiten

1. In de zaak staat het volgende vast.

1.1 Op 5 juni 2000 heeft de [eiseres] een aantal percelen grond met opstallen, gelegen aan of nabij de [adres en plaats]), gekocht. Deze percelen zijn op 12 oktober 2000 geleverd, waarna een deel van één perceel met opstallen is teruggeleverd. Op 12 december 2000 is nog een perceel aan [eiseres] geleverd.

Eiseres, [naam bedrijf]], is op 29 maart 2001 opgericht en op 30 maart 2001 heeft zij, door inbreng vanuit de v.o.f., de eigendom van deze percelen verworven.

Ter plekke van de gekochte percelen zou een bedrijventerrein ontwikkeld worden. Het was de bedoeling van [eiseres] om de percelen te verkavelen in negen bedrijfspercelen van ongeveer 1.500 m².

1.2 De gemeente heeft op 1 augustus 2002 een ontwerp-bestemmingsplan, waarbij deze percelen een bedrijfsbestemming zouden krijgen, ter inzage gelegd. Bij de terinzagelegging is echter verzuimd mededeling hiervan te doen in de Staatscourant.

Om deze reden is het ontwerpbestemmingsplan op 9 januari 2003 opnieuw ter inzage gelegd.

Naar aanleiding van de ter inzagelegging zijn (opnieuw) zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is bij besluit van de gemeenteraad van 18 februari 2003 vastgesteld.

Bij de kennisgeving van de ter inzagelegging, werd echter niet (althans onvoldoende) gepubliceerd dat er wijzigingen waren doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.

Het College van Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: GS) heeft op 23 september 2003 beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit (goedkeurings)besluit is door een tweetal belanghebbenden beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) en tevens was een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzitter van de ABRvS heeft op 1 maart 2004 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van GS geschorst. Bij uitspraak van 6 april 2004 heeft de ABRvS geoordeeld dat de gemeenteraad ten onrechte niet in de kennisgeving heeft vermeld dat het vastgestelde bestemmingsplan op onderdelen was gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Om die reden heeft de ABRvS het besluit van GS vernietigd, en goedkeuring aan het bestemmingsplan alsnog onthouden.

De gemeente heeft daarop de bestemmingsplanprocedure nogmaals doorlopen. Het bestemmingsplan is op 2 mei 2006 onherroepelijk is geworden.

1.3 [eiseres] had ondertussen in 2000/2001 de negen verkavelde percelen grond verkocht aan derden. Daarbij was zij met de kopers telkens overeengekomen dat de akte van eigendomsoverdracht, de aanvaarding en de betaling, zou geschieden zodra de vereiste wijziging van het bestemmingsplan definitief en onherroepelijk zou zijn.

De koopovereenkomsten zijn na 2 mei 2006 geëffectueerd en [eiseres] heeft de koopsommen in de periode van 21 juli 2006 tot en met 30 november 2006 (via de notaris) ontvangen.

Vordering

2. [eiseres] vordert, enigszins samengevat weergegeven, dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat de gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door tot tweemaal toe niet op de door de wet voorgeschreven wijze mededeling te doen van het ter inzage liggen van het (ontwerp-)bestemmingsplan;

II. De gemeente veroordeelt ter zake van voormelde gronden, om aan [eiseres] te vergoeden de door haar geleden schade, groot € 278.467,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2004, althans 1 maart 2004, tot aan de dag der algehele voldoening, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde wettelijke rente; één en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres], naar aanleiding van de conclusie van antwoord, een aantal schadeposten (met name dubbel getelde rentes) gecorrigeerd. Het te vorderen bedrag komt dan op € 140.456,81, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Onderbouwing van de vordering

3. [eiseres] heeft zijn vorderingen als volgt onderbouwd.

3.1 Doordat de gemeente tweemaal een fout heeft gemaakt bij de publicatie, is het bestemmingsplan, waarbij de bestemming van de betreffende percelen is gewijzigd in een bedrijvenbestemming, pas op 2 mei 2006 definitief en onherroepelijk geworden. Indien de gemeente deze fouten niet had gemaakt, zou het bestemmingsplan al in december 2003 definitief zijn geworden. In elk geval zou op 1 maart 2004 het schorsingsverzoek zijn afgewezen. Er heeft derhalve een vertraging van tweeëneenkwart tot tweeëneenhalf jaar plaatsgevonden.

[eiseres] heeft daardoor schade geleden.

