Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5964

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
107863 / ES RK 09-1280 (amw)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag; de man weigert de vrouw toestemming te verlenen zich samen met de kinderen in Denemarken te vestigen. De kinderrechter is van oordeel dat de belangen van de kinderen en de man bij voldoende inhoudelijk en frequent onderling contact, zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om zich met de kinderen in Denemarken te vestigen. Hoe begrijpelijk de wens van de vrouw om met de kinderen naar Denemarken te emigreren ook is, de kinderrechter is van oordeel dat de vrouw geen klemmende redenen heeft aangevoerd om dat wel te doen. De kinderrechter bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw in Nederland zal zijn.

2. Partneralimentatie: hoewel de kinderrechter het begrijpelijk acht dat de door de man gestelde gedragingen van de vrouw op hem kwetsend zijn overgekomen, maakt dit niet dat hierdoor de lotsverbondenheid van partijen voorkomend uit het huwelijk verloren gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 107863 / ES RK 09-1280 (amw)

beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 mei 2010.

inzake

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. K.J. Pasveer,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. L.V.S. Cassese.

Het procesverloop

Op 21 april 2010 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenbeschikking gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 mei 2010. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door mr. B.E.A. Lamping, namens mr. Pasveer, en de man bijgestaan door

mr. Cassese. Voorts is verschenen de heer [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 april 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en verstaan dat de ouders gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen. De beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn aangehouden. Het laatste verzoek is afgesplitst en ingeschreven onder zaaknummer 110752 ES RK 10/390. De inhoud van de tussenbeschikking geldt als hier herhaald en ingelast.

Uit de stukken leidt de kinderrechter af dat partijen niet in staat zijn om samen afspraken te maken over de kinderen in een ouderschapsplan.

Hoofdverblijfplaats

Zowel de vrouw als de man verzoekt te bepalen dat de verblijfplaats van de kinderen bij haar dan wel bij hem zal zijn.

De kinderrechter overweegt dat de kinderen sinds oktober 2009 bij de vrouw verblijven. Niet gebleken is dat het daar niet goed zou gaan met de kinderen. Mede gelet op de leeftijd van de kinderen, acht de kinderrechter het in hun belang dat de continuïteit in de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Nu de vrouw de afgelopen jaren overwegend de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen op zich heeft genomen, omdat de man fulltime werkte, zal de kinderrechter de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen.

Verklaring voor recht en vervangende toestemming

De man verzoekt te verklaren voor recht dat het de vrouw niet is toegestaan om met de kinderen naar het buitenland (Denemarken) te verhuizen, alsmede dat het de vrouw niet is toegestaan om met de kinderen buiten [woonplaats] te verhuizen. Tenslotte verzoekt hij te bepalen dat [kind sub 1] weer in [woonplaats] naar school gaat en hem vervangende toestemming te verlenen [kind sub 1] aldaar in te schrijven.

Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

De kinderrechter dient bij de onderhavige beoordeling het belang van de kinderen in acht te nemen en voorts daarbij te betrekken enerzijds het belang van de vrouw om met de kinderen naar Denemarken te verhuizen en aldaar een nieuw bestaan op te bouwen en anderzijds het belang van de man om frequente omgang met de kinderen te hebben.

Uitgangspunt is dat het de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, in beginsel is toegestaan met het kind te verhuizen. Dit kan echter anders liggen in geval van emigratie, omdat dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor het contact tussen het kind en de ouder bij wie het kind niet zijn gewone verblijfplaats heeft.

Uitgangspunt is tevens dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige opvoeding door beide ouders, en daarnaast recht heeft op en belang heeft bij omgang met zijn ouders.

De vraag is of het belang van de vrouw om zich in Denemarken te vestigen, zodanig klemmend is dat het hiervoor geschetste belang van de kinderen daarvoor moet wijken.

De vrouw stelt dat zij terug wenst te keren naar haar familie in Denemarken, omdat zij zich hier niet gelukkig en veilig voelt. Zij heeft hier geen sociaal netwerk, geen familie en geen woonruimte. De vrouw heeft woonruimte in Denemarken gevonden en heeft de intentie om daar als apothekersassistente aan het werk te gaan. De vrouw is er zich van bewust dat er contact moet komen en blijven tussen de man en de kinderen. Met steun van haar familie voelt zij zich veiliger en zullen er meer mogelijkheden zijn om dit contact tot stand te brengen.

