Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN0371

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
112331 / KG ZA 10-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wanneer is een minnelijke regeling tot stand gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 112331 / KG ZA 10-155

datum vonnis: 5 juli 2010 (n)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. A.C. Huisman te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Handelsonderneming Badim B.V.,

gevestigd te Eelde,

gedaagde,

advocaat: mr. J.M. Pol te Assen.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

Gedaagde heeft op 1 juli 2010 een aanvullende productie in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 2 juli 2010. Ter zitting zijn verschenen: eiser vergezeld van mr. Huisman en namens gedaagde de heer [naam], bestuurder van gedaagde, vergezeld van mr. Pol. De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 27 januari 2010 is eiser veroordeeld tot betaling aan gedaagde van een bedrag van € 16.301,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met een bedrag van € 1.000,-- uit hoofde van buitengerechtelijke kosten. Daarnaast is eiser veroordeeld in de kosten van die procedure.

1.3 Partijen zijn daarna, mede ter voorkoming van hoger beroep, in onderhandeling gegaan. De onderhandelingen zijn, voor zover thans relevant, als volgt verlopen:

- 18 maart 2010: gedaagde herhaalt haar aanbod, inhoudende dat eiser het bedrag van € 20.000,-- nog die week zal storten op de derdenrekening van de raadsman van gedaagde;

- 25 maart 2010: eiser aanvaardt het voorstel van € 20.000,--, onder voorwaarde van betaling in vier gelijke termijnen van € 5.000,--;

- 26 maart 2010: gedaagde verklaart zich bereid betaling in drie termijnen te aanvaarden, te weten € 10.000,-- voor 31 maart 2010, € 5.000,-- voor 30 april 2010 en € 5.000,-- voor 31 mei 2010;

- 29 maart 2010: eiser stelt niet in staat te zijn voor 31 maart 2010 een bedrag van € 10.000,-- te voldoen;

- 30 maart 2010: gedaagde stelt dat, tenzij de betaling van de eerste termijn van € 10.000,-- alsnog uiterlijk 31 maart 2010 zou zijn voldaan, het vonnis zal worden geëxecuteerd;

- 31 maart 2010: eiser deelt mede € 5.000,-- te hebben overgemaakt naar de derdenrekening van de raadsman van gedaagde, herhaalt financieel niet in staat te zijn thans € 10.000,-- te voldoen en stelt voor het restant een betaling in termijnen voor van € 5.000,-- voor 30 april 2010 en € 10.000,-- voor 31 mei 2010. Tevens verklaart eiser zich bereid het rentenadeel te vergoeden aan gedaagde;

- 20 april 2010 en 26 april 2010: eiser verzoekt gedaagde te reageren op haar voorstel;

- 28 april 2010: gedaagde stelt dat uit het emailbericht van 30 maart 2010 duidelijk blijkt dat partijen niet tot overeenstemming wisten te komen en dat het nieuwe voorstel daar geen verandering in brengt. Gedaagde kondigt aan tot executie over te zullen gaan.

- 29 april 2010: eiser vraagt aan gedaagde wat er nog betaald moet worden en voor wanneer;

- 29 april 2010: gedaagde antwoordt ‘conform vonnis, vermeerderd met rente, verminderd met € 5.000,00, te betalen z.s.m.’.

1.4 Op 28 mei 2010 heeft de deurwaarder de grosse van het vonnis van 27 januari 2010 aan eiser betekend en bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 13.047,71 te voldoen.

1.5 Eiser heeft op 31 maart 2010 en eind april 2010 een bedrag van € 5.000,-- gestort op de derdenrekening van de raadsman van gedaagde, derhalve in totaal € 10.000,--. Ultimo mei 2010 heeft eiser € 10.000,-- gestort op diezelfde derdenrekening.

1.6 Op 11 juni 2010 heeft de deurwaarder op verzoek van gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A.

De vordering van eiser en de –zakelijk weergegeven- toelichting daarop:

2.1 Eiser heeft gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te bevelen de executie van voornoemd vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van een door gedaagde aan eiser te verbeuren dwangsom ten bedrage van € 10.000,-- per overtreding en van € 2.500,-- per dag dat gedaagde nalaat aan het aan haar op te leggen gebod te voldoen, zulks onverminderd het recht van eiser op schadevergoeding van volledig door hem geleden en nog te lijden schade. Eiser heeft verder gevorderd het ten laste van hem bij exploot van 15 juni 2010 onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A. gelegde executiebeslag op te heffen, alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2 Daartoe heeft eiser gesteld dat partijen een perfect vergelijk hebben getroffen inhoudende dat eiser aan gedaagde € 20.000,-- in termijnen zou voldoen. Enkel over de volgorde van de termijnen hebben partijen geen overeenstemming bereikt.

