Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM4262

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
106861 / FA RK 09-1440 (PS)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrouw verzoekt vaststelling van kinderalimentatie. De man verzoekt nihilstelling van de kinderalimentatie. Verwijtbare werkloosheid. Toepassing van fictieve draagkracht mag er niet toe leiden dat het inkomen van de man beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm zakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 106861 / FA RK 09-1440 (PS)

Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 april 2010, in de zaak van:

[Eiseres]

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats]

verzoekster,

advocaat: mr. T. Seker,

tegen

[Gedaagde]

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats]

belanghebbende,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin.

Het procesverloop

Bij op 6 november 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vrouw verzocht de kinderalimentatie vast te stellen.

Op 30 december 2009 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Dit verweerschrift bevat een zelfstandig verzoek. Op 3 februari 2010 is hiertegen een verweerschrift ingediend.

Op 9 februari 2010 heeft de man aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 februari 2010. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld van mr. Seker en de man vergezeld van mr. Sabaroedin. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Op 3 maart 2010 heeft de man aanvullende stukken in het geding gebracht.

Op 24 maart 2010 heeft de vrouw gereageerd naar aanleiding van de door de man ingediende aanvullende stukken.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

[naam], geboren te [plaats] op [2002],

[naam], geboren te [plaats] op [2002]

[naam], geboren te [plaats] op [2007]

De man heeft de kinderen erkend.

De standpunten van partijen

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 171,67 per kind per maand.

De man heeft verweer gevoerd en heeft verzocht de bijdrage in de kosten van de minderjarigen vast te stellen op nihil. Bij zelfstandig verzoek heeft de man verzocht de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de verzochte omgangsregeling, doch wel ten aanzien van het brengen van de kinderen naar de man. Zij heeft verzocht dit gedeelte van het zelfstandig verzoek af te wijzen en te bepalen dat de man voor het ophalen en terugbrengen van de kinderen zal zorgdragen.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken

De man heeft verzocht, waartegen door de vrouw geen verweer is gevoerd, de zorgverdeling als volgt vast te stellen:

- de minderjarigen hebben eens per 14 dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur omgang met de man;

- de minderjarigen zullen gedurende de zomervakantie een aaneengesloten periode van twee weken bij de man verblijven;

- de minderjarigen verblijven de tweede kerstdag, tweede paasdag en tweede pinksterdag, dan wel de eerste kerstdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag bij de man.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze regeling in het belang van de minderjarigen, zodat dienovereenkomstig zal worden bepaald.

Daarnaast is aan de orde de vraag wie de minderjarigen in de weekenden dat zij bij de man verblijven van [woonplaats] naar [woonplaats] brengt. De man heeft gesteld dat de vrouw bijzondere bijstand heeft verkregen en zodoende financieel in staat moet worden geacht de minderjarigen naar [woonplaats] te brengen. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist. De rechtbank acht derhalve niet aannemelijk dat de vrouw financieel in staat is de minderjarigen eens per 14 dagen naar [woonplaats] te brengen. De man heeft zelf de keuze gemaakt om te verhuizen naar [woonplaats] en had er rekening mee moeten houden dat die keuze ook ten aanzien van de omgang behoorlijke consequenties zou hebben. Zulks in aanmerking genomen, alsmede het gegeven dat de vrouw financieel niet in staat is de minderjarigen te brengen, dient naar het oordeel van de rechtbank de man zelf zorg te dragen voor het ophalen en terugbrengen van de minderjarigen. De man heeft zich daartoe overigens ook bereid verklaard, mits bij het bepalen van zijn draagkracht rekening wordt gehouden met de reiskosten ad € 95,-- per maand, waarmee de vrouw heeft ingestemd. De rechtbank acht het in dit specifieke geval redelijk om rekening te houden met de reiskosten in verband met de omgang met de minderjarigen en zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de man deze kosten meenemen.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen

Behoefte

Voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige kinderen van partijen zoekt de rechtbank aansluiting bij het rapport kosten van kinderen en de daarbij behorende tabel die jaarlijks wordt aangepast. Uitgangspunt is het gezinsinkomen zoals dat was tijdens de samenleving van partijen. Om dit gezinsinkomen te kunnen bepalen, dient van beide partijen het netto inkomen ten tijde van de samenleving te worden vastgesteld.

Beide partijen hebben gesteld dat het netto inkomen van de man ten tijde van de samenleving

€ 1.250,-- per maand bedroeg, zodat de rechtbank dit als vaststaand aan zal merken. Ter zake de inkomsten van de vrouw ten tijde van de samenleving verschillen partijen van mening. De vrouw heeft gesteld dat zij € 720,32 netto per vier weken, zijnde € 780,14 per maand ontving. De man heeft gesteld dat de vrouw slechts € 700,- netto per maand ontving. Partijen hebben hun affectieve relatie - en de rechtbank gaat er van uit op dat moment ook hun samenleving- beëindigd in april 2008. Door de vrouw zijn salarisspecificaties overgelegd met betrekking tot de periode 28 januari 2008 tot en met 20 april 2008, waaruit blijkt dat de vrouw niet minder dan € 720,13 per vier weken ontving, zodoende € 780,14 netto per maand.

