Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BM0836

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
106339 - FA RK 09-1339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Limitering partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 106
EB 2010, 66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 106339 / FA RK 09-1339 (MHL)

Beschikking van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 17 maart 2010, in de zaak van:

[Eiser] ,

verder ook de man te noemen,

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. A.J.A. Assink,

tegen

[gedaagde],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. P. Benders.

1. Het procesverloop

Bij op 19 oktober 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de man verzocht de partneralimentatie te beëindigen.

Op 15 december 2009 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Op 2 februari 2010 heeft de man aanvullende stukken in het geding gebracht. Op 8 februari 2010 heeft de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 februari 2010. Ter zitting zijn partijen verschenen vergezeld door hun raadslieden. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Mr. Assink heeft een pleitnota overgelegd.

Op 15 februari 2010 heeft de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht. Op

22 februari 2010 heeft de man aanvullende stukken in het geding gebracht.

Vervolgens zijn brieven van mr. Benders en mr. Assink ontvangen op respectievelijk

23 en 24 februari 2010.

De beschikking is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

Partijen zijn op 16 december 1961 gehuwd. Bij beschikking van 12 februari 1986 van de rechtbank Almelo is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op

30 september 1986 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Bij die beschikking is de partneralimentatie vastgesteld op ƒ 4.184,- per maand. Bij beschikking van 10 juli 1987 is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vastgesteld op ƒ 3.700,- per maand. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van

2 augustus 2000 is de alimentatie met ingang van 1 januari 2000 vastgesteld op ƒ 2.000,- bruto per maand. Geïndexeerd naar 2010 en omgerekend in euro’s bedraagt de alimentatie thans € 1.178,10 per maand.

De vrouw heeft op 8 juni 1997 de leeftijd van 65 jaar bereikt, vanaf welke datum zij een AOW-uitkering is gaan ontvangen, naast de alimentatie. De man is op 23 januari 2000

65 jaar geworden en ontvangt met ingang van 1 januari 2000 pensioen en AOW-uitkering.

De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds geruime tijd meerderjarig.

3. De standpunten van partijen

3.1 De man stelt - zakelijk weergegeven – dat er redenen zijn om tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te komen. De man heeft inmiddels ruim 23 jaar partneralimentatie voldaan, derhalve ruimschoots langer dan de termijn van 15 jaar die ingevolge de overgangsbepaling bij de Wet Limitering Alimentatie voor de zogenaamde ‘oude gevallen’ is bepaald. Primair stelt de man dat een beëindiging van de alimentatie voor de vrouw niet zodanig ingrijpend is dat dit aan beëindiging in de weg zou staan. In geval van beëindiging van de partneralimentatie wordt de vrouw geconfronteerd met een inkomensachteruitgang van ruim € 300,- netto per maand. Gezien het uitgavenpatroon van de vrouw, zal zij eenvoudig in staat zijn deze inkomensachteruitgang op te vangen. Daarbij is tevens van belang dat de vrouw in 2007 blijkbaar beschikte over een vermogen van ruim

€ 15.000,-, waarover zij ter zitting heeft verklaard dat zij dit bedrag aan haar kinderen heeft geschonken. Tevens moet worden meegewogen dat de vrouw blijkbaar in staat is een bedrag van € 150,- per maand te sparen van haar inkomen.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank een beëindiging per direct te ingrijpend zou achten, verzoekt de man zijn alimentatieverplichting af te bouwen, zodanig dat deze per

1 januari 2011 volledig zal zijn beëindigd. Vanaf dat moment zal de vrouw aanspraak kunnen maken op een gedeelte van het pensioen van de man.

3.2 De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man en stelt - zakelijk weergegeven – dat een beëindiging van de partneralimentatie voor haar wel degelijk ingrijpend is, nu dit een inkomensachteruitgang van 17% betekent. De vrouw heeft een behoefte van € 1.839,- netto per maand. De vrouw ontvangt geen volledige AOW-uitkering, omdat zij pas later in Nederland is gekomen en enkele opbouwjaren heeft gemist. De vrouw meent dat er, gezien alle feiten en omstandigheden die zowel tijdens als na het huwelijk een rol hebben gespeeld, geen reden is om tot limitering te komen. De vrouw verzoekt de rechtbank om een nadere termijn vast te stellen waarin de alimentatie - gedeeltelijk- wordt doorbetaald, tot

30 september 2013. In de periode tot 30 september 2013 zou een gefaseerde afbouw kunnen plaatsvinden. Vanaf het moment van definitieve beëindiging van de alimentatie zal de vrouw aanspraak gaan maken op het pensioen van de man.

