Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM3388

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
107129 / FA RK 09-1516
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige. Ontvankelijkheid, behoefte. Vader doet beroep op matigingsrecht en verzoekt toelating tot betaling in natura door verschaffen van inwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 107129 / FA RK 09-1516 (MHL)

Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 april 2010, in de zaak van:

[Eiser],

verder ook de zoon te noemen,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. E.M. Elfrink,

tegen

[gedaagde],

verder ook de vader te noemen,

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

advocaat: mr. P. Benders.

Het procesverloop

Bij op 17 november 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de zoon verzocht een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vast te stellen.

Op 19 januari 2010 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Op 26 februari 2010 heeft de zoon aanvullende stukken in het geding gebracht.

Op 11 maart 2010 heeft de vader aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 maart 2010. Ter zitting zijn verschenen: de zoon vergezeld door mr. Elfrink. Namens de man is mr. Benders verschenen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Op 24 maart 2010 heeft de zoon aanvullende stukken in het geding gebracht. Namens de man heeft mr. Benders ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben om op deze stukken te reageren.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

De zoon is op [1990] geboren uit het huwelijk van de vader en [moeder], hierna te noemen: de moeder. Het huwelijk van de ouders is in 1999 ontbonden.

Bij beschikking van 20 februari 2001 van de rechtbank Arnhem is de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld op ƒ 250,- per kind per maand. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van 12 november 2002 de alimentatieverplichting gewijzigd en op

€ 63,- per kind per maand bepaald. Op verzoek van de man is de alimentatie bij beschikking van de rechtbank Almelo van 9 maart 2005, de zoon was toen 14 jaar oud, op nihil vastgesteld, in verband met de toelating van de man tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Met ingang van 10 juni 2008 is de WSNP beëindigd en is aan de man een schone lei verklaring afgegeven.

De zoon heeft een geslachtsnaamswijziging ondergaan en draagt thans de geslachtsnaam van de echtgenoot van de vrouw.

De standpunten van partijen

De zoon stelt - kort weergegeven - dat hij behoefte heeft aan een bijdrage van zijn vader in de kosten van levensonderhoud en studie. Hij stelt dat zijn totale behoefte ruim € 1.000,- per maand bedraagt. De zoon ontvangt een studiefinanciering van € 737,- per maand, waarvan

€ 200,- een lening is. De zoon meent dat zijn vader voldoende draagkracht heeft om een bijdrage van € 250,- per maand aan hem te voldoen en hij verzoekt om deze bijdrage met ingang van 6 april 2009 vast te stellen, omdat de vader op dat moment is aangeschreven, met het verzoek zijn financiële gegevens te overleggen ter vaststelling van een bijdrage.

De vader verweert zich tegen het verzoek. Hij stelt - kort weergegeven - primair dat de zoon niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het verzoek niet correct is geformuleerd. Subsidiair betwist de vader de behoefte van de zoon aan een bijdrage van € 250,- per maand en betwist hij draagkracht te hebben om in deze behoefte te kunnen voorzien. Meer subsidiair meent de vader dat een eventuele bijdrage gematigd dient te worden op grond van artikel 1:399 Burgerlijk Wetboek (BW) vanwege kwetsende gedragingen van de zoon jegens de vader. Tenslotte beroept de vader zich op artikel 1:398 lid 2 BW, inhoudende dat hij wenst toegelaten te worden tot het in huis opnemen van de zoon om op deze wijze in de behoefte van de zoon te voorzien.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de zoon niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij zijn petitum niet naar de eisen van de wet zou hebben geformuleerd. De zoon zou met name niet duidelijk hebben gemaakt of hij een wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie, dan wel een vaststelling van een bijdrage verzoekt. De rechtbank oordeelt dat een verzoekschrift ingevolge artikel 278 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust dient te bevatten. Uit het verzoekschrift moet duidelijk blijken wat verzoeker aan de rechter verzoekt en waarop hij dat verzoek baseert. Het verzoek moet derhalve met redenen zijn omkleed.

Uit het namens de vader ingediende verweerschrift blijkt niet dat er aan zijn zijde enige onduidelijkheid bestaat of heeft bestaan over het verzoek van de zoon, noch over de gronden waarop dit verzoek berust. De vader heeft immers, zoals hieronder nader zal worden besproken, uitvoerig verweer gevoerd tegen dit verzoek en de gronden waarop het verzoek is gebaseerd betwist en bestreden. De rechtbank oordeelt dat de zoon heeft voldaan aan het vereiste van artikel 278 lid 1 Rv. De situatie van artikel 1:395 lid 1 BW doet zich hier niet voor, nu de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding door de nihilstelling in 2005 niet tot aan het meerderjarig worden van de zoon van kracht is geweest, zodat door de zoon geen wijziging, doch uitsluitend een vaststelling kan worden verzocht.