2.3 Gedaagde heeft geen in redelijkheid te respecteren belang bij verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van 27 januari 2010. Nu eiser uitvoering heeft gegeven aan de getroffen regeling tot betaling van € 20.000,--, staat het gedaagde niet langer vrij het vonnis ten uitvoer te leggen. De facto is er geen verschil tussen de betaling in termijnen van eerst

€ 10.000,-- en dan tweemaal € 5.000,-- enerzijds en de betaling in termijnen van tweemaal

€ 5.000,-- en daarna € 10.000,--, anders dan een verschil in cashflow. Eiser was niet bekend met cashflowproblemen aan de zijde van gedaagde, nu zulks niet is gecommuniceerd.

2.4 Door in de periode van 31 maart 2010 tot en met 28 april 2010 niet te reageren op een emailbericht van eiser heeft gedaagde de suggestie gewekt dat zij met het voorstel van eiser kon instemmen. Ondanks verzoeken te reageren heeft gedaagde pas op 28 april 2010, derhalve een dag na het verstrijken van de hoger beroepstermijn, het voorstel van eiser afgewezen. Gedaagde heeft op deze wijze misbruik van recht gemaakt en onrechtmatig gehandeld.

Het- zakelijk en voor zover relevant weergegeven- verweer van gedaagde:

3.1 Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van eiser in de kosten van de procedure.

3.2 Daartoe heeft gedaagde gesteld dat zij wel wilde onderhandelen over een schikking omdat de kans dat eiser in hoger beroep zou gaan niet kon worden uitgesloten, maar belangrijker nog omdat gedaagde al sinds 2006 op haar geld had gewacht. Gedaagde had dringend behoefte aan liquide middelen en was bereid om genoegen te nemen met een lager bedrag wanneer zij dit snel zou ontvangen. Om strategische redenen heeft gedaagde haar liquiditeitsproblemen tijdens de onderhandelingen niet kenbaar gemaakt aan eiser.

3.3 Partijen hebben geen wilsovereenstemming bereikt. Alle voorstellen zijn over en weer afgewezen. De hoogte van het te betalen bedrag en de betalingsvoorwaarden zijn voor gedaagde onlosmakelijk verbonden.

3.4 Eiser heeft er kennelijk op gegokt dat gedaagde genoegen zou nemen met zijn betalingsvoorstel en heeft dit zo uitgevoerd, wetende dat er geen overeenstemming is. Eiser heeft hiermee welbewust een risico genomen. Het was aan eiser geweest om hoger beroep in te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

3.5 Uit het emailbericht van 29 april 2010 blijkt duidelijk dat gedaagde het laatste voorstel van eiser ook niet had geaccepteerd en dat gedaagde dus stond op betaling van datgene waartoe de rechtbank eiser had veroordeeld. Eiser heeft pas geprotesteerd nadat de deurwaarder langs is geweest.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij de ingestelde vorderingen. Overigens heeft gedaagde het spoedeisend belang van eiser ook niet betwist. De voorzieningenrechter zal zodoende overgaan tot de materiële beoordeling.

4.2 Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende dat tussen partijen geen perfect vergelijk tot stand is gekomen, nu partijen geen overeenstemming hadden over de voorwaarden waaronder zou worden betaald, in het bijzonder de volgorde waarin de termijnen dienden te worden voldaan. Uit niets is gebleken dat partijen hebben afgesproken dat het te betalen bedrag en de voorwaarden waaronder moest worden betaald afzonderlijke onderdelen zijn. Derhalve gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat om tot een schikking te komen overeenstemming had moeten bestaan over zowel het bedrag als de voorwaarden. Nu zulks niet het geval is, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen perfect vergelijk tot stand gekomen, en dus ook niet een gedeeltelijk vergelijk.

4.3 Aangezien de totale vordering die bij vonnis van 27 januari 2010 is toegewezen hoger is dan de tot nu toe betaalde € 20.000,-- is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat gedaagde een in redelijkheid te respecteren belang bij tenuitvoerlegging heeft. Nu geen minnelijke regeling tegen algehele kwijting tot stand is gekomen, staat het gedaagde vrij het vonnis van de rechtbank Almelo van 27 januari 2010 te (blijven) executeren. De betalingen die eiser reeds heeft verricht, dienen als betalingen in het kader van de executie te worden gezien.

4.4 Van misbruik van recht dan wel onrechtmatig handelen is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken.

4.5 De voorzieningenrechter zal gelet op al het voorgaande de vorderingen van eiser afwijzen.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 527,-- aan salaris van de advocaat en € 263,-- aan verschotten.

III. Verklaart onderdeel II uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. P.M.F. Schreurs, griffier.