Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5537

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
25-05-2010
Zaaknummer
08-710161-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor een diefstal met geweld in vereniging, een zogenaamde "carjacking". Straf: 20 maanden gevangenisstraf, met aftrek voorlopige hechtenis, en toewijzing van de vordering benadeelde partij met oplegging van de Terwee maatregel.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zogenaamde “carjacking”, waarbij zij zich de auto van de bestuurster onder bedreiging van een wapen hebben toegeëigend. Nu de rol van verdachte kleiner is dan de rol van zijn medeverdachten, acht zij een lichtere straf dan door de officier van justitie geëist, geïndiceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08-710161-10

STRAFVONNIS

Uitspraak: 25 mei 2010

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats (land)] op [1988]

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in het huis van bewaring te Almere Binnen.

terechtstaande terzake dat:

hij op of omstreeks 27 januari 2010, in de gemeente Enschede, op of aan de openbare weg, de [adres], althans op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (van het merk Toyota, type Avensis), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

* (terwijl die [slachtoffer] in haar auto was gezeten en met die auto voor een verkeerslicht stond te wachten) in die auto is/zijn gaan zitten, en/of

* die [slachtoffer] een wapen/pistool heeft/hebben getoond/laten zien, en/of

* (dreigend) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "je gaat gewoon rijden en je

gaat gewoon mee bitch", althans woorden van soortelijke (dreigende) aard of

strekking;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd kan worden bewezen voor zover het betreft de diefstal in vereniging. De raadsman betwist dat verdachte deel heeft genomen aan de door medeverdachten gebezigde bedreiging met geweld jegens het slachtoffer. Hij voert hiertoe aan dat verdachte pas in de auto plaatsneemt, nadat het slachtoffer de auto al heeft weten te verlaten. Op het moment dat zijn twee mededaders in de auto van het slachtoffer stappen en haar onder bedreiging van een wapen dwingen te gaan rijden, staat verdachte op een afstand van circa 3 meter toe te kijken. Verdachte heeft zich daarmee, aldus de raadsman, gedistantieerd van het geweld en dient derhalve partieel te worden vrijgesproken voor wat betreft de bedreiging met geweld.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het vorenstaande het volgende:

Bij de politie heeft verdachte bekend dat hij samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door Enschede liep en dat hij er bij was toen het slachtoffer de auto heeft verlaten. Deze verklaring strookt niet met de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, waarin hij zijn aandeel in de geweldsbedreiging ontkent.

Aangeefster heeft verklaard dat er drie portieren opengingen, namelijk de twee achterdeuren en de bijrijdersdeur en dat er voordat zij het wist drie personen bij haar in de auto zaten. Met zijn deelname heeft verdachte een numeriek overwicht versterkt en het gevoel van insluiting van het slachtoffer vergroot.

De rechtbank is van oordeel dat de op dit punt inconsistente verklaring van verdachte niet overeenkomt met de gedetailleerde verklaring van aangeefster. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gang van zaken, zoals door aangeefster is geschetst, zodat de rechtbank op grond van vorenstaande concludeert dat verdachte mede heeft deelgenomen aan de geweldsbedreiging zoals tenlastegelegd. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen –die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 januari 2010, in de gemeente Enschede, op de openbare weg, de [adres], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk Toyota, type Avensis, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders, terwijl die [slachtoffer] in haar auto was gezeten en met die auto voor een verkeerslicht stond te wachten, in die auto zijn gaan zitten en die [slachtoffer] een wapen hebben getoond en dreigend tegen die [slachtoffer] hebben gezegd: "je gaat gewoon rijden en je gaat gewoon mee bitch";

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf:

"diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken",

strafbaar gesteld bij artikel 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer] met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zogenaamde “carjacking”, waarbij zij zich de auto van de bestuurster onder bedreiging van een wapen hebben toegeëigend. Verdachte begeeft zich samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vanaf de [adres] naar de [adres] te Enschede. In die straat trekken zij omstreeks 21:30 uur drie portieren van een voor het rode stoplicht wachtende zwarte Toyota Avensis open. Verdachte stapt aan de achterzijde in, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] aan de voorzijde instapt en medeverdachte [medeverdachte 1] aan de achterzijde, achter de bestuurster. [Medeverdachte 2] richt een wapen op het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer dwingt te gaan rijden. In deze hectische situatie slaagt het slachtoffer erin haar gordel te ontgrendelen en de auto te verlaten door zich hieruit te laten vallen.