4. De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

4.1 Hoewel de door de man en de vrouw op respectievelijk 2 en 8 februari 2010 ingediende stukken buiten de in het Procesreglement genoemde termijn van 10 dagen voor de zitting zijn ingediend, hebben partijen ter zitting desgevraagd laten weten voldoende in de gelegenheid te zijn geweest om de stukken van de andere partij te bestuderen, zodat de rechtbank besluit deze stukken in de procedure toe te laten.

4.2 Uitgangspunt bij de invoering van de Wet limitering alimentatie in 1994 is geweest dat onderhoudsverplichtingen eindig zijn. In de wettelijke overgangsregeling voor oude gevallen, zoals onderhavige zaak, is getracht een evenwicht te vinden tussen aan de ene kant het uitgangspunt van de limitering van alimentatie, inhoudende dat de verantwoordelijkheid voor elkaars bestaan, die men door te huwen op zich neemt en die na de ontbinding van het huwelijk, zij het in beperkter omvang, nog doorwerkt in de vorm van alimentatie, eindig is, en aan de andere kant de positie van de al oudere alimentatiegerechtigden die reeds lange tijd een alimentatie-uitkering ontvangen en voor wie de beëindiging een te ingrijpende stap zou betekenen, aangezien hun omstandigheden zodanig zijn dat zij zich op de eindigheid niet, dan wel in onvoldoende mate, hebben kunnen instellen.

4.3 De rechtbank stelt vast dat de man sinds 30 september 1986 en derhalve meer dan 23 jaar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor de vrouw voldoet.

4.4 Ingrijpende wijziging

4.4.1 Bij de beoordeling van een verzoek tot beëindiging dient allereerst beoordeeld te worden of een eventuele beëindiging voor de alimentatiegerechtigde ingrijpend is, met andere woorden: of er zich een belangrijke wijziging in levensniveau zou voordoen in geval van beëindiging. De rechtbank stelt vast dat de vrouw een (naar de cijfers van 2009 geïndexeerde) alimentatie van € 1.151,61 bruto per maand ontving. Daarnaast ontving de vrouw in 2009 een bruto AOW-uitkering van € 1.001,94 per maand. De stelling van de vrouw ten aanzien van haar onvolledige AOW-opbouw is door de man niet weersproken. Bij beëindiging van de alimentatie zou de vrouw, naast de uitkering uit AOW, aanspraak kunnen maken op een gedeelte van het door de man opgebouwde pensioen. Uit de door de man als productie 4 bij het inleidend verzoekschrift overgelegde brief van de Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten (hierna te noemen: SPMS) d.d. 24 september 2008 blijkt dat de aanspraak van de vrouw in 2008 € 8.921,51 bruto per jaar zou zijn, derhalve € 743,46 bruto per maand. Volgens (niet onderbouwde opgave van) de man bedraagt het aandeel van de vrouw in het pensioen van de man in 2009 € 789,61 per maand. Het totale inkomen van de vrouw zou derhalve verminderen van (€ 1.001,94 + € 1.151,61 =) € 2.153,55 bruto per maand naar (€ 1.001,94 + € 789,61 =) € 1.791,55 bruto per maand. Dit levert een vermindering op van € 362,- bruto per maand. Omgerekend naar netto bedragen resulteert dit in een inkomensachteruitgang van € 1.840,- naar € 1.565,- per maand, derhalve € 275,- netto per maand, ofwel 15%.

4.4.2 De rechtbank oordeelt dat een dergelijke inkomensvermindering als ingrijpend dient te worden beschouwd. De vrouw heeft bij verweerschrift haar uitgavenpatroon gespecificeerd en bij brief van 8 februari 2010 grotendeels met bewijsstukken onderbouwd. Ter zitting is namens de vrouw toegelicht dat de post ‘boodschappen’ van € 460,- per maand tevens omvat de uitgaven voor kleding. De man heeft in zijn ter zitting overgelegde staat van kosten van de vrouw uitsluitend opgenomen hetgeen uit de bewijsstukken is gebleken. Onder andere kosten voor kleding, alsmede voor onderhoud aan de auto van de vrouw en brandstof zijn in dat overzicht van de man echter achterwege gelaten, alsmede diverse kleine kostenposten die de vrouw wel heeft opgegeven, maar waarvan geen bewijsstukken zijn overgelegd. Tevens heeft de man gesteld dat de kostenpost voor boodschappen op ten hoogste € 200,- zou moeten worden bepaald. De man komt in zijn overzicht op een behoefte van € 1.306,48 per maand. De rechtbank acht het uitgavenpatroon van de vrouw, wanneer het overzicht van de man wordt aangevuld met de ontbrekende kostenposten waarvan het bestaan door de man niet is betwist, wel voldoende onderbouwd. De door de vrouw opgevoerde post ‘boodschappen’ van € 460,- komt de rechtbank niet onredelijk voor, nu deze post tevens uitgaven voor kleding omvat. De rechtbank oordeelt dat een inkomensachteruitgang van € 275,- netto per maand tot gevolg zal hebben dat de vrouw diverse uitgaven die zij thans gewend is te doen, niet meer zal kunnen doen, zodat er sprake zal zijn van een belangrijke wijziging in levensniveau.