Het gezamenlijke gezinsinkomen bedroeg ten tijde van de samenleving zodoende € 1.250,-- + € 780,-- = € 2.030,--. Aan de hand van het rapport, het netto maand¬inkomen en de leeftijd van de kinderen is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen minimaal vast te stellen op € 515,-- per maand.

Draagkracht

De man heeft gesteld over onvoldoende draagkracht te beschikken om enige bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. In de periode sinds indiening van het verzoekschrift is de inkomenssituatie van de man meermaals veranderd, zodat de rechtbank meerdere berekeningen op dient te stellen.

Bij al deze berekeningen zal de rechtbank rekening houden met de premie ziektekostenverzekering ad € 123,95 per maand. De man heeft gesteld dat met € 127,-- per maand rekening zou moeten worden gehouden, maar heeft een bankoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij € 123,95 aan Menzis betaalt. De kennelijke bedoeling van dit bankafschrift is om aan te tonen dat hij maandelijks € 123,95 aan premie betaald. Stukken waaruit blijkt dat hij € 127,-- per maand voldoet, zijn door de man niet overgelegd. De rechtbank zal met een bedrag van € 123,95 rekening houden, nu een dergelijk bedrag naar het oordeel van de rechtbank ook niet onredelijk is.

Daarentegen zal de rechtbank bij de berekeningen geen rekening houden met het door de man opgevoerde wettelijk verplichte eigen risico ter zake ziektekosten, nu niet gesteld of gebleken is dat het eigen risico daadwerkelijk is gerealiseerd.

De man heeft aangetoond dat hij maandelijks € 150,-- aflost aan een schuld bij DSB, welke schuld tijdens samenleving van partijen is ontstaan. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het meenemen van deze aflossing in de draagkrachtberekeningen. Nu de man deze aflossing ook daadwerkelijk voldoet, zal de rechtbank met een bedrag van € 150,-- per maand rekening houden.

Periode tot en met 30 november 2009

In de periode vanaf datum indiening verzoekschrift, zijnde 6 november 2009, tot en met

30 november 2009 was de man werkzaam bij Van der H. Autogasspecialisten. Op

30 november 2009 heeft de man zijn ontslag ingediend in verband met de ophanden zijnde verhuizing naar Rijswijk.

De rechtbank zal allereerst voor deze periode een draagkrachtberekening opstellen. Daarbij wordt van de navolgende gegevens uitgegaan:

- bruto arbeidsinkomen (per maand) € 1.774,--

- vakantietoeslag 8% (per jaar) € 1.703,--

- ouderdomspensioen MNS (per maand) € 80,83

- WIA-bodemverzekering (per maand) € 1,20

- WGA-hiaatverzekering (per maand) € 1,20

- inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (per maand) € 116,66

- algemene heffingskorting (per jaar) € 1.987,--

- arbeidskorting (per jaar) € 1.489,--

- bijstandsnorm alleenstaande (per maand) € 909,--

- premie ziektekostenverzekering (per maand) € 123,95

- zorgtoeslag (per maand) € 59,--

- kosten omgangsregeling (per maand) € 75,--

- aflossing schuld DSB (per maand) € 150,--

De man heeft verzocht in de draagkrachtberekening rekening te houden met huurlasten. De man heeft niet aangetoond dat hij deze lasten reeds in de maand november voldeed. Daarentegen heeft de vrouw, zonder dat de man dit heeft betwist, gesteld dat de man gedurende een periode voordat hij naar Rijswijk verhuisde bij zijn ouders is verbleven. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij reeds in november woonlasten heeft voldaan, zodat geen rekening zal worden gehouden met enige lasten in dat kader.

De rechtbank gaat er vanuit dat de man in de maand november 2009 nog in Enschede woonde en dat de kosten van de omgang zodoende beperkt bleven tot de daadwerkelijke verblijfskosten. De man heeft gesteld dat de verblijfskosten € 75,-- per maand bedroegen, hetgeen door de vrouw niet is betwist. De rechtbank zal daarom met dit bedrag rekening houden.

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de man in staat moet worden geacht om met betrekking tot de periode tot en met 30 november 2009 een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 65,-- per kind per maand.

Periode vanaf 1 december 2009 tot 2 januari 2010

Bij besluit van 10 februari 2010 van de gemeente Rijswijk is per 2 december 2009 aan de man en zijn nieuwe partner een WWB-uitkering verstrekt. Tevens is besloten dat vanaf

2 december 2009 de bijstand met 100% zal worden verlaagd voor de periode van een maand, omdat de man door eigen toedoen verwijtbaar werkloos is geworden.

