Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5996

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
10/400 WW44 V1 V + 10/401 WW44 V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontheffing op grond van artikel 3.23 Wro en bouwvergunning voor het uitbreiden van een woning met uitvaartcentrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 10/400 WW44 V1 V + 10/401 WW44 V1 A

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

1. Schipper Classic & Sportscars BV,

2. Future Home Bouw en Ontwikkeling BV,

3. Vredehof Uitvaartverzorging BV,

gevestigd respectievelijk te Almelo en Enschede, verzoekers,

gemachtigde: mr. A.P.W. Esmeijer, advocaat te Enschede,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, verweerder.

Derde-partij:

[naam], wonende te [woonplaats], vergunninghouder,

gemachtigde: mr. B. de Jong te ’s-Hertogenbosch.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 maart 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft verweerder aan [naam] (hierna: de vergunninghouder) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning met uitvaartcentrum op het perceel [woon/vestigingsadres] te [woon/vestigingsplaats] (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit is op 13 april 2010 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 12 mei 2010, waar verzoekers zich hebben doen vertegenwoordigen door [naam], [naam], [naam] en [naam], bijgestaan door hun gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M. Hollander. Tevens is verschenen [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoekers ingestelde beroep.

De feiten

Op 9 september 2009 heeft vergunninghouder een bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van een woning met uitvaartcentrum op het perceel.

Het bouwplan voorziet in een vergroting aan de achterzijde en een uitbouw aan de zijkant op de begane grond van het bestaande gebouw. De begane grond van het gebouw zal worden gebruikt als uitvaartcentrum. Op de verdieping(en) is een reeds bestaande dienstwoning met berging gesitueerd.

Het ontwerp vrijstellingsbesluit tot het verlenen van de bouwvergunning en de daarbij behorende ontheffing heeft op grond van afdeling 3.4 van de Awb van 25 november 2009 tot en met 5 januari 2009 (lees: 2010) ter inzage gelegen. De voorzieningenrechter merkt op dat de wettelijke termijn 6 januari 2010 is.

Bij brief van 4 januari 2010, ingekomen bij verweerder op 6 januari 2010, hebben onder andere verzoekers sub 1 en 2 een zienswijze tegen genoemd ontwerp vrijstellingsbesluit ingediend. Verzoeker sub 2 heeft bij brief van 5 januari 2010, eveneens ingekomen bij verweerder op 6 januari 2010, ook op eigen titel een zienswijze ingediend.

Op 8 maart 2010 is de bouwvergunning met de daarbij behorende ontheffing onder gelijktijdige beantwoording van de ingediende zienswijzen verleend.

Het wettelijk kader

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt, samengevat weergeven, dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan;

d. (…);

e. (…);

f. (…), of

g (…).

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw mits het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het tweede lid moet de in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

Standpunt verzoekers

Verzoekers betogen, kort gezegd, dat het beoogde gebruik van het perceel ten behoeve van een uitvaartcentrum strijdig is met het vigerende bestemmingsplan en met de bouwverordening, in het bijzonder met artikel 2.5.30, omdat op eigen terrein onvoldoende parkeerplaatsen (kunnen) worden gerealiseerd. Ter zitting is nog betoogd dat de aanleg van een aantal parkeerplaatsen ook in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

Overwegingen van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de vraag of verzoekster sub 3 kan worden ontvangen in haar verzoek en beroep. Verweerder stelt in het verweerschrift dat verzoekster sub 3 geen zienswijze heeft ingediend. Verzoekster sub 3 heeft bewijzen overgelegd dat zij wel een zienswijze heeft ingediend. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat deze bewijzen afdoende zijn. De voorzieningenrechter komt tot dezelfde conclusie zodat ook verzoekster sub 3 kan worden ontvangen.

De bestemming van het perceel is “Maatschappelijke en economische doeleinden –A” volgens het bestemmingsplan “Zuid, Windmolenbroek, 3e uitwerking, herziening vak 38, 88-X” (hierna: het bestemmingsplan). Niet in geschil is – en ook de voorzieningenrechter onderschrijft afgaande op hetgeen ter zitting is gezegd – dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de geplande aanbouw valt buiten de bebouwingsgrens als bedoeld in artikel 2, derde lid, sub a, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften. Verweerder heeft daarvan met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1 van het Bro, ontheffing verleend.

Verweerder heeft voor het bouwplan ontheffing verleend voor de uitbreiding van een “ander gebouw”.