4.4.3 De rechtbank passeert de stelling van de man dat, nu de vrouw in staat is om € 150,- per maand op een spaarrekening te reserveren, zij ook de inkomensachteruitgang wel eenvoudig kan opvangen. Immers, over de alimentatie die de vrouw thans ontvangt, dient zij inkomstenbelasting af te dragen. De vrouw heeft aangegeven dat zij van het bruto bedrag dat zij ontvangt een gedeelte reserveert om de belastingaanslag mee te kunnen voldoen. Het betreft hier derhalve geen uitgave die de vrouw van haar netto-inkomen doet.

4.4.4 Evenmin houdt de rechtbank rekening met de stelling van de man ten aanzien van het eigen vermogen van de vrouw. De man heeft aan zijn stelling dat de vrouw over eigen vermogen (heeft) beschikt, geen conclusie verbonden. De vrouw heeft gesteld dat zij weliswaar in 2007 een vermogen had van ruim € 15.000,- maar dat zij dit aan haar kinderen heeft geschonken. Voor zover de man heeft willen betogen dat de vrouw met haar vermogen zodanig rendement kan behalen dat zij daarmee de inkomensterugval kan opvangen, treft dit geen doel. Zeker in de huidige spaarmarkt zal met een dergelijk vermogen slechts een zeer beperkt rendement kunnen worden behaald, terwijl van de vrouw (mede gezien haar leeftijd) niet gevergd kan worden dat zij dit bedrag voor langere tijd wegzet. Indien de man heeft willen betogen dat de vrouw dit bedrag aan eigen vermogen had dienen aan te wenden om de inkomensachteruitgang op te vangen, wordt deze stelling eveneens gepasseerd. Nu de vrouw pas eind 2008 voor het eerst is geconfronteerd met de wens van de man om tot limitering van de alimentatie te komen, had zij hier op het moment van de schenking aan haar kinderen, geen rekening mee kunnen of hoeven te houden. De man had immers reeds in 2001 om limitering kunnen verzoeken, op het moment dat hij 15 jaar alimentatie voor de vrouw had voldaan, doch heeft hiermee nog ruim 8 jaar gewacht. Daarmee is bij de vrouw een gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de man zijn betalingen aan haar zou voortzetten.

4.5 Redelijkheid en billijkheid

4.5.1 Een volgende vraag die beantwoord dient te worden is of beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend zou zijn dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden. Ter beantwoording van deze vraag dienen alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen. De rechtbank noemt hier de volgende omstandigheden als zijnde relevant:

- partijen zijn in 1961 gehuwd en in 1986 gescheiden, zodat het huwelijk van partijen bijna 25 jaar heeft geduurd;

- ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 54 jaar oud;

- uit het huwelijk zijn in 1963 en 1966 twee kinderen geboren;

- tijdens het huwelijk hadden partijen een traditionele rolverdeling;

- de man heeft tijdens het huwelijk een specialistenopleiding gevolgd;

- de vrouw heeft na 1973 geen betaalde werkzaamheden meer verricht, of opleidingen gevolgd;

- de Wet limitering alimentatie is op 1 juli 1994 in werking getreden; de vrouw was toen 62 jaar oud;

- de wens om tot echtscheiding te komen was afkomstig van de man;

- de vrouw heeft geen eigen vermogen;

- de vrouw kan aanspraak maken op door de man opgebouwde pensioenrechten;

- vanaf 1997 ontvangt de vrouw een AOW-uitkering;

- op verzoek van de man is de alimentatie in 2000 teruggebracht van ƒ 3.700,- naar

ƒ 2.000,- per maand;

- de man heeft nog immer voldoende draagkracht om de alimentatie te kunnen voldoen;

- de man heeft een nieuw gezin gesticht met nog studerende kinderen

- de man heeft ruim 23 jaar alimentatie voldaan.

