Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM3422

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
106870 / FA RK 09-1446
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man verzoekt wijziging eerdere alimentatiebeschikking met terugwerkende kracht, vanwege het van aanvang af aan niet hebben voldaan aan de wettelijke maatstaven. Dit wordt verworpen. Wel is er sprake van een wijziging van omstandigheden. Geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 106870 / FA RK 09-1446 (MHL)

Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 21 april 2010, in de zaak van:

[Eiser],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. M.P. Smit,

tegen

[gedaagde],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

advocaat: mr. D. Beuving.

Het procesverloop

Bij op 5 november 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de man verzocht de kinderalimentatie op nihil te stellen.

Op 4 januari 2010 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Op 12 maart 2010 heeft de man aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 maart 2010. Ter zitting zijn partijen vergezeld door hun raadslieden verschenen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:

[dochter], geboren te [geboorteplaats] op [2000].

De man heeft het kind erkend.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 10 september 2003 is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2003 een kinderalimentatie dient te voldoen van € 200,- per maand. Door indexering bedraagt de alimentatie thans € 231,26 per maand.

De standpunten van partijen

De man stelt dat hij van de alimentatieprocedure in 2003 niet op de hoogte was. In 2004 is door het LBIO beslag gelegd onder zijn werkgever. Destijds is vijfmaal een onderhoudsbijdrage geïncasseerd, waarna de man jarenlang niets meer heeft vernomen over zijn onderhoudsbijdrage, zodat de man er vanuit ging dat er geen behoefte meer aan alimentatie bestond. Op 19 juni 2009 is opnieuw tot betekening van de beschikking aan de man overgegaan en is er loonbeslag gelegd onder zijn werkgever, waarbij maandelijks

€ 185,- wordt ingehouden. De achterstallige alimentatie bedraagt inmiddels ruim € 17.000,-. Daarnaast wordt de man nog met andere schulden geconfronteerd, waardoor hij waarschijnlijk binnen afzienbare tijd een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal moeten indienen. De man stelt dat hij sinds jaren onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde alimentatie te voldoen. Inmiddels is er bij de man een wijziging van omstandigheden ontstaan, nu de man op 28 augustus 2009 in het huwelijk is getreden. Zijn echtgenote heeft een kind uit een eerdere relatie, waarvoor zij geen alimentatie ontvangt, terwijl de man met zijn echtgenote samen ook een kind heeft gekregen. De echtgenote van de man kan niet in haar eigen levensonderhoud voorzien, vanwege een borderline-stoornis. De man moet dan ook als kostwinner worden beschouwd. De man verzoekt om nihilstelling vanaf 1 januari 2005, subsidiair vanaf 1 oktober 2008, meer subsidiair vanaf de datum waarop het verzoekschrift is ingediend.

De vrouw verweert zich tegen de stellingen van de man. Zij stelt dat de man zeer wel op de hoogte is geweest van de alimentatieprocedure van destijds. Door zijn toenmalige advocaat is enkele malen uitstel voor verweer gevraagd. Ook door de incassomaatregelen van het LBIO in 2004 is de man op de hoogte geweest van de procedure en de uitkomst daarvan. De man had destijds maatregelen moeten nemen, wanneer hij van mening zou zijn dat de beschikking onjuist was. De vrouw meent dat de man tot betaling van de achterstand gehouden is en dat geen rekening dient te worden gehouden met de overige schulden van de man, nu hij de noodzaak van deze schulden niet heeft aangetoond. De vrouw betwist dat de echtgenote van de man niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Met het uit deze nieuwe relatie geboren kind moet wel rekening worden gehouden in die zin dat de gevonden draagkracht moet worden verdeeld. Een eventuele wijziging van de eerdere beschikking, op grond van gewijzigde omstandigheden, dient niet eerder in te gaan dan de datum waarop het verzoekschrift is ingediend.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. De man heeft de behoefte van [dochter] aan de vastgestelde bijdrage niet betwist, zodat de rechtbank van deze behoefte uitgaat.

