Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM2979

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
08/720391-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een geldboete van 6000 Euro waarvan 2000 Euro voorwaardelijk wegens valsheid in geschrift. Verdachte heeft daarmee een bank benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/720391-09

STRAFVONNIS

Uitspraak: 29 april 2010

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

{verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats], [geboortejaar] 1969

wonende te [adres en woonplaats],

Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 april 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.F. Speijdel, naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de dagvaarding, te weten dat:

hij op een of meer tijdtip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007,

te Almelo en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) factu(u)r(en) genummerd 00001321, 00001324 en/of 00001326, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(r)r(en) vermeld of doen vermelden - zakelijk weergegeven - dat er (door verdachte, althans het bedrijf van verdachte) verbouwingswerkzaamheden hadden plaatsgevonden op of aan de woning [adres] te Almelo terwijl in werkelijkheid die

verbouwingswerkzaamheden niet (door verdachte, althans het bedrijf van verdachte) hadden plaatsgevonden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken; (incident 6, proces-verbaal pagina 2593, 2595 en/of 2597);

(parketnummer 08/720391-09);

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot het ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie is dat de ten laste gelegde feiten voldoende wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. In de kern komt dat standpunt er op neer dat de woning aan de [adres] wel is verbouwd, maar dat deze verbouwing niet door verdachte zelf is verricht of is verricht onder toezicht van verdachte. Met name nu de zogenaamde onderaannemer heeft verklaard bij de rechter-commissaris dat hij verdachte wel kent, maar in 2007 geen zaken met hem heeft gedaan waardoor een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, het bewijs oplevert dat verdachte zich gedurende de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan -kort gezegd- valsheid in geschrift.

Standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat verdachte geen valsheid in geschrift heeft gepleegd. Immers zijn er werkzaamheden verricht aan de woning [adres]. Dit is vastgesteld door medewerkers van de ING bank die hebben gecontroleerd of het bouwdepot dat door de bank werd verstrekt ook daadwerkelijk voor verbouwingswerkzaamheden werd aangewend. Op de foto’s die zich in het dossier bevinden is goed te zien dat er is verbouwd. Voorts worden de verbouwingswerkzaamheden ook niet ontkend door de officier van justitie. De raadsman is verder van mening de verklaring van de onderaannemer Jansen niet betrouwbaar is. Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris raakte hij verstrikt in zijn eigen verklaringen. Het geld dat verdachte zou hebben gekregen moet gezien worden als een commissie voor het feit dat hij een oogje hield op de werkzaamheden die werden uitgevoerd door de onderaannemer [firmanaam].

Oordeel van de rechtbank.

Zoals hieronder wordt weergegeven en, zo nodig, met een uitwerking van de bewijsmiddelen zal worden onderbouwd, acht de rechtbank bewezen dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd door in strijd met de waarheid een drietal facturen op te maken voor verbouwingswerkzaamheden die zouden zijn verricht door verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat deze verbouwingswerkzaamheden niet door hem zijn verricht maar dat hij het werk heeft laten uitvoeren door een onderaannemer en dat hij het werk van deze onderaannemer heeft gecontroleerd.

Hij heeft uiteindelijk deze werkzaamheden voor de onderaannemer gedeclareerd bij de opdrachtgever waarna hij zijn commissie zou hebben afgetrokken.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring strookt, de rechter -indien hij tot een bewezenverklaring komt- die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.

Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden, dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.

Nog afgezien van het feit dat verdachte de alternatieve lezing niet nader heeft onderbouwd met offertes van de onderaannemer [firmanaam], acht de rechtbank die lezing in het onderhavige geval ook niet aannemelijk.

Immers verklaart de onderaannemer [firmanaam] op 26 maart 2010 bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris uitdrukkelijk – zoals hij eerder ook tegenover de politie heeft verklaard- dat hij in 2007 zakelijk nooit iets van doen heeft gehad met verdachte. Voorts heeft verdachte bij zijn verhoor op 15 december 2008 bij de politie verklaard dat hij geen verbouwingswerkzaamheden heeft verricht in het pand aan de [adres] en dat hij het geld heeft gekregen voor opmaken van de facturen voor de opdrachtgever [verdachte 1], die daar expliciet om had gevraagd.

Verdachte heeft terechtzitting ook gezegd niet precies te weten of er voor ruim

€ 80.000,= is verbouwd aan de woning aan de [adres] en of alle werkzaamheden zijn uitgevoerd. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [firmanaam] betrouwbaar.

De bewezenverklaring

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007, te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een factuur genummerd 00001321, 00001324 en 00001326, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen vermeld of doen vermelden - zakelijk weergegeven - dat er door verdachte, verbouwingswerkzaamheden hadden plaatsgevonden op of aan de woning [adres] terwijl in werkelijkheid die verbouwingswerkzaamheden niet door verdachte, hadden plaatsgevonden, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:

“Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”.

De strafbaarheid van de verdachte

Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, oordeelt de rechtbank dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,= waarvan € 5000,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft een algehele vrijspraak bepleit en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde zal komen bepleit dat aan verdachte een lagere straf zal worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft een drietal valse facturen opgemaakt voor verbouwingswerkzaamheden aan het pand [adres], terwijl hij deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd of onder zijn toezicht heeft laten uitvoeren.

Door dit te doen heeft verdachte naar de buitenwacht toe het beeld in stand gehouden dat hij werkzaamheden heeft verricht aan het pand [adres] waardoor gelden uit een bouwdepot van de ING bank aan hem zijn overgemaakt.

De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan, immers heeft hij doelbewust fictieve facturen opgesteld om anderen te misleiden.

Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften wordt gesteld, is door het handelen van verdachte aangetast. Verdachte heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen niet echt te willen inzien door zijn rol in het gebeuren te bagatelliseren en voor de door hem gepleegde feiten telkens een rechtvaardigingsgrond te zoeken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete dient te worden opgelegd.

Daarvan zal als stok achter de deur een deel voorwaardelijk zijn nu verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en (omdat verdachte nog steeds in de bouwwereld actief is) hem ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

Daarnaast berust het op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde.

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 6000,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis, waarvan € 2000,= bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd,

tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast;

- bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 termijnen van (elk) twee maand(en), telkens uiterlijk te voldoen op de dag, waarop de betaling volgens mededeling van het Openbaar Ministerie behoort te zijn geschied.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. H. Bloebaum en mr.

S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2010.