Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5259

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
770003-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van alcohol een auto bestuurd en daarmee een verkeersfout begaan. De rechtbank acht verdachte echter niet schuldigd aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een mede-passagier zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte is wegens het rijden onder invloed veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden en een geldboete van EUR 5.000,-. De opgelegde geldboete is, gelet op het inkomen van verdachte, aanmerkelijk hoger dan gebruikelijk.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2010/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 770003-10

datum vonnis: 21 mei 2010

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[VERDACHTE],

geboren op [1981] in [GEBOORTEPLAATS],

wonende in [WOONPLAATS].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 mei 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.P. Nan, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

als beginnend bestuurder, met zijn auto, terwijl hij onder invloed was van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Subsidiair:

A:

als beginnend bestuurder een auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank;

B:

met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt en daarmee het verkeer in gevaar heeft gebracht dan wel het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 22 november 2009

in de gemeente Enschede

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij, verdachte, terwijl hij (als beginnend bestuurder)

(aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos,

in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

rijdend over de weg, de Auke Vleerstraat en gekomen op of ter hoogte van een

kruising van die weg met de Strootsweg, alwaar de Auke Vleerstraat ter plaatse

een (flauwe en/of langgerekte) bocht naar - gezien verdachtes rijrichting -

links maakt, terwijl het wegdek op dat moment (enigszins) nat, althans

vochtig, was, gereden met een snelheid die - gelet op de

(verkeers)omstandigheden ter plaatse - (veel) te hoog was en/of heeft hij,

verdachte, niet voortdurend de nodige voorzichtigheid en oplettendheid

betracht en/of was hij, verdachte, niet voortdurend in staat de handelingen te

verrichten die van hem werden vereist en/of had, hij, verdachte, dat door hem

bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle en/of is hij,

verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig in een slip geraakt en/of

(vervolgens) tegen een in de - gezien verdachtes rijrichting - rechterberm

staand(e) verkeersbord en/of boom gereden en/of gebotst en/of is hij,

verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig gekanteld,

waardoor een inzittende van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (genaamd

[BETROKKENE]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een

(ernstige) (scheur)wond aan het rechteroor, althans aan een oor, en/of een

(ernstige) (snij)wond aan de rechteroogkas, althans in het gelaat en/of aan

het hoofd, en/of/althans (ernstig) hoofdletsel en/of een hersenschudding,

althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

A:

hij op of omstreeks 22 november 2009

in de gemeente Enschede

als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) voor het besturen waarvan

een rijbewijs is vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de

eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en

de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden,

dit motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in

artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,8

milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed

bleek te zijn;

en/of

B:

hij op of omstreeks 22 november 2009

in de gemeente Enschede

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

weg, de Auke Vleerstraat en gekomen op of ter hoogte van een kruising van die

weg met de Strootsweg, alwaar de Auke Vleerstraat ter plaatse een (flauwe

en/of langgerekte) bocht naar - gezien verdachtes rijrichting - links maakt,

terwijl het wegdek op dat moment (enigszins) nat, althans vochtig, was, heeft

gereden met een snelheid die - gelet op de (verkeers)omstandigheden ter

plaatse - (veel) te hoog was en/of niet voortdurend de nodige voorzichtigheid

en oplettendheid heeft betracht en/of niet voortdurend in staat is geweest de

handelingen te verrichten die van hem werden vereist en/of dat door hem

bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of met

dat door hem bestuurde motorrijtuig in een slip is geraakt en/of (vervolgens)

tegen een in de - gezien verdachtes rijrichting - rechterberm staand(e)

verkeersbord en/of boom is gereden en/of gebotst en/of (vervolgens) met dat

door hem bestuurde motorrijtuig is gekanteld,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd waarin zijn rijbewijs al ingevorderd is geweest.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen .

Op 22 november 2009 reed verdachte in zijn personenauto op de Auke Vleerstraat in de gemeente Enschede. Ter hoogte van de kruising van de Auke Vleerstraat met de Strootsweg, alwaar de Auke Vleerstraat (gezien verdachtes rijrichting) een bocht naar links maakt, voelde verdachte de auto wegglijden. Op dat punt is de auto van verdachte in de rechterberm terecht gekomen. De auto is vervolgens tegen een in de rechterberm staand verkeersbord en een boom gereden en daarna gekanteld.