De man verwacht dat van wezenlijk en regelmatig contact met de kinderen als gevolg van emigratie naar Denemarken geen sprake zal zijn, hetgeen in strijd is met zowel de belangen van de kinderen als zijn eigen belang. Bovendien heeft de vrouw sinds haar vertrek in oktober 2009 niet meegewerkt aan de totstandkoming van een omgangsregeling, hetgeen de man weinig vertrouwen geeft voor de toekomst. Tenslotte zijn partijen financieel niet in staat om uitvoering te geven aan een omgangsregeling als de vrouw met de kinderen naar Denemarken zal verhuizen.

De kinderrechter is van oordeel dat de belangen van de kinderen en de man bij voldoende inhoudelijk en frequent onderling contact, zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om zich met de kinderen in Denemarken te vestigen. Hoe begrijpelijk de wens van de vrouw om met de kinderen naar Denemarken te emigreren ook is, de kinderrechter is van oordeel dat de vrouw geen klemmende redenen heeft aangevoerd om dat wel te doen. De vrouw woont ruim zeven jaar in Nederland en is de Nederlandse taal machtig. Zij heeft onlangs haar diploma voor apothekersassistente behaald en daarmee heeft zij op de Nederlandse arbeidsmarkt een goede uitgangspositie. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, het feit dat [kind sub 1] in Nederland is opgegroeid, de hechtingsfase waarin met name [kind sub 2] zich thans bevindt en hun belang bij goed contact met hun beide ouders, acht de kinderrechter de belangen van de kinderen niet gediend met emigratie naar Denemarken. De kinderrechter verwacht dat een verhuizing van de kinderen naar Denemarken een buitengewoon negatief effect zal hebben voor de omgangsregeling tussen de man en de kinderen. Daarbij komt dat het de kinderrechter niet onwaarschijnlijk voorkomt dat partijen, gelet op de tussen hen bestaande communicatieproblemen, niet goed in staat zijn een omgangsregeling over een zo grote fysieke afstand tot een succes te maken.

Dat de man in het verleden zou hebben ingestemd met een emigratie van het gezin naar Denemarken, is nu niet van belang omdat de omstandigheden door de echtscheiding zijn gewijzigd en vast staat dat de man thans uitdrukkelijk niet instemt met de door de vrouw gewenste verhuizing naar Denemarken.

Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw in Nederland zal zijn.

De verzoeken van de man te bepalen dat het de vrouw niet is toegestaan om met de kinderen buiten Almelo te verhuizen, alsmede dat [kind sub 1] weer in [woonplaats] naar school gaat en hem vervangende toestemming te verlenen [kind sub 1] aldaar in te schrijven, worden gelet op het hierboven reeds hierboven vermelde uitgangspunt - dat het de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, in beginsel is toegestaan met het kind te verhuizen - afgewezen.

Omgangsregeling

De vrouw stelt voor dat de man en de kinderen gedurende één weekend per maand van vrijdag tot en met zondag omgang hebben.

De man verzoekt een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het de rechtbank juist acht.

Uit het rapport van de Raad leidt de kinderrechter het volgende af. De vrouw en de man vinden het van groot belang dat de kinderen contact hebben met beide ouders. De vrouw heeft zorgen over de veiligheid en betrouwbaarheid van de man en zijn familie in de omgang met de kinderen. De man heeft de neiging op [kind sub 1] in te praten over verblijf in Nederland, waarbij hij [kind sub 1] belast met een vraagstuk dat alleen voor ouders is bestemd. In hoeverre de vrouw op [kind sub 1] inpraat over een vertrek naar Denemarken is de Raad niet duidelijk. Gelet hierop adviseert de Raad begeleide omgangscontacten, zodat de kinderen toekomen aan een zo ontspannen mogelijke omgang met de man. Bij de Raad hebben twee proefcontacten op een positieve wijze plaatsgevonden. Volgens de Raad dient begeleiding van de contacten door Lindenhout of Humanitas plaats te vinden. Afhankelijk van de verblijfplaats van de vrouw dient omgang tussen de kinderen en de man zo frequent mogelijk plaats te vinden. De Raad adviseert om voor de duur van een half jaar een begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de kinderen en de man, waarbij zij eenmaal per maand contact hebben. Na die periode dienen de ouders in onderling overleg, zonodig met hulp, tot een onbegeleide regeling te komen.