4.5.2 De rechtbank overweegt ten aanzien van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien als volgt. Vaststaat dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding, na een huwelijk van 25 jaren waaruit twee kinderen zijn geboren, 54 jaar was. De wens om tot echtscheiding te komen was afkomstig van de man, zo blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken uit de echtscheidingsprocedure. De man had een andere vrouw ontmoet met wie hij verder wilde leven. Deze omstandigheid heeft de vrouw, zo heeft zij onweersproken gesteld, zeer geschokt. Ten tijde van de invoering van de Wet limitering alimentatie had de vrouw de leeftijd van 62 jaar bereikt, terwijl zij op dat moment reeds meer dan 20 jaar niet aan het arbeidsproces had deelgenomen. De rechtbank oordeelt dat op grond van deze feiten het de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij niet door eigen inspanningen ervoor heeft gezorgd dat zij in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien, zoals door de man is betoogd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw zich ingespannen, zodat de man zijn opleiding tot medisch specialist heeft kunnen voltooien. De vrouw heeft hiertoe het merendeel van de verzorging en opvoeding van der partijen kinderen voor haar rekening genomen en haar eigen arbeidsperspectieven ondergeschikt gemaakt aan de opleiding en de carrière van de man. De verdiencapaciteit van de vrouw is door het huwelijk derhalve in negatieve zin beïnvloed.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de vrouw weliswaar aanspraak kan maken op een deel van het ouderdomspensioen van de man, maar dat dit pensioen aanzienlijk lager is dan de huidige alimentatie, alsmede met het feit dat de vrouw reeds vanaf het moment waarop zij 65 werd in 1997 de beschikking heeft gehad over een AOW-uitkering, vermeerderd met alimentatie, welke alimentatie in 2000 vrijwel is gehalveerd. Aan de zijde van de vrouw is derhalve sprake van een bestendig inkomen en een daarop gebaseerd uitgavenpatroon.

Aan de zijde van de man houdt de rechtbank rekening met het feit dat de man heeft aangegeven dat hij onverminderd over voldoende draagkracht beschikt om de destijds vastgestelde alimentatie te blijven voldoen, maar dat hij na 23 jaar te hebben betaald voor zijn ex-echtgenote, van deze verplichting wenst te worden bevrijd.

4.5.3 Gelet op het samenstel van omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de omstandigheden aan de zijde van de vrouw zwaarder dienen te wegen dan de omstandigheden aan de zijde van de man en wel zo zwaar dat een beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

4.6 Nadere termijn

4.6.1 Vervolgens wordt toegekomen aan het verzoek van de vrouw om een termijn vast te stellen, gedurende welke de alimentatieverplichting in stand blijft. De vrouw heeft verzocht om een gefaseerde afbouw, zodanig dat per 30 september 2013 de alimentatie zal zijn beëindigd, terwijl de man stelt dat gefaseerd afgebouwd dient te worden tot 1 januari 2011. Partijen zijn het er derhalve over eens, zoals ook het uitgangspunt van de wetgever is geweest, dat op enig moment tot beëindiging dient te worden gekomen.

4.6.2 De rechtbank oordeelt dat, gezien de inkomensterugval waar de vrouw bij beëindiging van de alimentatie mee geconfronteerd zal worden, aan de vrouw een redelijke termijn gegund moet worden om haar uitgavenpatroon zodanig om te buigen, dat dit in overeenstemming zal zijn en blijven met haar inkomsten, te meer nu de vrouw niet over andere middelen beschikt om een inkomensachteruitgang op te vangen. Partijen hebben beiden aangegeven een gefaseerde afbouw redelijk te vinden en de rechtbank gaat hierin mee.

4.6.3 Alle belangen van betrokkenen in aanmerking nemende komt het de rechtbank redelijk voor om de alimentatieverplichting definitief, dus zonder dat verlenging van de termijn mogelijk is, per 1 januari 2012 te beëindigen, met dien verstande dat de alimentatieverplichting met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op

€ 1.100,- bruto per maand, met ingang van 1 januari 2011 op € 950,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2012 op nihil. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de vrouw eerst met ingang van 1 januari 2012 een rechtstreekse uitbetaling van het pensioenfonds van de man zal ontvangen ter zake van het ouderdomspensioen waarop zij recht heeft en dat een daartoe strekkend verzoek door partijen eensluidend en tijdig aan de pensioenuitvoerder zal worden gericht.

4.7 De rechtbank zal de proceskosten compenseren nu partijen gehuwd zijn geweest en de procedure de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2000 in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op € 1.100,- per maand en met ingang van

1 januari 2011 op € 950,- per maand.

II. Bepaalt dat de verplichting van de man om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen per 1 januari 2012 zal zijn beëindigd en dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is.

III. Verstaat dat de vrouw eerst per 1 januari 2012 haar aanspraak op het gedeelte van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen geldend zal maken.

IV. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

V. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

VI. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mrs Van der Lecq, Blankestijn en Heijink en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2010 in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier.