Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5843

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
08.710033-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo veroordeelt verdachte voor het gedurende een aantal maanden dealen in harddrugs tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Tevens legt de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast verklaart de rechtbank de inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710033-10

datum vonnis: 26 mei 2010

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[VERDACHTE],

geboren op [1976] in [GEBOORTEPLAATS],

wonende in [WOONPLAATS EN –ADRES].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 mei 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Lambers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. L.V.S. Cassese, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: meerdere malen heeft gedeald in speed.

Feit 2: in het bezit was van 400 gram speed.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009

tot en met 11 januari 2010 in de gemeente(n) Twenterand en/of Almelo,

en/althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2010 in de gemeente Almelo

(in verdachtes woning aan de Wondedwarsweg)

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 400 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde wordt verbonden dat verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die hem worden gegeven door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voor feit 1 beperkt de officier van justitie de duur van het strafbare handelen tot een periode van 1 augustus 2009 tot en met 11 januari 2010. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. De officier van justitie vordert ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen dat deze worden onttrokken aan het verkeer.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het sub 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het sub 2 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, nu uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het onder verdachte inbeslaggenomen witte poeder geen amfetamine maar zetmeel bevat.

5.2 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 11 januari 2010 in de gemeenten Twenterand en Almelo tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan handel in amfetamine. Deze harddrug is een zeer schadelijke stof en het in omloop brengen van deze middelen vormt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel in dit middel veelal direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit. Verdachte heeft door aldus te handelen slechts oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin, hetgeen de rechtbank hem aanrekent.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging en bij het bepalen van de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank in haar overwegingen de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover die voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat, gedurende 3 tot 6 maanden, als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 8 maanden onvoorwaardelijk.

Verdachte dealde aanmerkelijk minder frequent dan zijn medeverdachten en zijn rol in het geheel was minder groot dan die van zijn medeverdachten. De rechtbank legt deze ondergeschikte rol, evenals de beperkte frequentie en het feit dat verdachte in het verleden, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 3 mei 2010, niet eerder is veroordeeld voor feiten als de onderhavige, in het voordeel van verdachte uit. Daarnaast neemt de rechtbank in het voordeel van verdachte in aanmerking dat hij zichzelf heeft aangemeld bij Tactus voor zijn drugsverslaving en zich ter terechtzitting bereidwillig heeft getoond ten aanzien van hulpverlening.

Omtrent de verdachte is op 23 maart 2010 door J. de Boer van Tactus verslavingszorg een voorlichtingsrapport uitgebracht. De rechtbank heeft hiervan kennis genomen. Mede gelet op de inhoud van het rapport is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf eveneens een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde dient te worden opgelegd. Verdachte kent immers een problematische geschiedenis op verschillende gebieden in zijn leven en is niet zelfredzaam genoeg om orde in de chaos aan te brengen. De rechtbank acht een verplicht reclasseringstoezicht dan ook geboden.

Alles overwegende acht de rechtbank onvoldoende gronden aanwezig om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Volstaan zal dan ook worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Gelet op het voorgaande en om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw soortgelijke feiten te plegen zal hem tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van 65 dagen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De rechtbank heeft daarbij, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, een eerdere veroordeling van verdachte in rekening gebracht, te weten: het vonnis van de politierechter te Almelo van 5 oktober 2009, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis.

8.2 De in beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten een gripzakje met een kleine hoeveelheid wit poeder en 400 gram wit poeder in een plastic zak, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu het hiervoor bewezenverklaarde feit mede is begaan met deze voorwerpen en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36b, 36c en 36d Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: gripzakje met kleine hoeveelheid wit poeder en 400 gram wit poeder in plastic zak;

Opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.