De gemeente dient deze schade te vergoeden. [eiseres] heeft de gemeente op 1 maart 2004 aansprakelijk gesteld.

3.2 De schade is als volgt opgebouwd. Voor de schadeperiode gaat [eiseres] uit van de periode van 1 januari 2003 tot en met juni 2006.

a. Aansprakelijkheidstelling 1 maart 2004.

Deze post ad € 66.072,00 heeft [eiseres] bij conclusie van repliek gecorrigeerd. Het was ten onrechte dubbel geteld.

b. Rente over de koopprijs.

Ook deze post, ad € 43.839,00 heeft [eiseres] bij conclusie van repliek gecorrigeerd omdat het dubbel was geteld.

c. Rente over de te laat van de kopers ontvangen koopprijs.

De koopsom is door [eiseres] uiteindelijk pas ontvangen in de periode juli – november 2006. De opbrengst bedroeg € 1.147.534,00. Het verlies over de periode 1 januari 2004 tot en met juni 2006 bedraagt in totaal € 143.442,00 (1.147.543,00 x 5% x 2,5 jaar). Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] het rentepercentage van 5% gecorrigeerd naar de wettelijke rente. In dat geval komt de schade uit op een bedrag van € 115.342,23.

d. Hogere kosten voor het ontwikkelen van de grond.

Ten opzichte van 2003 heeft [eiseres] in 2007 aan [naam] € 13.578,82 meer moeten betalen voor de aanleg van infrastructurele werken.

e. Accountancykosten.

Vanwege de gerezen problemen als gevolg van de vernietiging heeft [naam]extra kosten moeten maken. Het bedrag van de declaratie bedraagt € 1.100,50.

f. Gemeentelijke belasting.

Vanwege de aankoop van de grond heeft [eiseres] over de jaren 2002 tot en met 2006 aan de gemeente belasting moeten betalen. Het bedrag van de aanslagen bedraagt € 4.036,13.

g. Ook heeft [eiseres] aan het Waterschap over de jaren 2002 tot en met 2006 waterschapslasten moeten betalen. Het bedrag van de aanslagen bedraagt in totaal € 1.079,23.

h. Omdat het bodemonderzoek maar een beperkte geldingsduur heeft, zijn extra kosten gemaakt voor een tweede bodemonderzoek. De totale kosten bedragen € 5.320,72.

3.3 Naar de mening van [eiseres] is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 Burgerlijk Wetboek (BW). De geschonden norm ziet er juist ook op dat aan [eiseres], als eigenaar van de grond, rechtsbescherming wordt geboden. Met het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt dat [eiseres] het bedrijventerrein ontwikkelt. Door de planvoorschriften wordt [eiseres] bovendien rechtstreeks in zijn belang geraakt. Ook had [eiseres] een formeel belang bij het conform de eisen van de wet doorlopen van de bestemmingsplanprocedure, omdat het anders immers niet onherroepelijk kon worden.

Bovendien zou het niet kunnen verhalen van deze schade, belanghebbenden bij planologische mutaties volledig onbeschermd laten.

Er bestaat causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van de gemeente en de door [eiseres] geleden schade. Zonder de fouten van de gemeente zou het bestemmingsplan aanzienlijk eerder onherroepelijk zijn geworden.

[eiseres] kon de verkoop aan zijn kopers niet eerder doen plaatsvinden dan dat het bestemmingsplan onherroepelijk was. De kopers zouden anders een beroep op non-conformiteit hebben kunnen doen en dat zou meer schade hebben opgeleverd.

[eiseres] moest de bestemmingsplanprocedure afwachten en kon niet op een andere wijze, bijvoorbeeld via een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, lid 1, Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), haar doel sneller bereiken. Dit zou minstens dezelfde proceduretijd hebben gekost en daarnaast zou het bestemmingsplan als ruimtelijke onderbouwing hebben moeten dienen. Met de vrijstelling van artikel 19, lid 1, WRO wordt bovendien uitsluitend een concreet bouwplan mogelijk gemaakt en dat zou dan niet meer gewijzigd kunnen worden.

Verweer

4. De gemeente heeft tegen de vordering de volgende verweren gevoerd.

4.1 Relativiteit.

De gemeente heeft met het vaststellen van een bestemmingsplan, niet jegens eiseres gehandeld (artikel 6:162, lid 1, BW). Een bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening in het plangebied.

De geschonden normen strekken niet ter bescherming van (de belangen van) eiseres (artikel 6:163 BW). In casu zijn publicatieregels geschonden. Deze regels strekken ertoe degenen die willen ageren tegen een bestemmingsplanwijziging, opmerkzaam te maken op de mogelijkheid van rechtsbescherming. [eiseres] wilde niet ageren tegen het bestemmingsplan; integendeel. [eiseres] valt buiten het beschermingsbereik van de normen die volgens de ABRvS in casu geschonden zijn.

De publicatievoorschriften strekken ertoe rechtzoekenden te beschermen tegen schade veroorzaakt door onrechtmatige planologische wijzigingen die zij niet wensen. De publicatievoorschriften strekken niet ter voorkoming van vertragingsschade zoals [eiseres] die als eigenaar en ontwikkelaar van de gronden stelt te hebben geleden.

4.2 Eigen schuld; schadebeperkingsplicht; toerekening.

De keuze van [eiseres] om de verkoop van de kavels te verbinden aan het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, dient voor haar rekening te blijven. [eiseres] had de kavels ook bijvoorbeeld onder ontbindende voorwaarde kunnen verkopen.

Daarnaast had [eiseres] de procedure van artikel 19, lid 1, WRO (oud) kunnen gebruiken om veel sneller een gewijzigde bestemming te bewerkstelligen. Het voorontwerp had als ruimtelijke onderbouwing kunnen dienen.

De schade staat naar de mening van de gemeente niet in zodanig verband met het gestelde onrechtmatig handelen dat deze de gemeente kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW), mede gelet op de aard van de aansprakelijkheid (pseudo risico-aansprakelijkheid) en de aard van de schade (vermogensschade). Voor de gemeente was de gestelde omvang van de schade ook niet voorzienbaar.

4.3 Schade.

De gemeente heeft de hoogte van de gestelde schade betwist. Ten eerste stelt de gemeente dat [eiseres] een onjuiste periode hanteert. Op 1 juli 2004 is het bestemmingsplan wel correct ter inzage gelegd. Het bestemmingsplan is op 2 mei 2006 onherroepelijk geworden. De duur van de procedure is aldus 670 dagen. Als op 1 augustus 2002 het bestemmingsplan direct correct ter inzage was gelegd, zou het op 1 juni 2004 onherroepelijk hebben kunnen zijn. De periode tussen 1 juni 2004 en de datum waarop het bestemmingsplan daadwerkelijk onherroepelijk is geworden (2 mei 2006) beslaat 1 jaar en 11 maanden. Dit is dus de maximale periode waarover de schade mag worden berekend, aldus de gemeente.

De (meeste van de) door [eiseres] opgevoerde kostenposten worden door de gemeente inhoudelijk betwist.

Overwegingen van de rechtbank

Onrechtmatigheid

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Ze heeft immers tweemaal een procedurefout gemaakt, waarbij de laatste voor de ABRvS reden was om het goedkeuringsbesluit van GS te vernietigen en goedkeuring aan het bestemmingsplan te onthouden. De gemeente heeft daarmee tweemaal in strijd met een wettelijk voorschrift gehandeld.

Relativiteit

6. Het meest vergaande verweer van de gemeente betreft haar beroep op het relativiteitsvereiste. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De gemeente stelt dat zij niet jegens [eiseres] heeft gehandeld en dat de geschonden norm niet strekt ter bescherming van de belangen van [eiseres].

De rechtbank overweegt dat de formulering “jegens een ander” in artikel 6:162, lid 1, BW verwijst naar de relativiteitsleer. Deze is neergelegd in artikel 6:163 BW.

Laatstgenoemd artikel luidt als volgt:

Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het relativiteitsbeginsel komt het aan op doel en strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht (a) tot welke personen, (b) tot welke schade en (c) tot welke wijze van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (Hoge Raad 7 mei 2004, NJ 2006, 281 “Duwbak Linda”).

De beide door de gemeente genoemde aspecten (“jegens [eiseres]” en “strekt de geschonden norm ter bescherming van de belangen van [eiseres]”) vinden hun grondslag in artikel 6:163 BW. Het element “jegens een ander” uit artikel 6:162, lid 1, BW vindt haar uitwerking in het element tot welke persoon (a) de beoogde bescherming zich uitstrekt.

7. Handelen van de gemeente.

In deze kwestie heeft de gemeente tweemaal gehandeld in strijd met wettelijke voorschriften.

