Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM5237

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
09 / 502 AW AQ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft terugvordering van teveel betaalde uitkering ziekengeld. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen. Veroordeling van verweerder tot vergoeding van door eiser geleden immateriele schade ad EUR 12.000,-- wegens overschrijding redelijke termijn artikel 6 EVRM met bijna 12 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 09 / 502 AW AQ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Justitie,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 6 april 2009.

2. Procesverloop

Eiser is van 19 september 1994 tot 19 september 1996 op basis van een tijdelijke aanstelling werkzaam geweest bij de Penitentiaire Inrichtingen te Almelo, aanvankelijk als medewerker zaalarbeid/reiniging en vanaf 1 januari 1995 als magazijnbeheerder. Bij besluit van 20 december 1996 heeft verweerder van eiser een bedrag van f. 55.858,52 netto (f. 120.197,05 bruto) aan teveel betaalde uitkering ziekengeld na ontslag over de periode 24 september 1996 tot en met 31 december 1996 teruggevorderd.

Eiser heeft op 23 december 1996 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 11 april 1997 heeft verweerder het bedrag van de terugvordering gecorrigeerd en nader vastgesteld op f. 84.073,96 bruto. Verweerder heeft het bezwaar van eiser geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 april 1997. Eiser is op 29 januari 2009 gehoord door de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht op het gebied van personele aangelegenheden Ministerie van Justitie (hierna te noemen: de bezwarencommissie). De bezwarencommissie heeft op 16 februari 2009 advies uitgebracht aan verweerder en heeft daarbij geadviseerd het bezwaar van eiser gegrond te verklaren.

Bij besluit van 6 april 2009 heeft verweerder op de daarin genoemde gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, besloten om het advies van de bezwarencommissie niet over te nemen en het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.

Tegen dit besluit heeft mr. J.H. Reints, advocaat te Enschede, op 14 mei 2009 namens eiser beroep ingesteld. Zij heeft de gronden van het beroep ingediend op 12 juni 2009.

Verweerder heeft op 8 juli 2009 een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 24

november 2009 heeft mr. J.H. Reints, voornoemd, zich teruggetrokken als gemachtigde van eiser.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 april 2010, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door [naam], terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. dr. J.A. Bijker, werkzaam bij De Werkmaatschappij van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3. Overwegingen

De rechtbank ziet aanleiding allereerst in te gaan op de grief van eiser over de lange duur van de besluitvorming van verweerder. Ter beoordeling ligt voor of in deze procedure een overschrijding heeft plaatsgevonden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze termijn begint in een procedure als de onderhavige te lopen op het moment waarop een belanghebbende bezwaar maakt tegen het primaire besluit, tenzij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in het geding is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken. In dit geval ziet de rechtbank daarom aanleiding om 23 december 1996, de datum van indiening van het bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit van 20 december 1996, te hanteren als moment van aanvang van deze termijn.

Gelet op de datum van het bestreden besluit, 6 april 2009, heeft de procedure ruim 12 jaar en 4 maanden jaar geduurd. Nu volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren, is de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn met bijna 12 jaar overschreden. Verweerder heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat de lange duur van de procedure mede het gevolg is van de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank is echter van oordeel dat hiervan geen sprake is. De wijze waarop verweerder is omgegaan met het bezwaarschrift is naar het oordeel van de rechtbank wellicht wel een oorzaak van de lange duur van de procedure maar die omstandigheid komt voor rekening van verweerder. In de omstandigheid dat partijen nog steeds verwikkeld zijn in een civiele procedure en in de omstandigheid dat verweerder in de periode tussen 4 december 1998 en 18 oktober 2002

- tevergeefs - heeft getracht ter zake van het bruto-netto verschil van de terugvordering een oplossing met de fiscus te bereiken, ziet de rechtbank evenmin rechtvaardiging voor een duur van deze besluitvorming van bijna 12 jaar. Nu verweerder geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd voor de lange duur van de procedure leidt het hiervoor overwogene tot de slotsom dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. Aannemelijk is dat eiser als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De rechtbank acht om die reden termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade. In niet-punitieve zaken heeft de CRvB een standaardtarief bepaald van EUR 500,-- vergoeding van immateriële schade voor elk half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij een afronding naar boven geldt voor het laatste deel van de overschrijding. Het bedrag van de door verweerder te vergoeden schade wordt bepaald op EUR 12.000,--.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Bij het bestreden besluit, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag van f. 84.073,96 bruto over de periode 19 september 1996 tot en met 31 december 1996 ongegrond verklaard.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het bestreden besluit is afgeweken van het advies van de bezwarencommissie. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb heeft verweerder de reden voor die afwijking in de beslissing vermeld en is het advies met de beslissing meegezonden.

Ten aanzien van de in geschil zijnde terugvordering moet worden vastgesteld dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan in beginsel bevoegd is hetgeen aan een ambtenaar onverschuldigd is betaald terug te vorderen en/of te verrekenen indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving.

Gelet op het gestelde in het beroepschrift en het verhandelde ter zitting moet worden geconstateerd dat eiser niet betwist dat verweerder hem over de periode 19 september 1996 tot en met 31 december 1996 onverschuldigd ziekengeld heeft uitbetaald en dat verweerder in beginsel bevoegd is om tot terugvordering en/of verrekening over te gaan. Eiser heeft het teruggevorderde bedrag van f. 55.858,52 netto inmiddels terugbetaald. De laatste betaling heeft in 1998 plaatsgevonden.

Het geschil tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag of verweerder zich bij zijn terugvordering had dienen te beperken tot het bedrag dat eiser in de periode 19 september 1996 tot en met 31 december 1996 netto is uitbetaald dan wel of hij daarbij tevens mocht betrekken hetgeen hij ter zake van die salarisbetaling ten behoeve van de fiscus aan loonbelasting heeft ingehouden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de terugvordering van het bruto bedrag van f. 84.073,96 kennelijk onredelijk en onevenredig belastend is voor hem. Eiser is van mening dat hij erop mocht vertrouwen dat hij met de netto terugbetaling van het verschuldigde bedrag aan zijn terugbetalingsverplichtingen had voldaan. Hij stelt zich op het standpunt dat de periode die hij na het besluit van 20 december 1996 nog had om voor 1 januari 1997 terug te betalen ten einde te voorkomen dat hij het bruto bedrag van de terugvordering zou moeten betalen, te kort is geweest. Eiser voert aan dat er destijds nog geen moderne middelen als internet-bankieren bestonden om snel geld te kunnen overmaken. Daarnaast stelt eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door na zijn bezwaarschrift van 23 december 1996 en ook in de periode tussen 1998 en 2002 niet voortvarend te werk te gaan. Eiser is verder van mening dat verweerder het advies van de bezwarencommissie onvoldoende gemotiveerd terzijde heeft geschoven en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Verweerder is van mening dat het besluit tot terugvordering van de onverschuldigde betaalde uitkering is genomen binnen de termijn van twee jaar die de in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt genoemd als de termijn waarover onverschuldigde betaling nog kan worden teruggevorderd. In het onderhavige geval heeft de onverschuldigde betaling plaatsgevonden in de periode van 19 september 1996 tot en met 31 december 1996. De terugvorderingsbesluiten zijn van 20 december 1996 en 11 april 1997. De terugvordering heeft derhalve binnen de genoemde termijn van twee jaar en daarom tijdig plaatsgevonden. De laatste betaling door eiser heeft plaatsgevonden op 4 december 1998. Verweerder heeft eiser op 18 oktober 2002 een aanmaning gestuurd voor betaling van het resterende bedrag van de bruto terugvordering. Deze aanmaning is slechts een uitvoeringshandeling van de eerdere besluiten tot terugvordering, waarvoor de verjaringstermijn van twee jaar niet geldt. Voor deze aanmaning geldt de verjaringstermijn van 5 jaar als bedoeld in artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek. De aanmaning heeft binnen die termijn plaatsgevonden en is daarom tijdig. In de periode tussen 4 december 1998 en 18 oktober 2002 heeft verweerder getracht om in overleg met de Belastingdienst een oplossing te vinden voor de situatie ten aanzien van het bruto-netto verschil. Terzake van de invordering van dit verschil loopt nog een civiele procedure tussen partijen in hoger beroep bij het Gerechtshof te Arnhem.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de bezwarencommissie. Van strijd met artikel 3:2 van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Waar het door verweerder ingehouden en afgedragen bedrag van door eiser verschuldigde loonbelasting behoort tot de - onverschuldigd gebleken - betaling van ziekengeld aan eiser, ziet de rechtbank niet dat het verweerder in beginsel niet vrij zou staan bedoeld bedrag bij de terugvordering te betrekken. De rechtbank overweegt daarbij dat afdoende vaststaat dat het voor verweerder ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 20 december 1996 op grond van de fiscale wetgeving niet (meer) mogelijk was de ingehouden loonbelasting zelf te verrekenen met de fiscus. Overigens heeft verweerder in het primaire besluit van

20 december 1996 eiser er duidelijk op gewezen dat het bruto bedrag van hem zou worden teruggevorderd indien hij het onverschuldigd uitbetaalde ziekengeld niet vóór 31 december 1996 zou terugbetalen. Wat betreft eisers grief dat de termijn die hij na 20 december 1996 nog had om het onverschuldigde bedrag voor 1 januari 1997 terug te betalen ten einde te voorkomen dat hij het bruto bedrag zou moeten terugbetalen onredelijk kort was en er toen nog niet de mogelijkheid van internetbankieren bestond om snel geld te kunnen overmaken, merkt de rechtbank op dat eiser weliswaar niet veel tijd restte om het onverschuldigd betaalde ziekengeld terug te betalen, maar dat het ook destijds mogelijk was om geld binnen zeer korte tijd per bank over te maken door middel van een telefonische overboeking. Eiser heeft er om hem moverende redenen voor gekozen eerst te proberen een terugbetalingsregeling met verweerder te treffen in plaats van terug te betalen vóór

31 december 1996. Dat eiser niet in staat was om het teveel ontvangen bedrag onmiddellijk terug te betalen omdat hij dit niet had gereserveerd maar had aangewend voor de aflossing van een privé-krediet voor de financiering van een auto, is een omstandigheid die voor zijn risico dient te worden gelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen komen tot zijn besluit het van eiser terug te vorderen bedrag te handhaven op het bruto-bedrag van

f. 84.073,96.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het (te vernietigen) bestreden besluit geheel in stand te laten.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het door eisers voormalige gemachtigde ingediende beroepschrift (1 punt ad EUR 322, bij een zaak van gemiddeld zwaarte), alsmede de reiskosten van eiser in verband met de zitting van de rechtbank ad EUR 9,80.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 331,80, door verweerder te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden schade en bepaalt die schade op EUR 12.000,--;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad EUR 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

Afschrift verzonden op

mtl