Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM9996

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-07-2010
Zaaknummer
09 / 1084 WW44 V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fair play-beginsel. Na reguliere planning van de hoorzitting wordt de beslissing op bezwaar tegen verleende bouwvergunning, naar verweerder erkent, opzettelijk naar voren gehaald om te voorkomen dat de bouwvergunning alsnog zou moeten worden geweigerd indien het herziene bestemmingsplan, waartegen beroep is ingesteld, zou worden vernietigd. Twee dagen na de beslissing op het bezwaar wordt het bestemmingsplan door de AbRS vernietigd wegens het ontbreken van een plan MER. Vraag of er strijd is met het fair play-beginsel.

Verweerder geeft gemotiveerd aan dat er ten tijde van de behandeling ter zitting van de AbRS geen aanleiding was om te veronderstellen dat het bestemmingsplan op dit punt zou worden vernietigd. Voorts konden eisers ter zitting niet aantonen dat de mogelijkheid van vernietiging reeds uit het StAB-rapport van 10 maart 2009 zou blijken. Derhalve geen strijd met het fair play-beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 1084 WW44 V1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam eisers]

wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Middelkamp te Almelo,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hof van Twente, verweerder.

Derde partij:

[naam vergunninghouder]B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 7 september 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2009 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal en het vergroten/vernieuwen van een varkensstal op het perceel [adrrs en huisnr.] in [plaats].

Op 9 juli 2009 hebben eisers bezwaar ingediend tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit van 7 september 2007 heeft verweerder de bezwaren van mevrouw [A] en [B] niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 15 oktober 2009 op nader aan te voeren gronden, beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig is door eisers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende het zo spoedig mogelijk stilleggen van de bouw.

Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter besloten dat er op dat moment geen spoedeisend belang aanwezig was om, vooruitlopende op de verdere behandeling van het verzoek, een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 22 oktober 2009 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken en een verweerschrift doen toekomen.

Bij brief van 2 november 2009, met bijlagen, hebben eisers de rechtbank desgevraagd de gronden van het verzoek en het beroep doen toekomen.

Bij uitspraak van 12 november 2009 heeft de voorzieningenrechter vervolgens het verzoek toegewezen en het bestreden besluit en het besluit tot verlening van de bouwvergunning geschorst.

Verweerder heeft de rechtbank desgevraagd bij een alhier op 3 maart 2010 ontvangen brief van 25 februari 2010 nog een aantal nadere stukken doen toekomen.

Het beroep is, tezamen met een soortgelijk beroep geregistreerd onder nummer 09/854 WW44, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 mei 2010, waar eisers zijn verschenen in persoon van [naam eiser], bijgestaan door zijn gemachtigde,

M.H. Middelkamp voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigden door

mr. S. Boonstra. Tevens is vergunninghoudster daar verschenen in persoon van [naam vergunninghoudster] bijgestaan door haar gemachtigde, mr. J. van Groningen.

Na de behandeling ter zitting zijn de beroepen weer gesplitst. In de zaak 09/854 WW44 zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

3. Overwegingen

Het geschil

Eisers keren zich tegen het besluit van 7 september 2009. In dit besluit heeft verweerder het bezwaar van twee personen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende zijn. Verder heeft hij zijn eerdere besluit gehandhaafd om vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen. Aan dit besluit heeft verweerder, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de aanvraag voor de bouwvergunning voldoet aan alle vereisten, met name ook in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. De bouwvergunning moet daarom volgens verweerder worden verleend.

Eisers voeren hiertegen aan, dat [A] en [B] wel degelijk belanghebbende zijn. Verder stellen zij dat verweerder hun belangen heeft geschaad door opzettelijk versneld op het bezwaar te beslissen. Daardoor is beslist voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het op dat moment geldende bestemmingsplan vernietigde en vergunningverlening niet meer mogelijk was.

De beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 27 mei 2009 de op 29 augustus 2008 ontvangen bouwaanvraag heeft ingewilligd. Op dat moment gold voor de locatie waarvoor de bouwaanvraag is gedaan een bestemmingsplan waarmee de bouwaanvraag niet in overeenstemming was (hierna: het bestemmingsplan).