1. De gemeente heeft het ontwerp-bestemmingsplan niet gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 23 van de WRO, zoals dit destijds gold, bepaalde dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure), met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 Awb tevens in de Staatscourant moet worden geplaatst. Artikel 3:12 Awb gaat over de kennisgeving van de ter inzagelegging van een voorgenomen besluit (in dit geval: het ontwerp bestemmingsplan). Dat er een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage ligt, moet gepubliceerd worden, zodat degenen die dat willen, zienswijzen kunnen indienen. Behalve de gewone regels voor kennisgeving (kort gezegd: publicatie in een dagblad of huis- aan huisblad), geldt dat de kennisgeving dat een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage ligt, dus ook in de Staatscourant moet worden gepubliceerd.

2. De gemeente heeft onvoldoende in de publicatie van de vaststelling van het bestemmingsplan vermeld dat daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan zijn aangebracht.

In de bestemmingsplanprocedure zoals die destijds gold, kon een ieder tegen een ontwerp-bestemmingsplan zienswijzen indienen. Door de gemeenteraad werd daarna het bestemmingsplan vastgesteld waarbij de ingediende zienswijzen werden betrokken. Het vastgestelde bestemmingsplan werd daarna ter inzage gelegd. Als de zienswijzen tot een wijziging van het bestemmingsplan leidden, diende dat bij de kennisgeving van de terinzagelegging te worden vermeld (artikel 27 WRO). Degenen die in een eerder stadium zienswijzen hadden ingediend, konden bedenkingen tegen het vastgestelde bestemmingsplan indienen bij GS. Ook tegen wijzigingen in het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan konden bedenkingen bij GS worden ingebracht.

8. Doel en strekking van de geschonden regels; toepassing op de onderhavige kwestie.

8.1.1 Ad 1: publicatie in de Staatscourant.

Met het voorschrift om de kennisgeving dat een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage ligt, ook in de Staatscourant te publiceren, wordt beoogd om belanghebbende overheidsfunctionarissen en belanghebbenden die niet ter plaatse wonen, ook te informeren. Met belanghebbende overheidsfunctionarissen wordt bijvoorbeeld de Inspecteur voor de Ruimtelijke Ordening bedoeld. Bij “belanghebbenden die niet ter plaatse wonen” valt te denken aan verhuurders van woningen, verpachters van grond of anderen die eigendommen of andere rechten hebben in het bestemmingsplangebied, maar daar niet wonen.

De reden voor publicatie is om al diegenen te bereiken die zienswijzen willen indienen tegen het ontwerp-bestemmingsplan. Tegen een ontwerp-bestemmingsplan staat immers voor “een ieder” de mogelijkheid open om zienswijzen in te dienen.

Artikel 23, lid 2, WRO bepaalt dat indien er in het ontwerp-bestemmingsplan gronden zijn aangewezen waarvan de bestemming op korte termijn zal worden verwezenlijkt, de kadastrale eigenaren van die gronden apart geïnformeerd worden. De reden voor deze bepaling is dat eigenaren in elk geval moeten weten dat de bestemming van hun gronden zal veranderen en ook op korte termijn zal worden verwezenlijkt. Indien zij het daarmee niet eens zijn, moeten zij in elk geval zienswijzen kunnen indienen.

Zienswijzen worden ingediend als de betrokkene het op één of meer punten niet eens is met het ontwerp-bestemmingsplan. De bedoeling van het indienen van zienswijzen is om de gemeenteraad te bewegen het ontwerp aan te passen. De gemeenteraad dient de ingebrachte zienswijzen te beoordelen alvorens het bestemmingsplan vast te stellen. Instemmende zienswijzen (zo die ooit worden ingebracht) zijn rechtens niet relevant; immers die brengen geen verandering in het bestemmingsplan.

8.1.2 Beoordeling.

De rechtbank constateert dat de regel dat de kennisgeving dat een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage ligt ook in de Staatscourant wordt gepubliceerd, zich niet richt tot de projectontwikkelaar die gronden in het bestemmingsplangebied heeft en voor wie het bestemmingsplan realisatie van zijn plannen nu juist mogelijk maakt.