De kinderrechter is gelet op het advies, de overige stukken en hetgeen ter zitting is besproken

van oordeel dat er zo frequent mogelijk contact dient te zijn tussen de man en de kinderen.

De kinderrechter gaat echter voorbij aan de uitwerking van het advies van de Raad. Een

omgangsregeling, waarbij de man en de kinderen elkaar één weekend per maand zien acht de

kinderrechter niet een frequent contact. Gelet op de leeftijd van de kinderen acht hij de

navolgende omgangsregeling in hun belang. De regeling zal de eerste drie maanden eenmaal

per twee weken op een zater- of zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur plaatsvinden, waarbij de

vrouw zorgt voor begeleiding indien zij dat wenst. Daarna vindt er eenmaal per veertien

dagen gedurende een weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang

plaats. De kinderrechter is van oordeel dat deze regeling zo spoedig mogelijk dient te worden

gestart, zeker nu er sinds oktober 2009 slechts twee proefcontacten en een vluchtig contact in

een winkelcentrum hebben plaatsgevonden. De kinderrechter laat het aan partijen over om na

de zomervakantie van 2010 zelf een regeling voor de schoolvakanties en de feestdagen af te

spreken.

De vrouw zal zich in het belang van de kinderen tot het uiterste dienen in te spannen het

contact en de omgang wel plaats te laten vinden. Als opvoe¬der rust op haar immers de

verplichting om aan een om¬gangsregeling mee te werken en zich daarvoor inspannin¬gen te

getroosten. De slechte verstandhouding tussen partijen onderling mag de ontwikkeling van

de kinderen niet in de weg staan.

Beide ouders dienen zich te onthouden van het bespreken van “volwassen” zaken met de kinderen, omdat dit belastend is voor hen. Voorts dienen beide ouders zich in te

span¬nen om contact met elkaar te onderhouden in het kader van de omgangsregeling. Nu mondelinge communi¬catie tussen partijen thans niet (goed) moge¬lijk is, kan over¬leg over de omgangs¬rege¬ling door middel van een schriftje gebeuren. In het schriftje moet alleen feitelijke informatie over de kinderen vermeld worden en niet wat de ouders van elkaar vinden.

Alimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 245,-- per kind per maand voldoet aan kinderalimentatie en een bedrag van € 1.050,-- per maand aan partneralimentatie.

Lostverbondenheid

De man stelt dat de handelwijze van de vrouw jegens hem zodanig grievend is dat aan de lotsverbondenheid, die door het huwelijk is ontstaan een einde moet geacht te zijn gekomen, waardoor niet van hem gevergd kan worden partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Volgens de man beschuldigt de vrouw hem en zijn familie ten onrechte van mishandeling en bedreiging. Hij vermoedt dat de vrouw dergelijke grove beschuldigingen slechts uit, omdat met de kinderen naar Denemarken wenst te verhuizen.

De vrouw betwist dat sprake is van dermate grievend gedrag, waardoor zij geen recht meer zou hebben op partneralimentatie.

Hoewel de kinderrechter het begrijpelijk acht dat de door de man gestelde gedragingen van de vrouw op hem kwetsend zijn overgekomen, maakt dit niet dat hierdoor de lotsverbondenheid van partijen voorkomend uit het huwelijk verloren gaat. Hetgeen de man thans heeft aangevoerd, levert onvoldoende grond op om tot matiging van de wettelijke onderhoudsbijdrage over te gaan. Dit onderdeel van het verweer van de man wordt daarom afgewezen.

Behoeftig

De man stelt voorts dat de vrouw niet behoeftig is, omdat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft onlangs haar diploma voor apothekersassistente gehaald en kan gaan werken.

De vrouw stelt dat zij geen genoegzame inkomsten heeft om in haar eigenlevensonderhoud te voorzien, noch dat zij zich deze in redelijkheid kan verwerven.

De kinderrechter overweegt dat er slechts een recht op alimentatie bestaat, indien de vrouw behoeftig is. De vrouw is behoeftig indien zij zelf niet in eigen onderhoud kan voorzien, dat wil zeggen indien zij de nodige eigen middelen mist en die ook niet in redelijkheid kan verwerven.

Vast staat dat de vrouw thans geen inkomsten tot haar levenson¬der¬houd heeft, maar dat zij onlangs wel een opleiding voor apothekersassistente succesvol heeft afgerond. Gelet op zorg voor de kinderen (5 jaar en 8 maanden), is de kinderrechter van oordeel dat zij op dit moment nog niet in staat is om een fulltime baan te accepteren. Op korte termijn mag wel van haar verwacht worden dat zij zich op de arbeidsmarkt zal begeven en dat zij dan gedeeltelijk zelf in haar levensonderhoud voorziet. De vrouw is behoeftig.

