Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM1654

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
104733 / HA ZA 09-905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 27 EEX-Verordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 104733 / HA ZA 09-905

datum vonnis: 24 maart 2010 (gww)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PANalytical B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseres in de hoofdzaak,

incidenteel verweerster,

verder te noemen Panalytical,

advocaat: mr. Ph.C. Kleyn van Willigen te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde in de hoofdzaak,

incidenteel eiser,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. R. Kroon te Enschede.

Het procesverloop

In de hoofdzaak en in het incident

Panalytical heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

[gedaagde] heeft bij incidentele conclusie de onbevoegdheid van de rechtbank ingeroepen.

Panalytical heeft geantwoord op de exceptie van onbevoegdheid en geconcludeerd tot afwijzing.

Op 22 december 2009 is namens Panalytical een brief ingekomen.

Op 22 december 2009 is namens [gedaagde] een uitstelverzoek met bijlagen ingekomen.

Panalytical heeft op 20 januari 2010 een akte uitlating producties, tevens wijziging van eis in het incident genomen.

Bij akte van 24 februari 2010 heeft [gedaagde] hierop gereageerd.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd in het incident.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In de hoofdzaak

1. Bij dagvaarding vordert Panalytical primair te verklaren dat het vonnis van deze rechtbank van 12 september 2007 heeft te gelden tegen [gedaagde], alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, begroot op € 1.475.619,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

Subsidiair vordert Panalytical de overeenkomst tussen partijen van 23 september 2003 tegen de vroegst mogelijke datum te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 436.919,00 en € 1.038.700,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en te voldoen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis. Tenslotte vordert Panalytical veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2. Panalytical stelt daartoe dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen bij de levering van een buizentransportsysteem aan Panalytical. De tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] hebben geleid tot grote schade bij Panalytical.

[gedaagde] is reeds eerder veroordeeld tot schadevergoeding voor bovengenoemde verplichtingen en reeds eerder heeft de rechtbank Almelo de overeenkomst met [gedaagde] ontbonden. Destijds was de dagvaarding tegen [gedaagde] te naam gesteld als zijnde tegen [gedaagde]GmbH, een niet bestaande vennootschap.

In het incident

3. De exceptie van onbevoegdheid is tijdig en op de juiste wijze voorgesteld.

4. [gedaagde] stelt na wijziging van eis over de onbevoegdheid van deze rechtbank het navolgende. Het Duitse Bundesgerichtshof heeft in een procedure tussen partijen geweigerd verlof te verlenen voor het leggen van executoriaal derdenbeslag ten laste van [gedaagde] in privé, zulks ter uitvoering van het verstekvonnis van de rechtbank Almelo tegen de niet bestaande GmbH van [gedaagde].

Nu in de procedure waarin hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak het eerst is aangebracht, inmiddels door een gerecht in een andere lidstaat een beslissing is gegeven, dient de rechtbank Almelo zich volgens [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 27 van de EEX-verordening onbevoegd te verklaren. Uit de uitspraak van het Bundesgerichtshof blijkt dat de rechtbank Almelo geen bevoegdheid toekomt met betrekking tot in elk geval het primair door Panalytical gevorderde. Het betreft een vraag van Duits executierecht die uitsluitend door de Duitse executierechter kan worden beantwoord, namelijk de vraag of het verstekvonnis van de rechtbank Almelo tegen de niet bestaande GmbH heeft te gelden jegens [gedaagde]. Die exclusieve bevoegdheid vloeit voort uit artikel 20 EET-verordening en artikel 22 juncto 25 EEX-verordening.

5. Panalytical voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. Volgens Panalytical verklaart zich geen enkele Duitse rechter bevoegd voor haar primaire vordering. Ook is het uitgesloten dat de Duitse rechter zich nog over het (primair) gevorderde zal buigen en/of onbevoegd verklaren. Alle procedures in Duitsland zijn, tot in de hoogste instantie, ten einde. Artikel 27 lid 2 EEX-verordening staat er niet aan in de weg dat in de hoofdzaak een oordeel kan worden geveld, met inbegrip van het primair gevorderde.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de toepassing van artikel 27 EEX-verordening, waarop [gedaagde] zich beroept, is noodzakelijk dat er voor gerechten van verschillende lidstaten vorderingen aanhangig zijn tussen dezelfde partijen. Dat is thans niet langer het geval, nu het Bundesgerichtshof in Duitsland als hoogste rechterlijke instantie inmiddels een uitspraak heeft gedaan over de vraag of Panalytical executoriaal derdenbeslag ten laste van [gedaagde] privé mocht leggen ten aanzien van een titel die zij in Nederland had verkregen jegens een – naar later bleek – niet bestaande Duitse vennootschap. Daarmee is die procedure definitief ten einde gekomen en zijn er thans geen twee procedures aanhangig in twee verschillende lidstaten.

Artikel 27 EEX-verordening kan daarom in het onderhavige geval geen toepassing vinden en de rechtbank kan en zal zich op die grond dan ook niet onbevoegd verklaren van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen.

Bovendien heeft de Duitse procedure slechts betrekking gehad op het leggen van executoriaal derdenbeslag ten laste van [gedaagde] in privé. De vraag of dat op basis van het Nederlandse vonnis mogelijk zou zijn, heeft de Duitse rechter definitief ontkennend beantwoord. Dat staat er echter niet aan in de weg om bij de rechter die het eerste verstekvonnis heeft gewezen te vorderen dat het vonnis ook heeft te gelden tegen de – in de ogen van Panalytical – juiste procespartij. De vraag of die vordering kan en zal worden toegewezen, behoeft in dit incident niet te worden beantwoord.

7 [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

8. Gelet op hetgeen is overwogen in het incident zal de rechtbank de hoofdzaak verwijzen naar de rol.

De beslissing

In het incident

De rechtbank:

I. wijst de vordering van [gedaagde] af.

II. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Panalytical begroot op € 452,00 aan salaris van de advocaat.

In de hoofdzaak

De rechtbank:

III. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 april 2010 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven en op 24 maart 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.