Deze projectontwikkelaar is geen “belanghebbende overheidsfunctionaris”. Hij zou onder de groep van “belanghebbenden die niet ter plaatse wonen” kunnen vallen, maar op grond van artikel 23, lid 2, WRO krijgt deze kadastrale eigenaar al afzonderlijk bericht dat een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage ligt. De verplichte publicatie in de Staatscourant is niet ten behoeve van hem voorgeschreven.

Bovendien zal deze projectontwikkelaar geen zienswijzen indienen; wat hem betreft moet het bestemmingsplan worden vastgesteld conform het ontwerp.

De schade die deze regel beoogt te voorkomen ziet op de inrichting van de ruimte. Betrokkenen die goede argumenten hebben om een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet te willen, moeten die ongewenste ruimtelijke ontwikkeling kunnen voorkomen. De belangen die zij hebben, moeten in de afweging betrokken kunnen worden. De norm ziet niet op het voorkomen van vermogensschade. Het gaat niet om de vermogenschade van degene die een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet wenst en nog minder om de vermogensschade van een projectontwikkelaar die juist belang heeft bij de door de gemeente beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

De gemeente heeft met het niet-publiceren in de Staatscourant niet jegens [eiseres] gehandeld en de publicatienorm strekt niet ter behartiging van de belangen van [eiseres].

8.2.1 Ad 2: opnemen van de wijzigingen in de kennisgeving.

De naar aanleiding van het ontwerp-bestemmingsplan ingediende zienswijzen, moeten door de gemeenteraad worden beoordeeld. Daarna wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld (artikel 25 WRO). Het bestemmingsplan wordt daarna zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit, voor een ieder ter inzage gelegd, aldus artikel 26 WRO. Ook hiervoor geldt dat de kennisgeving dat het bestemmingsplan ter inzage ligt, niet alleen in een dagblad en/of huis- aan huisblad moet worden gepubliceerd, maar ook in de Staatscourant.

Als het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan wijzigingen bevat ten opzichte van het ontwerp, moet dat in de kennisgeving van de terinzagelegging, worden vermeld.

Tegen de wijzigingen kunnen bedenkingen worden ingebracht bij GS, zijnde het college dat uiteindelijk het bestemmingsplan al dan niet goedkeurt.

De reden voor de kennisgeving van de wijzigingen, is dat betrokkenen niet weer het hele bestemmingsplan, waar ze het in eerste instantie mee eens waren, hoeven te komen inzien en te lezen om te beoordelen of het niet is veranderd. Als ze in de kennisgeving zien dat het bestemmingsplan op voor hen relevante onderdelen niet is gewijzigd, kunnen zij het daarbij laten. En omgekeerd, als ze zien dat het op voor hen relevante onderdelen wel is gewijzigd, kunnen ze het vastgestelde bestemmingsplan komen inzien en besluiten of ze daartegen bedenkingen bij GS willen indienen. De ABRvS heeft in deze zaak overwogen dat de eisen ter zake van de ter inzagelegging en de kennisgeving daarvan, minimale waarborgen voor de rechtzoekenden zijn waarvan strikte naleving noodzakelijk is. In casu valt niet uit te sluiten dat betrokkenen hebben afgezien van het indienen van bedenkingen omdat ze dachten dat het bestemmingsplan ongewijzigd was, aldus de ABRvS.

8.2.2 Beoordeling.

De rechtbank constateert dat ook de regel, dat van wijzigingen in het bestemmingsplan mededeling wordt gedaan bij de publicatie van de terinzagelegging, niet geschreven is voor de projectontwikkelaar die gronden heeft in het bestemmingsgebied waarvan de bestemming niet is gewijzigd. Voor [eiseres] is niet van belang dat wijzigingen wel of niet zijn gepubliceerd, want de bestemming van haar grond is niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. Deze regel is gemaakt ten behoeve van diegenen die bezwaren hebben tegen wijzigingen. Zij moeten, zonder al te veel moeite te hoeven doen, kunnen zien dat zij wellicht bedenkingen willen indienen. [eiseres] wil in het geheel geen bedenkingen indienen. Dat kan ze niet eens, want voor haar gronden vond geen wijziging ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan plaats.

Ook hier geldt dat de norm beoogt om te voorkomen dat bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden terwijl er goede argumenten zijn om die ontwikkeling niet te doen plaatsvinden. Alle relevante argumenten moeten kunnen worden afgewogen. De norm beoogt niet om vermogensschade bij degene wiens voorkeur wel wordt uitgevoerd te beschermen.