Op 2 april 2009 is voor deze locatie het bestemmingsplan “Buitengebied 1997, herziening [adres en huisnr.] te Markelo -1e herziening” (hierna: het herziene plan) in werking getreden. Het bouwplan is wel in overeenstemming met dit bestemmingsplan.

Eisers hebben bij de AbRS beroep ingesteld tegen het herziene plan. De mondelinge behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 2 juli 2009.

Vrijdag 4 september 2009 heeft de bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente schriftelijk advies uitgebracht over het bezwaar van eisers tegen de bouwvergunning. Maandag 7 september 2009 heeft verweerder in zijn vergadering beslist het bezwaar ongegrond te verklaren. Nog dezelfde dag is het bestreden besluit verstuurd.

Op woensdag 9 september 2009 heeft de AbRS het herziene plan vernietigd (LJN BJ7185).

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt, voor zover van belang, dat de reguliere bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan. Deze bepaling bevat een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Als geen van deze situaties zich voordoet, moet de bouwvergunning worden verleend.

Onder toepassing van AbRS 21 december 1999, LJN AA4296 op de thans geldende Wet ruimtelijke ordening en Woningwet, geldt daarbij nog het volgende. In de periode tussen de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan en de vernietiging van dit plan, is in beginsel dit nieuwe plan het toetsingskader voor de beslissing omtrent het verlenen van bouwvergunning. Wordt tegen die beslissing bezwaar gemaakt, dan volgt uit artikel 7:11 van de Awb dat bij de beslissing op dit bezwaar het alsdan geldende recht moet worden toegepast. Bij een beslissing op bezwaar die ná de vernietiging van het goedkeuringsbesluit wordt genomen, dient het bouwplan derhalve (alsnog) te worden getoetst aan het oude bestemmingsplan. Is de beslissing op bezwaar onder vigeur van het nieuwe plan genomen, en waren burgemeester en wethouders daarom dwingendrechtelijk gehouden bij die beslissing de voorschriften van het nieuwe plan toe te passen, dan behoort daarop in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter niet te worden teruggekomen.

Alleen als de belanghebbende bij een bouwvergunning, tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de bouwvergunning bij burgemeester en wethouders, een verzoek om schorsing van de goedkeuring van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de voorzitter van de AbRS, ligt het in de rede dat burgemeester en wethouders niet op het bezwaar beslissen voordat de voorzitter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Ook kan dan het peilmoment voor het toepasselijke recht niet worden gelegd op een vroeger tijdstip dan dat waarop de voorzitter over de schorsing van het goedkeuringsbesluit heeft beslist. Schorst de voorzitter (alsnog) het bestemmingsplan, dan geldt bij de beslissing op bezwaar het oude plan als toetsingskader. Is de beslissing op bezwaar reeds genomen, dan zal de bestuursrechter in dit geval, anders dan in het algemeen, toch aan het oude plan moeten toetsen.

In het hier berechte geval was ten tijde van de beslissing op bezwaar het herziene plan nog niet vernietigd. Verzoekers hadden geen voorlopige voorziening ingediend tegen dit plan. Zij hadden een dergelijke voorziening gevraagd tegen een ander, vrijwel gelijkluidend plan, maar dit verzoek was door de voorzitter van de AbRS afgewezen. Verweerder diende daarom bij de beslissing op bezwaar te toetsen aan het herziene plan. Omdat het bouwplan in overeenstemming was met het herziene plan en zich ook overigens geen van de in artikel 44 bedoelde weigeringsgronden voordoen, was verweerder op zichzelf gehouden het bezwaar ongegrond ter verklaren.

Het bovenstaande neemt echter niet weg dat het bestreden besluit ook in overeenstemming dient te zijn met het overige geschreven en ongeschreven recht. Onder andere dient bij besluitvorming het zogenoemde fair play-beginsel te worden aangehouden. Dit beginsel houdt onder andere in dat een bestuursorgaan een burger zorgvuldig bejegent, wat kan betekenen dat het bestuursorgaan door het tijdstip van besluitvorming een burger niet onredelijk benadeelt.