De zoon heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de vader sinds 10 juni 2008 uit de WSNP is en een schone lei verklaring heeft gekregen, terwijl hij bovendien over inkomsten uit arbeid beschikt, zodat er aan zijn zijde draagkracht is om een bijdrage te leveren. De rechtbank overweegt dat, nu de beschikking van de rechtbank Almelo van 9 maart 2005 gebaseerd was op de toelating van de vader tot de WSNP en deze schuldsanering inmiddels is beëindigd, er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, die een hernieuwd onderzoek naar draagkracht en behoefte mogelijk maakt. De zoon is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

Behoefte

Ten aanzien van de behoefte van de zoon oordeelt de rechtbank als volgt. Nu er geen landelijke richtlijnen zijn waaruit de behoefte van jongmeerderjarigen kan worden afgeleid, zoals dit voor minderjarigen wel het geval is, dient in iedere afzonderlijke situatie te worden bepaald wat de omvang van de behoefte is. Door de zoon is hiertoe een behoefteberekening ingediend, waartegen door de vader verweer is gevoerd. De vader meent dat de behoefte van de zoon niet uitstijgt boven de door hem ontvangen bijdrage van de Informatie Beheer Groep (IBG) van € 737,- per maand.

Ter berekening van de behoefte van de zoon rekent de rechtbank met de navolgende lasten:

• een kale huurlast van € 319,01 per maand, te verminderen met de huurtoeslag van

€ 106,- per maand;

• kosten voor gas en elektriciteit van € 80,- per maand;

• premie ziektekosten van € 94,75 per maand, alsmede de aanvullende premie van

€ 13,- per maand, te verminderen met de zorgtoeslag van € 61,- per maand;

• lesgeld en boekengeld ad € 1.783,- per jaar, derhalve € 148,59 per maand;

• kosten voor voeding van € 250,- per maand;

Ten aanzien van de door de zoon opgevoerde post telefoonkosten van € 150,- per maand, lidmaatschap korfbalvereniging ad € 35,- per maand en de reiskosten openbaar vervoer van

€ 100,- per maand, heeft de vader gesteld dat deze kosten niet tot de kosten van levensonderhoud behoren en derhalve niet tot de behoefte van de zoon kunnen worden gerekend en deze uitgaven bovendien niet met bewijsstukken zijn onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat kosten voor sociale contacten, sporten en hobby’s ook tot de kosten van levensonderhoud kunnen worden gerekend, nu deze term niet beperkt is tot uitsluitend de noodzakelijke levensbehoeften. De rechtbank zal voor deze uitgaven een stelpost van € 75,- per maand meerekenen

Aldus rekenend kan de behoefte van de zoon op € 813,35 per maand worden bepaald.

De rechtbank oordeelt dat de zoon voldoende heeft aangetoond dat hij thans geen inkomsten uit arbeid genereert en dat het niet aannemelijk is dat hij op korte termijn opnieuw een bijbaantje zal aannemen, vanwege het hulpverleningstraject waarin hij zich bevindt. De zoon beschikt dan ook over geen andere inkomsten dan de niet-betwiste bijdrage van de IBG van

€ 737,- per maand, waarvan een bedrag van € 200,- een studielening is. De rechtbank zal bij de behoeftebepaling geen rekening houden met de door de zoon ontvangen studielening, nu deze gelet op de terugbetalingsverplichting niet als behoefteverlagend kan worden beschouwd. Dit betekent dat de zoon voor een bedrag van € 537,- per maand in zijn eigen behoefte kan voorzien en een aanvullende behoefte heeft van (€ 813,35 -/- € 537,- =)

€ 276,35 per maand. De door de zoon verzochte bijdrage van € 250,- per maand overstijgt deze (aanvullende) behoefte derhalve niet.

Draagkracht man

Ten aanzien van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van de navolgende gegevens die door de vader zijn gesteld en door de zoon niet zijn betwist:

• een bruto jaarinkomen van € 43.312,-;

• de algemene heffingskorting en de arbeidskorting van in totaal € 3.476,-;

• de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 909,- per maand;

• een kale huurlast van € 414,- per maand;

• een bijdrage van de partner van de vader in de netto woonlasten van € 207,- per maand;

• een nominale premie ziektekosten van € 90,- per maand, alsmede een premie aanvullende ziektekosten van € 31,- per maand, te verminderen met het in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 44,- per maand;

• een post aflossing schulden van € 260,- per maand;

Geen rekening houdt de rechtbank met de post verplicht eigen risico ziektekosten van € 14,- per maand, nu de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit eigen risico feitelijk wordt gerealiseerd. Evenmin wordt rekening gehouden met de door de vader opgevoerde kosten voor gemeentelijke belastingen, nu deze kosten uit de bijstandsnorm geacht worden te kunnen worden bestreden. Ook met de kosten voor campinggeld, toeristenbelasting, etc. wordt geen rekening gehouden. Dergelijke uitgaven verdienen geen prioriteit boven kinderalimentatie. De door de vader geschetste bijzondere situatie in verband met de gezondheidstoestand van zijn partner maakt dit niet anders. Dergelijke uitgaven, die op één lijn te stellen zijn met kosten wegens vakantie, zullen uit de vrije ruimte bestreden dienen te worden. Geen rekening wordt ten slotte gehouden met de opgevoerde aanvullende aflossing op een schuld aan de belastingdienst van € 40,-, nu de zoon deze post heeft betwist en de vader niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat deze aflossing feitelijk plaatsvindt en dat niet volstaan zou kunnen worden met de lagere aflossing van € 260,- per maand.