8.3 De conclusie is dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:163 BW. De geschonden norm strekt niet tot bescherming tegen de schade zoals [eiseres] die heeft geleden.

9. Correctie Langemeijer.

In de jurisprudentie is de “correctie Langemeijer” ontwikkeld. Deze correctie houdt in dat wanneer bepaald handelen in strijd is met een wettelijke norm, maar deze wettelijke norm niet strekt ter bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden, toch aansprakelijkheid kan bestaan. Dat is het geval als het feit dat een wettelijke norm is geschonden, bijdraagt aan het oordeel dat jegens de benadeelde onzorgvuldig is gehandeld.

Toegepast op deze zaak, zou dan geoordeeld moeten worden dat de gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiseres] door twee keer een publicatiefout te maken.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In de eerste plaats heeft [eiseres] dit niet aangevoerd. Er zijn dus ook geen argumenten aangedragen waar de rechtbank over kan oordelen. Een dergelijke stelling moet handen en voeten worden gegeven, en dat is hier niet gebeurd nu de stelling überhaupt niet is opgeworpen.

In de tweede plaats is de rechtbank ook overigens van oordeel dat de correctie Langemeijer [eiseres] niet kan helpen. Daarvoor is het verband nog steeds te ver verwijderd. Voorstelbaar zou zijn dat indien een omwonende geen bedenkingen bij GS heeft ingediend omdat hij er ten onrechte van uitging dat het bestemmingsplan op voor hem relevante onderdelen niet was gewijzigd ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan, en het bestemmingsplan vastgesteld is en onherroepelijk is geworden, hij vermogensschade lijdt bijvoorbeeld door waardedaling van zijn grond. Het komt de rechtbank voor dat dergelijke vermogenschade via de correctie Langemeijer voor vergoeding aanmerking zou kunnen komen. Immers, vermogensschade is geen schade waartegen de publicatienorm beoogt te beschermen, maar de betrokkene heeft, juist vanwege schending van de publicatienorm, niet kunnen voorkomen dat bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen zich voordeden, met vermogensschade tot gevolg. Hetzelfde geldt voor het geval waarin een eigenaar die niet op het grondgebied van de gemeente woont, geen zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan heeft ingediend omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat er een ontwerp ter inzage lag, en zich geconfronteerd ziet met een wijziging die voor hem vermogensschade met zich meebrengt.

[eiseres] is in die zin echter een buitenstaander; zijn situatie heeft geen enkele relatie tot de geschonden norm. De correctie Langemeijer komt hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor toepassing in aanmerking.

10. [eiseres] heeft in haar dagvaarding uitgelegd dat ook aan haar, als eigenaar van de grond waarop het bestemmingsplan ziet, rechtsbescherming wordt geboden. Met het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt dat [eiseres] tot ontwikkeling van het bedrijventerrein zou komen, terwijl zij daarnaast door de planvoorschriften rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt.

De rechtbank overweegt dat [eiseres] rechtstreeks belang heeft bij de bestemmingsplanbepalingen. Zij kan dan ook alle juridische middelen (dat zijn met name bestuursrechtelijke) gebruiken om de bepalingen en voorschriften in het nieuwe bestemmingsplan inhoudelijk te beïnvloeden. In die zin wordt [eiseres] ook daadwerkelijk rechtsbescherming tegen vaststelling van het bestemmingsplan geboden. Het betekent echter niet dat de overtreding van een norm in de procedure voor de totstandkoming van het bestemmingsplan, automatisch en in alle gevallen strekt ter bescherming van de belangen van [eiseres]. Zoals hierboven uitgelegd, is dat met de hier overtreden publicatienormen naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

11. [eiseres] heeft gesteld dat zij ook een formeel belang heeft bij het correct verlopen van de procedure. Ze stelt dat het bestemmingsplan namelijk nooit van kracht c.q onherroepelijk is kunnen worden door de procedurefouten. [eiseres] had echter wel belang bij dit bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt hierover dat het bestemmingsplan in 2006 wel van kracht en onherroepelijk is geworden, inclusief de bestemming die [eiseres] graag wilde.

Voor zover [eiseres] beoogt te stellen dat zij een algemeen belang heeft bij het naleven van procedureregels door overheden, is die stelling juist, maar dat geldt voor alle burgers. Daarmee is, voor deze specifieke normschending en deze specifieke schade, nog niet voldaan aan het relativiteitsvereiste.

