Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM3415

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
110445 / JE RK 10-424
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ouders zijn het niet eens met het beleid van de gezinsvoogdijinstelling.

Kinderrechter is van oordeel dat binnen een lopende OTS de gezinsvoogdijinstelling in beginsel de eerstverantwoordelijke is voor het te voeren beleid en voor de in te zetten vorm van hulpverlening. Afwijzing van het verzoek van de ouders om tot beeindiging van de uithuisplaatsing over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 110445 / JE RK 10-424 (O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo d.d. 26 april 2010

inzake

[Verzoekster] en

[verzoeker]

beiden wonende te [woonplaats],

verder te noemen de ouders,

verzoekers.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

• Stichting Bureau Jeugdzorg, gevestigd te Enschede;

• Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Almelo.

Het procesverloop

Op 1 april 2010 is een verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing van nader te noemen minderjarigen ter griffie ingekomen.

Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 6 april 2010. Ter zitting zijn verschenen: de ouders, mevrouw E.J.M. van Berkel namens de Stichting Bureau Jeugdzorg (verder te noemen BJZO) en de heer Bijker namens de Raad voor de Kinderbescherming. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders hebben twee kinderen, te weten:

[kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [1999],

[kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [2001].

De man heeft de kinderen erkend. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder.

Op 8 september 2009 heeft de kinderrechter te Almelo de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van een jaar, ingaande 23 september 2009, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel te Enschede als gezinsvoogdijinstelling.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

[Kind 1] en [kind 2] verblijven al enige tijd in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot plaatsing in het pleeggezin zijn bij beschikking van 8 september 2009 met ingang van 23 september 2009 voor de duur van een jaar verlengd. Voorzover bekend hebben de ouders tegen die beslissing geen hoger beroep ingesteld. De appeltermijn is inmiddels verstreken.

De ouders blijken het op dit moment met verdere uithuisplaatsing niet langer eens. Vader heeft media-aandacht gezocht en kenbaar gemaakt dat hij het met het beleid van de gezinsvoogdijinstelling BJZO niet eens is. Verkort zakelijk weergegeven is dat beleid dat de ouders samen met de kinderen ter observatie en hulpverlening enige tijd opgenomen zouden moeten worden voor gezinsbehandeling in een voorziening in Beilen. Zoals dat wordt geadviseerd in het zogeheten en aan de ouders ook bekende zeer recente AMOD rapport van Jarabee-Tesinkweide. Ter zitting heeft mevrouw Van Berkel namens BJZO gezegd dat zo’n opname via de AWBZ bekostigd zou kunnen worden en dat vader’s bezwaar dat hij (ook) vanwege zijn werk als taxichauffeur aan het plan van BJZO zou kunnen meewerken, daarmee opgelost zou zijn.

De ouders hebben ter zitting op 6 april 2010 uitdrukkelijk verklaard dat zij niet met de kinderen in Beilen opgenomen willen worden. Ze zien het nut daar niet van in. Ze herkennen de zorgpunten uit het AMOD rapport niet, althans niet als zo ernstig als door Tesinkweide aangegeven. Zij blijven van mening dat de kinderen steeds meer lijden onder de uithuisplaatsing en zij dringen aan op beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin waarvan het adres nog steeds niet aan de ouders bekend is gemaakt.

BJZO houdt vast aan opname in Beilen voordat over eventuele terugplaatsing te spreken valt. Omdat het een opname van ouders met kinderen betreft is een machtiging van de kinderrechter kennelijk niet nodig.

De kinderrechter stelt voorop dat binnen een lopende OTS de gezinsvoogdijinstelling in beginsel de eerstverantwoordelijke is voor het te voeren beleid en voor de in te zetten vorm van hulpverlening. Voor een aantal vormen van hulpverlening is de machtiging van de kinderrechter nodig. Zoals voor (het voortzetten van) plaatsing in een pleeggezin tegen de wens van de ouders in. Op grond van hetgeen op 8 september 2009 ter zitting is gebleken heeft de kinderrechter voortzetting van de plaatsing van beide kinderen in het pleeggezin in hun belang geoordeeld. Het is niet aan de kinderrechter om te beslissen of er, lopende een uithuisplaatsing, een onderzoek met betrekking tot de kinderen wordt uitgevoerd, zoals in de afgelopen periode door AMOD bij [kind 1] en [kind 2] is gebeurd. Het is evenmin aan de kinderrechter om te beoordelen of op grond van de adviezen uit zo’n rapport wel of niet een gezinsbehandeling in Beilen zou moeten plaatsvinden. Het is aan de gezinsvoogdes om op grond van dat rapport keuzes te maken voor het verder te volgen parcours binnen de ondertoezichtstelling. Dat heeft zij gedaan door het advies van gezinsbehandeling in Beilen over te nemen en conditio sine qua non te laten zijn voor een terugkeer van de kinderen bij de ouders. Dat zij zo.

Als de ouders niet mee willen of niet mee kunnen gaan op de weg die de gezinsvoogdes heeft uitgestippeld, dan is er echter wel een probleem. Er ontstaat dan een patstelling: ouders willen niet met de kinderen naar Beilen en volgens de gezinsvoogdes is terugkeer naar huis dan (dus) niet aan de orde. De kinderrechter heeft nu te beslissen op het verzoek van de ouders om, zonder het tussenstation Beilen, de pleeggezinplaatsing te beëindigen. Dat verzoek moet op dit moment worden afgewezen. Voor de kinderrechter is het duidelijk dat er eerst wat moet gebeuren voordat terugplaatsing verantwoord zou kunnen plaatsvinden. Dat “iets” is volgens BJZO “Beilen”. De kinderrechter neemt daar kennis van en heeft daar geen invloed op omdat het – als meer overwogen – aan de gezinsvoogd is om keuzes te maken met betrekking tot de weg waarlangs iets moet gebeuren. Denkbaar ware wellicht eventueel mogelijk geweest dat het onderzoek door een ander onderzoeksinstituut dan AMOD had plaatsgevonden en dat na zo’n ander onderzoek een ander advies zou zijn gegeven. Bijvoorbeeld: “terug naar huis met intensieve orthopedagogische, mogelijk psychiatrisch getinte hulpverlening in de thuissituatie door IOG Hulp aan Huis of Tien voor Toekomst.” Een dergelijk ander onderzoek is er echter niet en dan nog is het aan de gezinsvoogdes om te bepalen of voor een dergelijke constructie gekozen moet worden. Een dergelijke stap zou in dat geval via de toetsing van het voorgenomen besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin, nog wel door de Raad voor de Kinderbescherming goedgekeurd moeten worden.

Samenvattend: de gezinsvoogdes bepaalt de koers en zij kiest voor Beilen. Nu ouders daar niet aan mee willen werken en een terugkeer zonder tussenstation Beilen, in een situatie waarin niet voor intensieve hulp aan huis wordt (of: hoeft te worden) gekozen door de gezinsvoogdes, niet te verantwoorden valt, rest niet anders dan afwijzing van het verzoek van de ouders om tot beëindiging van de plaatsing over te gaan.

De beslissing

De kinderrechter wijst af het verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2010 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.