Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM9264

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
106060 HA ZA 1094 van 2009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afgebroken onderhandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 106060 HA ZA 1094 van 2009

datum vonnis: 16 juni 2010 (mljk)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres]

gevestigd te [plaats]

eiseres,

verder te noemen [eiseres]

advocaat: mr. A. Visser te Wierden,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde]

advocaat: mr. T. van Wijngaarden te Amsterdam.

Het procesverloop

1. Voor de weergave van het procesverloop moet hier eerst worden verwezen naar wat daarover staat vermeld in het in deze zaak op 2 december 2009 gewezen tussenvonnis. De in dat vonnis bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Daarna is nog gerepliceerd en gedupliceerd. Tot slot is weer vonnis gevraagd.

Waarvan kan worden uitgegaan

2. Door [eiseres] zijn diverse bouwvoorbereidende werkzaamheden verricht ten behoeve van het uitbreiden van de woning van [gedaagde] met een aanbouw en/of een schuur/kantoor. Het betreft hier dan met name het maken van ontwerpen/schetsen, het (laten) doen van enige onderzoeken en het verkrijgen van de benodigde bouwvergunning(en). Voor een algemene beschrijving van die werkzaamheden kan worden verwezen naar de beschrijving daarvan in de door [eiseres] aan [gedaagde] verzonden factuur van 3 juni 2009, waarbij door [eiseres] die werkzaamheden (alsnog) bij [gedaagde] in rekening zijn gebracht. Voor die werkzaamheden zijn partijen geen prijs overeengekomen. Partijen zijn niet (alsnog) een aannemingsovereenkomst aangegaan.

3. Wel is door [eiseres] op 3 april 2009 een - nadien op verzoek van [gedaagde] nog aangepaste - offerte uitgebracht voor de verbouw van de woning van [gedaagde] en de nieuwbouw van een stalling/werkplaats. Deze aangepaste offerte is door [gedaagde] - ook na herhaald overleg met [eiseres] - niet geaccepteerd. Wel is [gedaagde] een aannemingsovereenkomst met een derde aangegaan. Dit eerst nadat [gedaagde] [eiseres] heeft voorgesteld om voor die - door de derde geoffreerde - lagere aanneemsom alsnog “in te stappen”. [eiseres] heeft dat geweigerd, waarop het (onderhandelings)contact met [gedaagde] is geëindigd.

Het standpunt van [eiseres]

4. [eiseres] vordert om [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan haar te betalen € 25.067,- te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten ad € 1.158,- en de kosten van dit geding.

5. [eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde] onbetaald laat de factuur van 3 juni 2009. [gedaagde] is naar zeggen van [eiseres] gehouden om die factuur aan haar te betalen omdat:

- hier sprake is van een redelijk(e) prijs/loon in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW. [gedaagde] heeft er nimmer vanuit mogen gaan dat [eiseres] deze voorbereidende werkzaamheden kosteloos zou verrichten. De kosten anders dan loon komen voor vergoeding in aanmerking op basis van artikel 7:406 lid 1 BW;

- [gedaagde] zich daartoe tot een bedrag van € 10.000,- bereid heeft verklaard in diens brief aan [eiseres] van 18 juni 2009;

- het [gedaagde] niet meer vrij stond om, zonder de zaak eerst met [eiseres] uit te onderhandelen, deze bouwopdracht aan een derde te verstrekken, zonder daarbij eerst de aan de zijde van [eiseres] gevallen kosten te voldoen. Sprake is geweest van een dusdanig vergevorderde precontractuele fase, dat [gedaagde] niet zo heeft kunnen uitstappen zonder een schadeloosstelling aan [eiseres] te betalen. Door [eiseres] worden in dit kader tal van omstandigheden aangevoerd die nopen tot die conclusie;

- los van het bovenstaande, sprake is van een situatie waarbij [gedaagde] door de voorbereidende werkzaamheden van [eiseres] is verrijkt.

Het standpunt van [gedaagde]

6. Door [gedaagde] is geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde onder aanvoering van de volgende verweren:

- [eiseres] wist dat voor haar voorbereidende werkzaamheden (nog) geen betalende opdracht was gegeven. Dat was afhankelijk van een nog te accepteren overeenkomst van aanneming van werk. De voorbereidende werkzaamheden zijn door [eiseres] verricht om [gedaagde] “te paaien” en hem over de streep te trekken voor het gunnen van de bouwopdracht. [eiseres] heeft de door haar gemaakte voorbereidingskosten in de uitgebrachte offerte meegenomen voor een bedrag van € 9.000,- voor “Diverse kosten”. Er zijn door [gedaagde] geen verwachtingen gewekt ten aanzien van het daadwerkelijk tot stand komen van een aannemingsovereenkomst;

- Het is [eiseres] geweest die de onderhandelingen met [gedaagde] heeft beëindigd. Dit nadat zij door [gedaagde] in de gelegenheid was gesteld om het werk te realiseren voor de door de derde daarvoor gegeven prijs;

- De vordering van [eiseres] ontbeert (dan ook) een rechtsgrond;

- Door [eiseres] wordt een onredelijk hoge vergoeding gevorderd. Dit volgt met name ook uit de berekening van dat bedrag: de grootste kostenpost van € 16.920,- betreft namelijk een gefixeerd percentage van 6% van de berekende bouwkosten. Onduidelijk is en blijft waarom niet de daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening worden gebracht. Het zou in elk geval geen hoger bedrag mogen zijn dan € 9.000,-;

- Voor de toekenning van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten bestaat geen reden.

De beoordeling van het geschil

7. Partijen zijn het erover eens dat door hen niet is afgesproken dat [eiseres] door [gedaagde] zou worden betaald voor het doen van de meergenoemde bouwvoorbereiding. Of meer concreet gezegd: gesteld noch gebleken is dat door partijen is afgesproken dat [gedaagde] de in verband met die bouwvoorbereiding door [eiseres] te betalen onkosten en de te verrichten inspanningen zou gaan vergoeden. Immers zou de vergoeding daarvan “indirect” plaatsvinden via de betalingen van [gedaagde] op de door partijen later alsnog te sluiten overeenkomst van aanneming van werk, onder welke paraplu dan ook de voor de bouw vereiste voorbereidingswerkzaamheden zouden worden gedekt met een instemming achteraf. Aldus beschouwd, kan worden gezegd dat [eiseres] bewust een risico heeft genomen door alvast vooruitlopend op de te verwachten totstandkoming van de overeenkomst van aanneming van werk, te beginnen met de vereiste - in hoofdzaak “papieren” - voorbereidingen voor de bouw. Het betreft hier een efficiënte aanpak die zeker in Twente vaker wordt gezien, die getuigt van vertrouwen in elkaar en die zelden leidt tot problemen “omdat men er altijd wel uitkomt”. Aldus beschouwd is deze zaak daarop dus een uitzondering.

8. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver om op basis van deze aldus gekleurde gang van zaken in juridische zin aan te nemen dat deze bouwvoorbereidende werkzaamheden zijn verricht op basis van een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 e.v. van het Burgerlijk Wetboek). Dit ook omdat die voorbereidende werkzaamheden in hoofdzaak geen dienstbetoon vanuit zelfstandigheid betreffen, maar werkzaamheden die juist op basis van een overeenkomst van aanneming van werk in hoofdzaak in ondergeschiktheid plegen te worden uitgevoerd. De door [eiseres] aangevoerde grondslagen van de artikelen 7:405 lid 2 BW en 7:406 lid 1 BW kunnen haar dan ook niet baten.

9. Het door [gedaagde] aan [eiseres] gedane aanbod om € 10.000,- te betalen (zie brief van 18 juni 2009), is vervallen nu dat niet (tijdig) is geaccepteerd. Het betreft hier een aanbod dat alleen is gedaan om deze kwestie met een finale regeling het hoofd te bieden. Ook hierop kan toewijzing van een deel van het gevorderde dus niet worden gebaseerd.

10. Dit brengt mee dat beoordeeld moet worden of er een andere grondslag is c.q. kan zijn, die noopt tot toewijzing van de verzochte schadeloosstelling.

11. Voorop moet staan dat onderhandelende partijen vrij zijn om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is. Het betreft hier een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf; aansprakelijkheid (op basis van onrechtmatig handelen) zal niet snel aan de orde kunnen zijn. De contractsvrijheid, en daarmee dus ook de vrijheid om niet te contracteren en (dus) de vrijheid om onderhandelingen af te breken, wordt in de jurisprudentie over dit onderwerp duidelijk voorop gezet (zie de arresten VSH-Shell (NJ 1988, 1017), Ruijterij-MBO/Ruiters (NJ 1997, 481) en ABB-de Staat (NJ 1997, 65).