De vraag is evenwel, en die vraag stelt de voorzieningenrechter ambtshalve, of de ontheffing voldoet aan de voorwaarde dat het bouwplan moet zijn gesitueerd op ‘aansluitend terrein’. Met ‘aansluitend terrein’ wordt bedoeld het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat kan een op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven begrensd bouwvlak zijn, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten of een begrensd bouwperceel, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw of een ander gebouw moet dus gerealiseerd worden binnen dergelijke ten behoeve van bebouwing begrensde gronden. De voorzieningenrechter wijst op een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer LJN AY8896, AY8079 en AN9729. Daarin is geoordeeld dat uit de Nota van Toelichting volgt dat het terrein dat ligt binnen de bebouwingsgrens voor gebouwen aangegeven op de plankaart, aangemerkt dient te worden als ‘aansluitend terrein’. Het bouwplan ligt niet binnen de bebouwingsgrens voor gebouwen aangegeven op de plankaart want daarvoor verleent verweerder nu juist ontheffing. De conclusie is dat verweerder niet bevoegd is de ontheffing te verlenen, zodat het bestreden besluit alleen daarom al voor vernietiging in aanmerking komt. Ter zitting heeft verweerder nog gewezen op de zinsnede “( …) dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden”. Ook die zinsnede biedt geen uitkomst omdat het bouwplan deels niet is gesitueerd op het perceel dat volgens het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt.

Hiernaast hebben verzoekers een andere strijdigheid met het bestemmingsplan genoemd, waarvoor geen ontheffing is verleend. Het gaat daarbij om het gebruik van het pand als uitvaartcentrum. De bestemming van het perceel is, zoals hiervoor reeds is weergeven, “Maatschappelijke en economische doeleinden-A”.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangegeven voor maatschappelijke en economische doeleinden-A bestemd voor kantoren, showrooms, dienstverlenende bedrijven, kantoor-, beroeps- en praktijkruimten ten behoeve van beoefenaars van vrije beroepen en dienstwoningen.

Punt van geschil is of een uitvaartcentrum is aan te merken als een dienstverlenend bedrijf. Volgens verweerder is een uitvaartcentrum namelijk aan te merken als een dienstverlenend bedrijf. Hij wijst daarbij op de toelichting waarin wordt gesteld dat het bij dienstverlenende bedrijven gaat om bedrijven waarvan het accent van bedrijfsvoering niet ligt op productie. Naar verweerders mening is een uitvaartcentrum een bedrijf dat diensten, in dit geval het opbaren van overledenen en het bieden van afscheids- en ontmoetingsruimten, verleent aan derden, waarbij productie niet aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst op een aantal uitspraken van de Afdeling, onder meer LJN AX7051 en BC2126. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een uitvaartcentrum niet is te beschouwen als een bedrijfsmatige activiteit. Een uitvaartcentrum heeft een sociaal maatschappelijke functie die aansluit bij andere soortgelijke functies zoals sociaal-culturele, recreatieve en religieuze doeleinden. Daarom is het vestigen van een uitvaartcentrum op het perceel niet in overeenstemming met de op dat perceel rustende bestemming.

Ook om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De verleende bouwvergunning voorziet in twintig parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor het bepalen van dat aantal heeft verweerder aansluiting gezocht bij de zogenaamde Crow-norm. Verzoekers maken daar bezwaar tegen en zijn van mening dat die norm hier niet van toepassing is en dat er onderzoek had moeten worden gedaan naar de te verwachten parkeerdruk. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op goede gronden aansluiting heeft gezocht bij deze Crow-norm, zodat een nader onderzoek naar de parkeerdruk niet nodig was. Van belang in dit verband is dat het een klein uitvaartcentrum betreft met slechts één ontvangst- en condoleanceruimte, zonder dat voorzien is in horecafaciliteiten. De voorzieningenrechter verwijst bovendien naar de uitspraak van de Afdeling LJN BB7310.

Gegrond is de klacht van verzoekers dat niet alle parkeerplaatsen op eigen grond worden gerealiseerd en dat thans nog onduidelijk is of vergunninghouder de gemeentegrond waarop parkeerplaatsen zijn voorzien van de gemeente mag gaan gebruiken. Bovendien worden een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd op gronden die niet voor parkeerplaatsen zijn bestemd. Ook in dat opzicht kleeft aan het bestreden besluit een gebrek.

De slotsom is dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Vanwege de beslissing op het beroep in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke kosten worden bepaald op

€ 437,--, door verweerder te betalen aan eisers;

- verstaat dat verweerder aan eisers het griffierecht ad € 298,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

II Op het verzoek om voorlopige voorziening:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke kosten worden bepaald op

€ 874,--, door verweerder te betalen aan verzoekers;

- verstaat dat verweerder aan verzoekers het griffierecht ad € 298,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op

wn