Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BN0272

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
106336 / FA RK 09-1338 (MHL)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man vraagt nihilstelling kinderalimentatie o.g.v. gewijzigde omstandigheden. Ontslagvergoeding in stamrecht B.V. dient te worden aangewend als inkomenssuppletie. Onvoldoende aangetoond dat dit is opgesoupeerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 106336 / FA RK 09-1338 (MHL)

Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 9 juni 2010, in de zaak van:

[verzoeker]

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats] [adres]

verzoeker,

advocaat: mr. M.M. Wiersema,

tegen

[belanghebbende]

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats] [adres]

belanghebbende,

advocaat: mr. P. Weenink.

Het procesverloop

Op 24 maart 2010 is een tussenbeschikking gewezen. Vervolgens is op 7 april 2010 een brief met bijlagen namens de vrouw ontvangen, op 20 april 2010 een brief met bijlagen namens de man en op 6 mei 2010 een reactie namens de vrouw op de brief van de man.

Partijen hebben beiden laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beschikking

Behoefte kinderen

In de tussenbeschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank partijen verzocht zich uit te laten over de behoefte van de kinderen. Ten tijde van de echtscheiding van partijen heeft er immers geen vaststelling van de behoefte plaatsgevonden, zodat de rechtbank vooraleerst deze behoefte dient vast te stellen.

Partijen zijn het erover eens dat het netto gezinsinkomen ten tijde van de echtscheiding op

€ 3.400,- per maand dient te worden bepaald. Anders dan partijen hanteert de rechtbank vervolgens de tabel “Kosten van kinderen” behorend bij het rapport Alimentatienormen uit 2003, zodat de behoefte van de kinderen destijds op een totaalbedrag van € 1.006,- kan worden vastgesteld. Deze behoefte dient vervolgens te worden geïndexeerd naar 2010, waarna een totale behoefte van € 1.163,-, ofwel (afgerond) € 387,- per kind per maand wordt gevonden. De huidige door de man te betalen kinderalimentatie van € 202,34 per kind per maand overstijgt derhalve geenszins de behoefte van de kinderen.

Draagkracht man

In aanvulling op hetgeen met betrekking tot de draagkracht van de man reeds in de tussenbeschikking van 24 maart 2010 is opgenomen, geeft de rechtbank thans een oordeel over de door de man ontvangen ontslagvergoeding die in een stamrecht B.V. is gestort. De man heeft hierover gesteld dat, indien er van uitgegaan zou worden dat deze vergoeding als suppletie op zijn inkomen zou zijn aangewend, de vergoeding inmiddels zou zijn opgesoupeerd, zodat hiermee geen rekening meer behoeft te worden gehouden. Volgens de man bedroeg zijn netto-inkomen bij de ABN Amro € 3.046,- per maand en is zijn huidige (gemiddelde) inkomen uit onderneming € 2.027,- per maand. Ter suppletie behoeft de man maandelijks een (bruto) bedrag van € 1.919,-. De ontslagvergoeding die in 2003 is betaald van € 118.000,- zou dan in een periode van 5 jaar zijn opgebruikt.

De vrouw heeft zich tegen deze benaderingswijze verzet en zij betoogt dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat er nog een bedrag van ruim € 73.000,- aanwezig is aan aandelen en spaargeld, waartegenover een schuld staat van € 42.000,-, zodat in ieder geval nog een bedrag van € 31.000,- beschikbaar is, dat door de man aangewend kan worden ter voldoening van zijn onderhoudsverplichting.