Verdachte, die beginnend bestuurder is, was onder invloed van alcohol op het moment dat hij zijn auto bestuurde en het ongeval plaatsvond. Uit het onderzoek naar verdachtes bloed is gebleken dat het alcoholgehalte 0,80 milligram alcohol per milliliter bloed was.

5.2 Het primair tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het ongeval te snel heeft gereden en dat dit onderdeel uit de tenlastelegging moet worden gehaald. De officier van justitie is voorts van mening dat het primair tenlastegelegde feit, inclusief het rijden onder invloed, bewezen kan worden, met dien verstande dat geen sprake is van roekeloos rijgedrag, maar dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, nu hij met zijn bijrijder in gesprek was tijdens de autorit. Voorts stelt de officier van justitie dat verdachte kan worden verweten dat hij de controle over de auto niet meer heeft weten terug te pakken, terwijl van hem als topsporter een beter reactievermogen dan van de gemiddelde Nederlander kan worden verwacht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman betoogt voorts dat er geen aanwijzing in het dossier is dat verdachte de maximum snelheid heeft overschreden. Ook acht de raadsman geen redengevend bewijs dat verdachte met een te hoge snelheid ter plaatse heeft gereden. De raadsman stelt dat nu uit de verkeersongevallenanalyse geen betrouwbare snelheidsberekening kan worden gemaakt, de snelheid niet als verwijt naar verdachte kan worden gebruikt.

De raadsman betoogt dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Hiertoe voert de raadsman aan dat uit de analyse van het ongeval door verkeersongevallendeskundige J.L.M. Meuwissen is gebleken dat meerdere scenario’s als oorzaak voor het ongeval mogelijk zijn, zoals het optreden van ‘aquaplaning’, of een technisch mankement aan de auto. De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen redengevend bewijs aanwezig is dat verdachte een inschattingsfout heeft gemaakt en dat geen sprake is van roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen. De raadsman baseert zich hiervoor op de verklaringen van de andere inzittenden van de auto, alsmede op het rapport van de deskundige Meuwissen, die onoplettendheid als oorzaak van het ongeval niet waarschijnlijk acht.

De overwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip 'schuld' in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Wanneer sprake is van zeer ernstige gedragingen, kan dit worden gekwalificeerd als roekeloos rijgedrag. Voorts vereist artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 een causaal verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval.

In deze zaak moet dus eerst worden beoordeeld of het verkeersgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, zeer onvoorzichtig of roekeloos is geweest. Bij die beoordeling gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Voorts moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het verkeersongeval redelijkerwijs is toe te rekenen aan de gedragingen van verdachte.

De rechtbank zal de gedragingen van verdachte en de verschillende omstandigheden, zoals door de officier van justitie en de verdediging benoemd, afzonderlijk bespreken.

De verkeersongevallenanalyses

Door [VERBALISANT], brigadier politie Twente, is een verkeersongevallenanalyse opgemaakt. [VERBALISANT]stelt in zijn analyse dat verdachte kennelijk met een te hoge snelheid heeft gereden, waardoor de auto in een slip raakte. Voorts stelt [VERBALISANT]dat hij geen betrouwbare snelheidsberekening heeft kunnen opmaken.

Ook door verkeersongevallendeskundige J.L.M. Meuwissen is een dergelijke analyse opgesteld. Deskundige Meuwissen stelt in zijn analyse dat verschillende scenario’s de oorzaak van het ongeval, dan wel van invloed op het ontstaan van het ongeval kunnen zijn geweest. Zowel de mogelijkheid van optredende aquaplaning als de mogelijkheid dat het voertuig een technisch gebrek vertoonde, kunnen volgens Meuwissen de oorzaak van het ongeval zijn geweest, of van invloed zijn geweest op het ontstaan daarvan. Voorts acht deskundige Meuwissen, gelet op de plaats in de bocht waar de auto van de weg geraakte, onoplettendheid van verdachte oftewel het ‘missen van de bocht’ door verdachte niet aannemelijk als oorzaak voor het ongeval. Door beide deskundigen is in de analyse geconstateerd dat sprake was van spoorvorming in de weg en van een vochtig wegdek. , Verdachte heeft verklaard dat de auto bij de bocht iets weggleed. De passagiers in de auto van verdachte benoemen beide dat het leek alsof de auto ineens ging glijden. ,