12. Dat de mogelijkheid bestaat om vergoeding van bepaalde kosten in de vorm van schadevergoeding te verkrijgen terwijl het afbreken (nog) niet onaanvaardbaar is, blijkt impliciet uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, LJN AZ2721 inzake Planoform Arnhem-ABN AMRO Bank. De Hoge Raad verwierp in dit arrest op basis van art. 81 RO zonder nadere motivering de cassatieklachten. Het Hof Arnhem had in deze zaak geoordeeld dat de onderhandelingen nog niet het stadium had bereikt dat het afbreken onaanvaardbaar was. Desondanks oordeelde het Hof dat in de gegeven omstandigheden de redelijkheid en billijkheid eisen dat ABN AMRO Bank zich de belangen van Planoform had aangetrokken door haar de gemaakte kosten te vergoeden. Het arrest van het hof is gepubliceerd in NJ 2007, 268.

13. Voor wat betreft het ook als schade vergoed kunnen krijgen van het positief contractsbelang (de vergoeding van gederfde winst) is de Hoge Raad duidelijk geweest in het arrest inzake Vollenhoven/Shell (HR 29 februari 2008, LJN BC1855): ‘‘voor vergoeding van het positief contractsbelang bij afgebroken onderhandelingen (is) geen plaats (...) wanneer de wederpartij van degene die de onderhandelingen afbrak niet erop mocht vertrouwen dat in ieder geval enigerlei contract uit de onderhandelingen zou resulteren’’. Of anders gezegd: is het afbreken onaanvaardbaar wegens de andere omstandigheden van het geval, dan hoort daar geen schadevergoeding ten belope van het positief contractsbelang bij.

14. Indachtig voormelde maatstaven moet hier als volgt worden geoordeeld.

15. De “normale gang van zaken” zou hier dus zijn geweest dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hadden gesloten en dat de door [eiseres] verrichte inspanningen en gemaakte kosten vervolgens zouden zijn beloond/meegenomen in de aanneemsom. Dat genoegen heeft [eiseres] dus niet mogen smaken want [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een derde te contracteren nadat door [eiseres] was geweigerd om alsnog met die – door die derde geoffreerde – lagere prijs akkoord te gaan.

16. De gevolgde gang van zaken houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat [eiseres] er niet vanuit heeft mogen gaan dat met [gedaagde] enige aannemingsovereenkomst zou worden aangegaan. Immers is bij deze aanpak van partijen voorop blijven staan de contracteervrijheid van [gedaagde] en daarmee het hier verwezenlijkte risico dat door [gedaagde] alsnog in zee werd gegaan met een derde.

17. Wat dan resteert is de vraag of [eiseres] er op mocht vertrouwen dat in elk geval door partijen - noodgedwongen, omdat door partijen geen aannemingsovereenkomst wordt aangegaan - alsnog een afspraak zou (moeten) worden gemaakt over de betaling door [eiseres] van de door [gedaagde] verrichte inspanningen en betaalde kosten. De rechtbank is hierover - indachtig de hiervoor aangeduide jurisprudentie - van oordeel dat [eiseres] er toen alleen op mocht vertrouwen dat alsnog werd afgesproken dat de door haar daadwerkelijk ten behoeve van [gedaagde] aan derden betaalde/voorgeschoten kosten voor rekening van [gedaagde] zouden worden genomen. Aldus beschouwd kan van toewijzing van een vergoeding voor haar eigen inspanningen hier geen sprake zijn, ook omdat dan (grotendeels) positief contractsbelang zal worden vergoed, terwijl daar - zoals overwogen - nu juist geen zicht op was.

18. Wat aldus oordelend nog resteert, is de vaststelling van de omvang van de daadwerkelijke kosten die [eiseres] ten behoeve van [gedaagde] heeft moeten maken/betalen, niet zijnde de financiële vertaling van de eigen inspanningen. Uit de stukken is daarover onvoldoende duidelijkheid te verkrijgen. Reden voor de rechtbank om [eiseres] in de gelegenheid te stellen om daarvan bij akte gespecificeerd en met betalingsbewijzen opgave te doen.

19. Voor zich spreekt dat [gedaagde] daar nog weer bij akte op kan reageren.

20. In afwachting van de gevraagde duidelijkheid wordt elke (nadere) beslissing aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

I. Stelt [eiseres] in de gelegenheid om bij akte de hiervoor onder 18. aangeduide duidelijkheid in het geding te brengen.

II. Verstaat dat [gedaagde] daar nog weer bij antwoordakte op kan reageren.

III. Verwijst daartoe deze zaak naar de rolzitting van deze rechtbank van 14 juli 2010.

IV. Houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Koopmans en op woensdag 16 juni 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.