Behoefte

De man betwist de hoogte van de behoefte van de vrouw en de kinderen. Volgens hem bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen € 1.491,-- per maand.

De vrouw gaat – bij gebrek aan wetenschap – uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van in ieder geval € 2.250,-- per maand.

De jaarstukken 2009, die de man in het geding heeft gebracht, zijn niet volledig. De toelichting op de balans en op de winst- en verliesrekening ontbreekt. Gelet echter op het feit dat de vrouw zelf ook uitgaat van een winst uit onderneming van € 34.000,--, zal de kinderrechter dit bedrag als uitgangspunt nemen. Op de winst uit onderneming zijn in mindering gebracht de zelfstandigenaftrek en de MKB winstvrijstelling. Voorts is rekening gehouden met de heffingskortingen (algemeen en arbeid). Tijdens het huwelijk geniet de vrouw geen inkomsten uit arbeid. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt ongeveer

€ 2.487,-- per maand.

Voor de bepaling van de kosten van de kinderen hanteert de kinderrechter verder de toepasselijke Trema-normen, waaronder de tabel eigen aandeel kosten van kinderen per maand. Op grond van die tabel gelden voor de minderjarigen in totaal 12 kinderbijslagpunten.

Uitgaande van de genoemde inkomens en de ge¬boortedata van de kinderen kan het eigen aandeel in de kosten van de kinderen op grond van voormelde normen worden vastgesteld op een bedrag van € 552,-- per maand voor de kinderen samen, derhalve € 276,-- per kind per maand.

De kinderrechter stelt de behoefte van de vrouw vast volgens de formule van de werkgroep alimentatienormen: het netto gezinsinkomen ( € 2.487,--) minus de kosten van de kinderen volgens de tabel (€ 552,--) x 60%. De netto behoefte van de vrouw bedraagt € 1.161,-- per maand. Eventueel eigen inkomen van de vrouw werkt behoefteverlagend.

Draagkracht

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft de kinderrechter een berekening gemaakt van de draagkracht van de man, waarbij is rekening gehouden met de volgende gegevens:

- winst uit onderneming € 34.000,--;

- zelfstandigenaftrek ad € 9.157,-- per jaar;

- MKB winstvrijstelling ad € 2.981,-- per jaar;

- de heffingskortingen (algemeen en arbeid) ad € 3.476,-- per jaar;

- het landelijk normbedrag voor een alleenstaande ad € 909,-- per maand, inclusief vakantietoeslag;

- de woonlasten van de man, bestaande uit kale huur ad € 368,-- per maand, verminderd met de gemiddelde basishuur;

- premie (aanvullende) zorgverzekeringswet ad € 162,-- per maand, de op aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering ad € 136,-- per maand, met dien verstande dat een bedrag van € 44,-- per maand in de bijstandsnorm is begrepen en hierop in mindering wordt gebracht;

- kosten omgangsregeling ad € 43,-- per maand. De kinderrechter is uitgegaan van de regeling, waarbij de kinderen gedurende een weekend per veertien dagen bij de man verblijven.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdende met het belastingvoordeel dat de man heeft door het betalen van alimentatie, zal de kinderrechter de aan de man op te leggen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van vermelde minderjarige bepalen op een bedrag van € 276,-- per kind per maand en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw bepalen op een bedrag van € 331,-- per maand.

Omdat partijen echtelieden zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

De beslissing

De kinderrechter:

1. Bepaalt het bedrag dat de man, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 331,-- (driehonderdenéénendertig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2. Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw in Nederland zal zijn.

3. Bepaalt het bedrag dat de man met ingang van heden aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 276,-- (tweehonderdenzesenzeventig euro) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Treft inzake het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende regeling:

• met ingang van heden en voor de duur van drie maanden verblijven de minderjarigen eenmaal per twee weken op een zater- of zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man, waarbij de vrouw zorgt voor begeleiding indien zij dat wenst;

• daarna vindt er eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang plaats tussen de man en de minderjarigen.

5. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6. Verklaart de onderdelen 1 tot en met 4 uitvoerbaar bij voorraad.

7. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

b. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

c. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.