De vrouw heeft gesteld dat de inkomensvermindering door de man zelf veroorzaakt is en dat de man in alle redelijkheid in staat moet worden geacht een gelijk inkomen te verwerven.

Naar het oordeel van de rechtbank is de man inderdaad verwijtbaar werkloos geworden. De man heeft immers zelf zijn arbeidsovereenkomst beëindigd in verband met zijn voornemen om naar Rijswijk te verhuizen. De man heeft deze keuze welbewust gemaakt en de gevolgen daarvan dienen door hem zelf gedragen te worden en niet door de minderjarige kinderen. Niet is gebleken van redenen waarom niet van de man zou kunnen worden gevergd dat hij het oude inkomen weer gaat verwerven.

In geval er sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de rechtbank aan de hand van de fictieve draagkracht bepalen met welk bedrag de alimentatieplichtige alsnog dient bij te dragen. Toepassing van een fictieve draagkracht mag er echter niet toe leiden dat het inkomen van de man zakt beneden het niveau van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande en zodoende dat de man feitelijk over onvoldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien. De man heeft in de periode 1 december 2009 tot 2 januari 2010 helemaal geen inkomsten genoten. Zijn nieuwe partner heeft evenmin inkomsten genoten. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve evident dat de man in deze periode over onvoldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien en niet in staat kan worden geacht een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. Een berekening van de fictieve draagkracht is dan ook niet nodig. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de bijdrage voor de periode 1 december 2009 tot 2 januari 2010 op nihil vaststellen.

Periode vanaf 2 januari 2010 tot 15 februari 2010

Vanaf 2 januari 2010 ontvangt de man samen met zijn nieuwe partner een WWB-uitkering conform de bijstandsnorm voor een echtpaar. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat het duidelijk is dat er geen draagkracht is voor een bijdrage in de kosten van de kinderen, wanneer een WWB-uitkering is verstrekt. De rechtbank begrijpt deze stelling van de vrouw aldus dat zij geen verweer voert tegen nihilstelling van de bijdrage in de kosten van de kinderen voor wat betreft de periode vanaf 2 januari 2010 tot 15 februari 2010. De rechtbank zal de bijdrage derhalve ook voor deze periode op nihil stellen.

Periode vanaf 15 februari 2010

Met ingang van 15 februari 2010 werkt de man weer. De rechtbank zal aan de hand van de salarisspecificatie van februari 2010 en de arbeidsovereenkomst de draagkracht van de man bepalen.

De man heeft gesteld dat zijn huidige partner geen inkomsten geniet, hetgeen door de vrouw niet is betwist. De huidige partner van de man heeft naar het oordeel van de rechtbank recht op uitkering van een bedrag gelijk aan de voor haar geldende algemene heffingskorting. De rechtbank is van oordeel dat van de partner verwacht mag worden dat zij dit bedrag aanwendt om bij te dragen in de woonlasten. Zodoende zal de rechtbank rekening houden met een bijdrage in de woonlasten van € 165,58 per maand.

Bij deze berekening wordt uitgegaan van de volgende gegevens:

- bruto arbeidsinkomen (per maand) € 1.764,--

- vakantietoeslag 8% (per jaar) € 1.693,--

- ouderdomspensioen (per maand) € 90,88

- inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (per maand) € 120,49

- algemene heffingskorting (per jaar) € 1.987,--

- arbeidskorting (per jaar) € 1.489,--

- bijstandsnorm alleenstaande (per maand) € 909,--

- woonlasten (per maand) € 470,22

- bijdrage partner in de woonlasten (per maand) € 165,88

- premie ziektekostenverzekering (per maand) € 123,95

- kosten omgangsregeling (per maand) € 170,--

- aflossing schuld DSB (per maand) € 150,--

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de man in staat moet worden geacht om vanaf

15 februari 2010 een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 3,33 per kind per maand.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hieruit geboren minderjarigen betreft.

De beslissing

De rechtbank:

I. Bepaalt het bedrag dat de man vanaf 6 november 2009 tot 1 december 2009 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 65,-- (vijfenzestig euro) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

II. Bepaalt het bedrag dat de man vanaf 1 december 2009 tot 15 februari 2010 aan de vrouw

zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op

NIHIL.

III. Bepaalt het bedrag dat de man vanaf 15 februari 2010 aan de vrouw zal voldoen als

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 3,33

(drie euro en drieëndertig eurocent) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te

voldoen.

IV. Treft inzake het recht van de man op, en zijn verplichting tot omgang met de minderjarigen met ingang van heden de navolgende regeling:

- de minderjarigen hebben eens per 14 dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur omgang met de man;

- de minderjarigen verblijven gedurende de zomervakantie een aaneengesloten periode van twee weken bij de man;

- de minderjarigen verblijven de tweede kerstdag, tweede paasdag en tweede pinksterdag, dan wel de eerste kerstdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag bij de man.

V. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

VII. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. E.V.A. Groener en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010 in tegenwoordigheid van mr. P.M.F. Schreurs, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.