De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende heeft gesteld omtrent (de besteding van) de ontslagvergoeding om te kunnen concluderen dat met deze vergoeding bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening dient te worden gehouden. Weliswaar laat de door de man bij brief van 20 april 2010 overgelegde berekening zien dat, bij een maandelijkse suppletie van € 1.919,- de vergoeding in 60 maanden tijd zou zijn opgesoupeerd, maar feit is dat de man - inmiddels ruim na het verstrijken van deze termijn van 60 maanden - nog immer over een aanzienlijk bedrag aan spaargelden en aandelen in zijn stamrecht B.V. kan beschikken. Onduidelijk is welke suppletie de man feitelijk gedurende de afgelopen jaren nodig heeft gehad, nu hij in deze jaren gehuwd is geweest en zijn echtgenote in haar eigen levensonderhoud kon voorzien, zodat de man in elk geval zijn lasten heeft kunnen delen. Bovendien is het inkomen van de man uit onderneming gedurende de afgelopen jaren niet constant geweest, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de man maandelijks een zelfde bedrag aan suppletie nodig heeft gehad om zijn welvaartsniveau te handhaven. Het is niet ondenkbaar dat de man om deze redenen een veel lager bedrag heeft hoeven onttrekken aan de stamrecht B.V., waardoor thans nog een gedeelte van het vermogen resteert. Het had op de weg van de man gelegen om één en ander inzichtelijk te maken, hetgeen niet is geschied.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat slechts de helft van het nog aanwezige vermogen aan de man dient te worden toegerekend, omdat zijn tweede echtgenote in de echtscheidingsprocedure aanspraak maakt op verdeling van het resterende vermogen. Geenszins is immers komen vast te staan dat de echtgenote van de man een dergelijke claim daadwerkelijk zal indienen of heeft ingediend, laat staan dat een dergelijke claim is of zal worden toegewezen, zodat thans niet op de uitkomst van deze nog te voeren procedure vooruit gelopen kan worden.

Ter bepaling van de draagkracht van de man houdt de rechtbank, behalve de in de beschikking van 24 maart 2010 reeds genoemde posten, rekening met de door de man gestelde maandelijkse bruto aanvulling op zijn inkomen vanuit de stamrecht B.V. van

€ 1.919,-, alsmede met:

- de algemene heffingskorting van € 1.987,- en de arbeidskorting van € 1.100,-

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 909,-;

- de helft van het forfait overige eigenaarslasten van € 47,-;

- de nominale premie ziektekosten van € 125,-; de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 195,- minus het in de bijstandsnorm begrepen deel van de premie ZVW van € 44,-.

Aldus rekenend wordt een draagkrachtruimte gevonden van € 1.139,-, waarvan 70% beschikbaar is voor alimentatie, derhalve € 797,- per maand. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de persoonsgebonden aftrek waarvoor de man in aanmerking komt wegens betaling van kinderalimentatie, hetgeen voor de jongste twee kinderen tezamen € 58,- per maand bedraagt. Dit betekent dat de totale draagkracht van de man op € 855,- per maand kan worden bepaald.

Draagkracht vrouw

Door de man is gesteld dat de vrouw eveneens dient bij te dragen in de kosten van de kinderen. De vrouw is inmiddels gehuwd en naast haar eigen inkomen uit arbeid is ook het inkomen van haar partner van belang voor het bepalen van haar draagkracht. Bij brief van

7 april 2010 heeft de vrouw haar financiële gegevens overgelegd, alsmede een draagkrachtberekening. Zijdens de man is tegen deze draagkrachtberekening geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze gegevens overneemt, nu dit de rechtbank niet als onredelijk of onrechtmatig voorkomt. Dit betekent dat de vrouw en haar partner een gezamenlijke draagkracht hebben van € 191,- per maand.

Conclusie

Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de totale behoefte van de kinderen, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven en wordt de bijdrage van de man beperkt door zijn draagkracht. De draagkracht van de man laat de door partijen ten tijde van de echtscheiding overeengekomen alimentatie toe, zodat er geen aanleiding is deze alimentatie op nihil te stellen, danwel te verminderen.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu partijen gehuwd zijn geweest en de procedure de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hieruit geboren minderjarigen betreft.

De beslissing

De rechtbank:

1. Wijst af het verzoek van de man.

2. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H. van der Lecq en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2010 in tegenwoordigheid van mr. G.H. Mensink - Heuver, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.