2. Uit het betoog van de man, inhoudende dat zijn draagkracht nimmer toereikend is geweest om de bij beschikking vastgelegde alimentatie te voldoen, begrijpt de rechtbank dat hij zich beroept op de wijzigingsgrond van artikel 1: 401 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw meent dat, indien er al sprake zou zijn van een beschikking die van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, dit aan de man zelf te wijten is, nu hij immers destijds verweer had kunnen voeren, hoger beroep had kunnen instellen of veel eerder een wijzigingsprocedure aanhangig had kunnen maken. Voor zover de vrouw met dit verweer bepleit dat de man zijn recht heeft verwerkt om op grond van genoemd artikel een wijziging van de alimentatie te verzoeken met terugwerkende kracht, vindt deze gevolgtrekking geen steun in de wet en de jurisprudentie. De omstandigheid dat het aan de alimentatieplichtige zelf heeft gelegen dat de rechter is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, is immers geen beletsel voor wijziging of intrekking van een eerdere beschikking. Hetzelfde geldt als een onvolkomenheid in hoger beroep had kunnen zijn hersteld.

Het is wel aan degene die wijziging verzoekt, in dit geval de man, om aannemelijk te maken dat de uitspraak van aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Ter onderbouwing van deze stelling legt de man uitsluitend de zogenaamde IB60-verklaringen van de belastingdienst over, waaruit de bij de belastingdienst bekende inkomensgegevens over de jaren 2003 tot en met 2008 blijken. De man laat echter na verdere inzage in zijn inkomsten en de (destijds) voor zijn rekening komende lasten te geven, zodat de rechtbank geen grondig onderzoek naar de draagkracht van de man in de afgelopen jaren kan verrichten en derhalve niet kan vaststellen of de beschikking van 10 september 2003 niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Dit heeft tot gevolg dat een wijziging op deze grond niet toewijsbaar is.

3. Subsidiair heeft de man gesteld dat hij thans, door gewijzigde omstandigheden, niet meer in staat is om de vastgestelde alimentatie te voldoen. Deze wijziging is met name gelegen in zijn gewijzigde gezinssituatie. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Als onbetwist staat tussen partijen vast dat de man op 28 augustus 2009 in het huwelijk is getreden met zijn echtgenote en dat tot hun gezin behoren een kind van 5 jaar van de echtgenote van de man en een kind van 2 jaar van de man en zijn echtgenote gezamenlijk. De echtgenote van de man ontvangt voor het kind van 5 jaar geen kinderalimentatie. De man is onderhoudsplichtig jegens het jongste kind vanaf de geboorte en voor het oudste kind vanaf de datum van het huwelijk. Dit levert een wijziging van omstandigheden op die een onderzoek naar de draagkracht van de man mogelijk maakt.

4. Ter zitting heeft de man gesteld dat zijn echtgenote, vanwege borderline-problematiek, niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl zij niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering omdat de stoornis eerst op of omstreeks haar 19e jaar is vastgesteld. De man heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl de vrouw heeft betoogd dat de man als alleenstaande dient te worden beschouwd en de stellingen van de man heeft betwist. De rechtbank overweegt dat de man niet heeft voldaan aan zijn (nadere) stelplicht terzake de noodzaak om in het levensonderhoud van zijn echtgenote te voorzien. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn (stief)kinderen ingevolge het per 1 maart 2009 gewijzigde artikel 1: 400 BW voorrang heeft boven zijn onderhoudsverplichting jegens zijn echtgenote. Indien er aan de zijde van de man draagkracht wordt gevonden, dient dit derhalve eerst over zijn (stief)kinderen te worden verdeeld. De man zal derhalve als alleenstaande worden beschouwd bij het bepalen van zijn draagkracht.