De rechtbank leidt uit de analyse van [VERBALISANT] af dat, nu geen betrouwbare snelheidsberekening kan worden gemaakt, de snelheid niet is vast te stellen en derhalve niet als oorzaak, dan wel beïnvloedende factor voor het ontstaan van het ongeval is aan te merken. Door verdachte en de passagiers wordt een omstandigheid omschreven die kan worden verklaard als optredende aquaplaning. De analyse van deskundige Meuwissen benoemt eveneens de mogelijkheid van aquaplaning, maar geeft ook verschillende andere mogelijkheden als oorzaak voor het ontstaan van het ongeval. Geen van deze mogelijkheden zijn echter vast te stellen als specifieke oorzaak. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat uit de analyses van voornoemde deskundigen blijkt dat geen eenduidige oorzaak voor het ongeval te geven is.

De snelheid

Met betrekking tot de snelheid is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gereden met een snelheid die, gelet op de verkeersomstandigheden ter plaatse, te hoog was. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Het rijden onder invloed

Verdachte was, naar eigen zeggen, toen hij de auto bestuurde onder invloed van alcohol. In het deskundigenrapport is vastgesteld dat verdachte een alcoholgehalte had van 0,80 milligram alcohol per milliliter bloed.

Op basis van de verklaring van verdachte en het deskundigenrapport over het alcoholgehalte in verdachtes bloed is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte onder invloed van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een auto heeft bestuurd.

Het overige verkeersgedrag

Verdachte heeft verklaard dat hij met een snelheid tussen de 50 en 60 km per uur over de Auke Vleerstraat heeft gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij nergens door werd afgeleid en dat er geen ander verkeer op de weg aanwezig was. Door de twee passagiers in de auto is verklaard dat verdachte, naar hun oordeel, de auto goed bestuurde. Beide passagiers benoemen dat het leek alsof de auto ineens ging glijden.

De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de getuigenverklaringen aangaande het rijgedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval. Op basis van voormelde verklaringen en voornoemd deskundigenrapport van deskundige Meuwissen is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte niet onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. Uit het dossier is aldus niet gebleken dat verdachte, behoudens het gebruik van alcohol, in zijn overige rijgedrag aanmerkelijk is tekort geschoten in de voorzichtigheid die van hem als verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Dat verdachte tijdens de rit in gesprek was met zijn bijrijder, doet hier niet aan af. De rechtbank passeert aldus het standpunt van de officier van justitie hieromtrent.

Het standpunt van de officier van justitie dat verdachte, als topsporter, een beter reactievermogen moet hebben en derhalve in staat moet worden geacht een auto die van de weg af raakt en in een vochtige berm terecht komt, weer onder controle te krijgen, passeert de rechtbank eveneens. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke herstelmanoeuvre een bijzondere rijvaardigheid vereist. Verdachte, hoewel topsporter, is niet getraind op dit soort speciale rijvaardigheden. Hem kan aldus niet worden verweten dat hij de auto niet meer onder controle kon krijgen nadat deze in de berm terecht kwam.

Conclusie

De rechtbank is, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat verdachte onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd. Verdachte heeft daarmee een verkeersfout begaan. Dit gegeven op zichzelf is, bij ontbreken van concrete nadere gegevens, onvoldoende om dit als schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te kwalificeren. Met name nu, zelfs in de technische analyses, geen specifieke oorzaak voor het ongeval is aan te wijzen. Daarom is niet zonder enige twijfel vast te stellen dat het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, de oorzaak is geweest van het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat verdachte weliswaar een verkeersfout heeft begaan, maar dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen verdachtes gedraging en het plaatsvinden van het ongeval. Het ongeval is redelijkerwijs niet toe te rekenen aan een gedraging van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

5.3 het subsidiair tenlastegelegde onder A

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte het subsidiair onder A tenlastegelegde feit heeft begaan.