Nadat het slachtoffer de auto heeft verlaten, neemt [medeverdachte 1] plaats achter het stuur en gaan zij er met de auto van het slachtoffer vandoor. Zij laten het slachtoffer biddend voor haar leven achter. Enkele minuten later vliegt de auto op de [adres] uit de bocht en maken de verdachten zich uit de voeten.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke laffe daad voor het nietsvermoedende slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Het slachtoffer heeft gevreesd voor haar leven nadat zij is bedreigd met een wapen. Dit houdt een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Zij heeft zich, aldus haar verklaring in de procedure, reeds gewend tot de nodige hulpverleners en heeft een therapie ondergaan ter verwerking van haar posttraumatische stress stoornis. Verdachte is met zijn handelen volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer. Dit blijkt eens te meer aan zijn houding ter terechtzitting, alwaar verdachte omtrent het motief verklaart dat hij heeft deelgenomen omdat hij de trein niet meer kon halen en dus vervoer nodig had.

Voorts is door J. Letance, reclasseringswerker bij het Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering Flevoland te Lelystad is in april 2010 een rapport opgesteld dat, zakelijk weergegeven, de volgende conclusies vermeldt, welke de rechtbank tot de hare maakt.

Het ontbreekt betrokkene aan de meest basale levensbehoeften als een inkomen, huisvesting, dagbesteding en een positief sociaal netwerk. Betrokkene is in 2008 gediagnosticeerd met trekken van een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis en hij heeft volgens het Pro Justitia rapport een negatief zelfbeeld.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Betrokkene heeft problemen met zijn frustratie- en impulscontrole, in combinatie met zijn eerder gediagnosticeerde personnlijkheidsproblematiek zal betrokkene, indien hij niet in een strak kader wordt begeleid en behandeld, binnen korte termijn recidiveren. Ingeschat wordt dat er een hoog risico op onttrekken aan voorwaarden is. Ingeschat wordt dat er risico op letselschade is voor mensen die hem krenken of met wie hij in conflict komt. Toezicht op bijzondere voorwaarde en interventies/behandelingen zijn niet geïndiceerd.

Betrokkene heeft in het verleden meerdere toezichten bij de reclassering niet positief afgerond en een intensieve behandeling binnen een schorsingstoezicht bij Groot Batelaar heeft geen verandering bij betrokkene teweeg gebracht. Daarom is de reclassering van mening dat een reclasseringstoezicht te weinig controlemiddelen biedt om het recidiverisico te verminderen. De reclassering is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daarin voor betrokkene de mogelijkheid van deelname aan een Terugdringing Recidive (TR) traject op het moment het meest geschikt is.

Op een inbreuk op de rechtsorde als de onderhavige dient in principe gereageerd te worden met een vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de niet geringe documentatie van verdachte. Ondanks zijn jonge leeftijd is verdachte reeds vele malen veroordeeld, ook door de kinderrechter, terzake van vermogens- en geweldsdelicten. Verdachte is laatstelijk in september 2009 nog veroordeeld terzake van twee straatroven tot een aanzienlijke gevangenisstraf. Verdachte heeft hieruit kennelijk geen enkele lering getrokken en is ook nu onvoldoende gemotiveerd ten aanzien van reclasseringsmogelijkheden. Voor een gedeeltelijk voorwaardelijke straf zoals bepleit door de raadsman, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. Nu de rol van verdachte kleiner is dan de rol van zijn medeverdachten, acht zij een lichtere straf dan door de officier van justitie geëist, geïndiceerd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [slachtoffer], ter zake van het feit, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier heeft gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave heeft gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van € 2097,85, bestaande uit de volgende posten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum:

Nieuw rijbewijs: € 48,20

Nieuwe ID-kaart: € 42,65

Fotocamera Nikon: € 129,60

Parfum Victor & Rolf (Flowerbomb): € 100,00

Tas (Friis & Compagny) € 74,95

Kadobon Lapeche Enschede € 50,00

Portemonnee (River Island) € 29,95

Telefoonoplader IPhone € 15,00

Bankpas € 7,50

Smartengeld € 1600,00

Naar het oordeel van de rechtbank is deze – door verdachte onvoldoende gemotiveerd betwiste - vordering van de benadeelde partij geheel gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt het gevorderde bedrag van € 2097,85 zodat de vordering toewijsbaar is, alsmede de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

De na te melden straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van

20 maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte, terzake van het bewezen feit 1 tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] te [woonplaats], van een bedrag groot: € 2097,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2010, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot

€ 2097,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2010 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast, een en ander voorzover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Alers, voorzitter, mr. Heijink en mr. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van Bouwens-Lesscher, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2010.