5. Ter berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een bruto-jaarinkomen van € 15.105,-, zijnde het toetsingsinkomen waarmee de belastingdienst heeft gerekend bij het vaststellen van de diverse toeslagen over 2010. De man heeft een groot gedeelte van 2009 inkomsten uit arbeid verworven. Met deze inkomsten zou hij een bruto-jaarinkomen van € 17.900,- verwerven. De vrouw is van mening dat met deze inkomsten moet worden gerekend. Thans ontvangt de man echter inkomen uit Ziektewet-uitkering, hetgeen jaarlijks op een bruto-inkomen van € 12.464,- uitkomt. De man meent dat dit als uitgangspunt dient te worden gehanteerd. Het door de belastingdienst gekozen toetsingsinkomen vormt een gemiddelde van deze twee situaties. Nu de man niet heeft gesteld bezwaar te hebben gemaakt tegen de vaststelling door de belastingdienst, neemt de rechtbank aan dat dit toetsingsinkomen een reëel uitgangspunt is. De man heeft evenmin gesteld of aannemelijk gemaakt dat hij voor langere tijd niet aan het arbeidsproces zal kunnen deelnemen. De rechtbank overweegt dat van de man verlangd mag worden dat hij er alles aan doet om zo snel mogelijk weer inkomsten uit arbeid te verwerven om daarmee aan zijn onderhoudsverplichtingen te kunnen voldoen.

6. De rechtbank rekent de helft van het kindgebonden budget waar de man en zijn echtgenote aanspraak op kunnen maken toe aan de man. Dit betreft een bedrag van € 661,- per jaar.

7. Terzake de huur heeft de man gesteld dat hij in december 2009 is verhuisd naar een duurdere huurwoning. Waar hij eerst een huur van € 322,60 per maand betaalde, heeft hij thans een huurlast van € 533,16 per maand. De vrouw heeft bepleit dat met deze verhoogde huurlast geen rekening moet worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de gewijzigde gezinssituatie van de man in de rede ligt dat hij een grotere woning heeft betrokken, waarvan de huurlast als redelijke huurlast valt aan te merken. De rechtbank zal dan ook rekenen met deze huurlast verminderd met de huurtoeslag van € 280,- per maand waar de man alsdan aanspraak op kan maken, alsmede verminderd met de gemiddelde basishuur van € 207,- die in de bijstandsnorm is verdisconteerd. Er wordt vanuit gegaan dat de partner van de man voor de helft in de netto woonlasten bijdraagt, zodat hiermee eveneens rekening is gehouden.

8. De man heeft geen bewijsstukken overgelegd ter zake de door hem te betalen premie ziektekosten. Hij heeft gesteld dat deze premie € 169,48 per maand bedraagt. De rechtbank gaat er vanuit dat dit de premie voor de man én zijn echtgenote betreft, zodat met de helft van dit bedrag rekening wordt gehouden, waarop de helft van de ontvangen zorgtoeslag in mindering wordt gebracht.

9. De rechtbank houdt geen rekening met de maandelijkse afbetaling op de achterstallige alimentatie van € 185,- per maand, nu dit feitelijk zou betekenen dat de alimentatiegerechtigde de achterstallige alimentatiebetalingen zou financieren. Ten aanzien van de overige schulden heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarvoor en wanneer deze schulden zijn aangegaan, wat de hoofdsom is en of en zo ja met welk bedrag op deze schulden wordt afgelost.

10. De door de man opgevoerde premie begrafenisverzekering wordt, conform de aanbevelingen van de werkgroep Alimentatienormen, niet meegerekend.

11. Aldus rekenend heeft de man een draagkrachtruimte van € 224,- per maand, waarvan 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie, derhalve € 157,- per maand. Zoals hierboven aangegeven, dient deze draagkracht te worden verdeeld over de drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is. De man is derhalve in staat om voor [dochter] bij te dragen met een bedrag van € 52,- per maand.

12. Ten aanzien van de ingangsdatum oordeelt de rechtbank dat de vrouw eerst rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie vanaf de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend, zijnde 5 november 2009. De rechtbank zal de gewijzigde kinderalimentatie dan ook vaststellen per deze datum.

13. De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hieruit geboren minderjarige betreft.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 10 september 2003 in die zin dat de man vanaf 5 november 2009 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [dochter] een bedrag van € 52,- (zegge: tweeënvijftig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

II. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

III. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

IV. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H. van der Lecq en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.