5.4 Het subsidiair tenlastegelegde onder B

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat nu verdachte geen verwijtbare handeling heeft verricht, niet kan worden bewezen dat verdachte gevaar heeft veroorzaakt op de openbare weg. De raadsman is van mening dat verdachte voor het subsidiair onder B tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De overwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat dit gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft bij haar overwegingen een uitspraak betrokken van de Hoge Raad.

Zoals hiervoor onder 5.2 reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet is vast te stellen wat de gedraging is geweest die tot het ongeval heeft geleid. Het rijden onder invloed wordt verdachte bij het subsidiaire onder B niet verweten. Dit is separaat tenlastegelegd in het subsidiaire onder A. De hem wel onder B verweten gevaarzettende gedragingen met betrekking tot de snelheid, de voorzichtigheid en oplettendheid zijn naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en zal verdachte van dit feit dan ook vrijspreken.

5.5 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair onder B is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair onder A tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2009 in de gemeente Enschede als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,

0,8 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair onder A meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 176 Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Subsidiair onder A: het misdrijf: Overtreding van artikel 8 derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd waarin zijn rijbewijs al ingevorderd is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte reeds behoorlijk is bestraft, onder meer als gevolg van de negatieve publiciteit in de media. Ook financieel is verdachte al bestraft. Hij heeft een boete opgelegd gekregen door zijn werkgever. Ook moet hij de kosten dragen voor de schade aan zijn auto en wellicht de medische kosten en inkomensschade van het slachtoffer. De raadsman benadrukt dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Bij bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde verzoekt de raadsman derhalve te volstaan met een geldboete en eventueel een voorwaardelijke rijontzegging.

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft als beginnende bestuurder onder invloed van alcoholhoudende drank in een auto gereden. Het bloedalcoholgehalte van de verdachte was op dat moment beduidend hoger dan de voor beginnend bestuurders toegestane 0,22 milligram alcohol per liter bloed, te weten 0,80 milligram alcohol per liter bloed. Door het plegen van dit feit heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook de voor dit feit vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken. Deze geven als uitgangspunt voor het rijden onder invloed van motorrijtuigen bij beginnend bestuurders, terwijl sprake is van een bloedalcoholgehalte tussen 0,22 en 0,80 en er een aanrijding is gevolgd, een geldboete van € 350,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij het laakbare van zijn gedragingen inziet. Met name het feit dat verdachte zich op eigen initiatief intensief bezig heeft gehouden met het welzijn van het slachtoffer, weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee. De rechtbank acht eveneens van belang dat verdachte nog jong is en niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat zijn bekendheid in dit geval door verdachte als sanctie zal worden ervaren en dat hij door zijn werkgever reeds is bestraft. Echter houdt de rechtbank met deze omstandigheden bij de bepaling van de straf geen rekening.

De rechtbank dient op grond van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen geldboete rekening te houden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte, zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Gelet op het aanmerkelijk hogere inkomen van verdachte dan gemiddeld ziet de rechtbank reden om een aanzienlijk hogere geldboete op te leggen dan gebruikelijk. Verdachte heeft een ernstige fout gemaakt en dient op vergelijkbare wijze te worden getroffen door de op te leggen sanctie. Gelet op al hetgeen hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete van € 5.000,00 moet worden opgelegd. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom een dergelijk strafbaar feit te plegen acht de rechtbank eveneens een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden op zijn plaats.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat zij betreurt dat, hoewel hiervoor aan verdachte geen strafrechtelijk verwijt valt te maken, in de onderhavige zaak een ongelukkig ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een persoon ernstig gewond is geraakt.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24, 24c, 91 Sr en 179, 180 Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair onder B tenlastegelegde

heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair onder A tenlastegelegde heeft begaan,

zoals hierboven omschreven;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Subsidiair onder A: het misdrijf: Overtreding van artikel 8 derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair onder A bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

bijkomende straf

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van zes (6) maanden;

- bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter de tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd, die gesteld wordt op 2 jaren, schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht;

- gelast, met in achtneming van de reeds verstreken termijn van de inhouding, teruggave van het rijbewijs aan verdachte op 21 mei 2010.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. M.C. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.