12. [eiseres] heeft gesteld dat hij ontegenzeggelijk schade heeft geleden en dat dat komt door het onrechtmatig handelen van de gemeente.

De rechtbank overweegt dat die stelling waarschijnlijk juist is. Als de gemeente de procedurefouten niet zou hebben gemaakt, zou het bestemmingsplan eerder van kracht en onherroepelijk zijn geworden en zou [eiseres] geen vertragingsschade hebben geleden. Daarmee is gegeven dat er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de door [eiseres] geleden schade. Daarmee is echter niet gegeven dat voldaan is aan de relativiteitsnorm van artikel 6:163 BW. Het zijn twee verschillende voorwaarden waaraan voldaan moet zijn, wil de gemeente aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de door [eiseres] geleden schade.

13. [eiseres] heeft tot slot gesteld dat, als waar zou zijn [eiseres] deze schade niet vergoed zou kunnen krijgen van de gemeente, dit belanghebbenden bij mutaties van een bestemmingsplan volledig onbeschermd zou laten.

De rechtbank overweegt dat ook deze stelling waarschijnlijk juist is. In elk geval geldt dat voor [eiseres] zelf. Het doel van het relativiteitsvereiste is echter inperking van de aansprakelijkheid (Losbladige Kluwer Onrechtmatige daad, aantekening 1.4 bij artikel 163). “Zou de toerekenbare overtreding van een norm steeds leiden tot aansprakelijkheid jegens ieder die hierdoor schade lijdt, ongeacht het type schade en ongeacht de wijze van ontstaan daarvan, dan zou het beschermingsbereik van die norm zozeer uitdijen, dat zij onhanteerbaar zou worden”. Zo ook Asser, deel 4-III (2006) paragraaf 95: “Het doel van de leer is een correctiemogelijkheid te verschaffen waarmee een te uitgebreide aansprakelijkheid voor aan derden toegebrachte schade kan worden vermeden”. Volgens Bloembergen (geciteerd in de Losbladige Kluwer, zoals hierboven vermeld) is het niet redelijk om een norm te gebruiken ter fundering van een vordering uit onrechtmatige daad, wanneer die norm niet strekte ter bescherming van het getroffen belang: men haalt dan uit de norm meer dan er in zit, namelijk bescherming van belangen waarvoor zij niet geschreven is.

De in de eerste helft van de vorige eeuw in de jurisprudentie ontwikkelde relativiteitsleer, is door de wetgever uitdrukkelijk gewenst, blijkens opneming van artikel 6:163 in het Burgerlijk Wetboek in 1992. Door de Hoge Raad is ze, in zijn arrest van 10 november 2006 (LJN: AY9317), nog eens uitdrukkelijk bevestigd.

Aanvaard moet dus worden dat bepaald onrechtmatig handelen schade veroorzaakt die niet voor vergoeding in aanmerking komt.

14. De rechtbank komt tot de conclusie dat het eerste verweer van de gemeente opgaat. Dit leidt tot de conclusie dat niet voldaan is aan de voorwaarden van de artikelen 6:162 en 6:163 BW, zodat het gevorderde niet kan worden toegewezen.

Proceskosten

15. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de gemeente worden als volgt berekend:

1. salaris van de advocaat:

- conclusie van antwoord 1 procespunt

- conclusie van dupliek 1 procespunt

Totaal: 2 procespunten.

Tariefgroep VI (€ 2.000,00 per procespunt) derhalve: € 4.000,00.

2. Verschotten:

- griffierecht € 4.938,00.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst het gevorderde af.

II. Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 4.000,00 wegens het salaris van de advocaat en € 4.938,00 wegens verschotten.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Bottenberg – van Ommeren en is op 14 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

3. onderbouwing vordering

a. Aansprakelijkheidstelling 1 maart 2004.

Op genoemde datum heeft [eiseres] de gemeente reeds aansprakelijk gesteld en wordt voor het jaar 2004 en voorlopige schadevergoeding van € 66.072,00 gevorderd en voor de verdere jaren wordt aanspraak gemaakt op een nog nader vast te stellen schadevergoeding.

b. Rente over de koopprijs

Door [eiseres] is in 2001 uiteindelijk € 350.707,58 voor de percelen grond betaald. Rekening houdend met de schadeperiode heeft [eiseres] daarover een bedrag van € 43.839,00 ( € 350.707,58 x 5% x 2,5 jaar) aan extra rente betaald.