In een geval als dit zal het fair play-beginsel niet makkelijk worden overtreden. Zoals hiervoor is overwogen zijn burgemeester en wethouders gehouden een bouwvergunning te toetsen aan het geldende bestemmingsplan, ook als daartegen beroep aanhangig is. Zij dienen deze vergunning te verlenen als het bouwplan in overeenstemming is met dit plan. Het moment waarop burgemeester en wethouders beslissen zal behalve van wettelijke beslistermijnen ook vaak afhankelijk zijn van vele toevallige factoren. Dit zal de ene keer in het voordeel van de aanvrager van de bouwvergunning uitvallen en de andere keer in het voordeel van degenen die zich tegen de bouwvergunning verzetten. Daar komt bij dat de tegenstanders van de bouwvergunning besluitvorming over de bouwvergunning kunnen tegenhouden door een voorlopige voorziening te vragen tegen het bestemmingsplan.

Het fair play-beginsel kan, zoals ook reeds is aangegeven in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2009, echter in het geding komen als burgemeester en wethouders, in de verwachting dat een bestemmingsplan zal worden vernietigd en de bouwvergunning niet meer kan worden verleend, opzettelijk de beslissing naar voren halen.

De rechtbank stelt vast dat blijkens de brief van verweerder van 25 februari 2010 de beslissing in het onderhavige geval opzettelijk naar voren is gehaald om te voorkomen dat de bouwvergunning alsnog zou moeten worden geweigerd indien het bestemmingsplan “Buitengebied 1997, herziening [adres en huisnr.] te Markelo – 1e herziening”zou worden vernietigd. Hetgeen hieromtrent ter zitting door de gemachtigde van verweerder is gesteld leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Verweerder heeft evenwel gemotiveerd aangegeven dat er in principe geen redenen aanwezig waren om te veronderstellen dat dat bestemmingsplan ook daadwerkelijk zou worden vernietigd. In dat verband is van de zijde van verweerder opgemerkt dat het punt dat heeft geleid tot het vernietigen van het bestemmingsplan betrekking heeft op het feit dat de planvoorschriften de uitbreiding van de bestaande stallen tot meer dan één bouwlaag toelaten en dat hierdoor bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een plan-MER had moeten worden gemaakt. Omdat er destijds geen plannen waren voor een dergelijke uitbreiding was verweerder ten tijde van de behandeling ter zitting van de AbRS niet in de veronderstelling dat het bestemmingsplan op dat punt zou sneuvelen. Daarbij heeft verweerder er voorts op gewezen dat de eerder door Camping De Keite gevraagde voorlopige voorziening is afgewezen en dat uit die uitspraak ook geen signalen bleken op grond waarvan een vernietiging van het bestemmingsplan zou zijn te verwachten.

Voorzover van de zijde van eisers is gesteld dat uit het StAB rapport van 10 maart 2009 reeds bleek dat het bestemmingsplan op het punt van het vereiste plan-MER zou worden vernietigd, stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eisers desgevraagd ter zitting niet kon aantonen waar dit expliciet in voornoemd StAB-rapport is opgenomen. Nu verweerder derhalve niet hoefde te verwachten dat het bestemmingsplan zou worden vernietigd is de rechtbank, anders dan de voorziengenrechter, van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het fair play-beginsel.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [A] en [B] stelt de rechtbank vast dat mevrouw [A] en de heer [B] beiden woonachtig zijn op het adres {adres en huisnr.] te [plaats]. Nu de opstallen op het perceel [adres en huisnr.] op ruim 200 meter afstand van het woonhuis van [A] en [B] zijn gelegen en hiertussen nog een bosperceel met een diepte van circa 140 meter is gelegen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet in hun bezwaar kunnen worden ontvangen omdat zij geen zicht op de opstallen hebben en derhalve geen belanghebbenden zijn.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag .

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, en door deze en M.W. Hulsman, griffier ondertekend

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

Afschrift verzonden op

AW