Aldus rekenend komt de rechtbank op een draagkrachtruimte van € 1.186,- per maand, waarvan 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie, derhalve € 830,- per maand. De vader heeft derhalve voldoende draagkracht om de verzochte bijdrage te voldoen, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de onderhoudsverplichting die de vader heeft voor zijn twee minderjarige kinderen die uit het huwelijk van de moeder zijn geboren.

Matiging

De vader heeft een beroep gedaan op het matigingsrecht van artikel 1:399 BW, inhoudende dat de rechter een onderhoudsverplichting kan matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet te volle kan worden gevergd. De vader heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de zoon niet ten volle inzage zou hebben verstrekt in zijn financiële gegevens, met name waar het zijn eigen inkomsten betrof. De rechtbank passeert dit verweer. Op de eerste plaats is niet gebleken dat de zoon informatie over zijn eigen inkomsten uit arbeid heeft verzwegen. Zo daarvan al sprake zou zijn, dan kan een dergelijke handelswijze jegens de vader niet als zodanig grievend jegens de vader worden gekwalificeerd dat dit tot matiging van de onderhoudsplicht zou moeten leiden.

Voldoening door inwoning

De rechtbank passeert de stelling van de vader dat hij in de gelegenheid gesteld dient te worden een bijdrage in natura te leveren, door de zoon kost en inwoning te verstrekken. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek kan de rechtbank met alle omstandigheden rekening houden, in het bijzonder ook met de persoonlijke verhouding tussen ouder en kind. Partijen gehoord hebbende acht de rechtbank het aannemelijk dat de relatie tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat in redelijkheid niet van de zoon verlangd kan worden dat hij een dergelijk aanbod aanvaardt.

Ingangsdatum

Door de zoon is verzocht een bijdrage vast te stellen met ingang van 6 april 2009, aangezien de vader toen is aangeschreven met het verzoek inzage te verschaffen in zijn financiële situatie. In deze brief is aan de vader kenbaar gemaakt dat om alimentatie zou worden verzocht, nu de beschikking van de rechtbank Almelo van 9 maart 2005, waarin de alimentatie vanwege toepassing van de WSNP op nihil was gesteld, niet meer actueel was vanwege het verkrijgen van een schone lei verklaring.

De vader verweert zich tegen een vaststelling met terugwerkende kracht. Hij stelt dat er naar aanleiding van het verzoek van de advocaat van de zoon correspondentie is gevoerd en dat financiële gegevens zijn uitgewisseld, maar dat dit niet tot overeenstemming heeft geleid. Nadat de vader geen berichten meer ontving, is tot sluiting van het dossier overgegaan, waarna hij werd verrast met het verzoek tot vaststelling van alimentatie.

De rechtbank passeert het verweer van de vader. Gezien de eerder gevoerde procedures over de door de vader te betalen kinderalimentatie kan er vanuit worden gegaan dat de vader zeer wel op de hoogte was van zijn onderhoudsverplichting jegens de zoon. Nadat aan hem medio 2008 een schone lei verklaring is verstrekt, heeft hij geen enkele actie ondernomen om aan deze onderhoudsverplichting (opnieuw) inhoud te geven. Op het moment dat hij een brief van (de advocaat van) de zoon ontving had de man rekening kunnen en moeten houden met een hernieuwde vaststelling van de alimentatie, hetzij in onderling overleg, hetzij bij rechterlijke beschikking. Het feit dat de zoon vooraleerst getracht heeft in overleg met de vader tot afspraken over de alimentatie te komen, dient niet tot gevolg te hebben dat een latere ingangsdatum wordt gekozen dan wanneer hij direct tot indiening van een verzoekschrift zou zijn overgegaan.

Anderzijds overweegt de rechtbank dat, zoals hierboven overwogen, de aanvullende behoefte van de zoon op een bedrag van € 276,35 per maand kan worden bepaald. Gebleken is dat de zoon tot 28 september 2009 inkomsten uit arbeid ontving, waarmee hij ruimschoots in deze aanvullende behoefte kon voorzien. Eerst vanaf het einde dienstverband van de zoon op

28 september 2009 heeft de zoon derhalve behoefte gehad aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn vader. De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage vaststellen met ingang van de eerste van de maand volgend op dit einde van het dienstverband, derhalve 1 oktober 2009.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu de procedure de vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie betreft.

De beslissing

De rechtbank:

I. Bepaalt het bedrag dat de vader vanaf 1 oktober 2009 aan de zoon zal voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

II. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

III. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

IV. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H. van der Lecq en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.