Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL9883

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
108463 / KG ZA 10-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Geen grond voor schorsing van de executie van een bestreden verstekvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 108463 / KG ZA 10-10

datum vonnis: 3 februari 2010 (j)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. P. Benders te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr. M. Onderstal te Deventer.

Het procesverloop

[Eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 26 januari 2010. Ter zitting zijn verschenen: namens [eiser] de heer [naam] vergezeld door mr. Benders en [gedaagde] vergezeld door mr. Onderstal. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

a. [Gedaagde] is van 1 juli 2003 tot 1 februari 2009 in dienst geweest bij

[eiser] Het dienstverband is bij beschikking van 28 november 2009 door de sector kanton, locatie Enschede van deze rechtbank per 1 februari 2009 beëindigd onder toekenning van een door [eiser] aan [gedaagde] te betalen vergoeding, welke vergoeding volledig is voldaan.

b. Bij verstekvonnis van 6 oktober 2009 heeft de sector kanton, locatie Enschede van deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 34.060,32 bruto ter zake door [gedaagde] gevorderde schadevergoeding wegens niet betaalde pensioenpremies, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2009 tot de dag der algehele voldoening.

c. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 2 november 2009 aan

[eiser] betekend. [Eiser] heeft op 30 december 2009 een verzetdagvaarding uitgebracht.

Het geschil

2. [Eiser] vordert -kort gezegd- schorsing van de executie van het hiervoor vermelde verstekvonnis van 6 oktober 2009. Zij voert hiertoe aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij een schorsing, daar een executie van het verstekvonnis ertoe zal leiden dat [eiser], vanwege haar slechte financiële situatie, haar bedrijfsvoering dient te staken en wellicht het einde van het bedrijf zal betekenen. [Eiser] is niet in staat, ter vermijding van executiemaatregelen, een bankgarantie af te geven.

3. [Gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat in de verzetprocedure tussen partijen is gedebatteerd over de tijdigheid van het door [eiser] ingestelde verzet tegen het verstekvonnis. [Gedaagde] is van mening dat het ingestelde verzet van

[eiser] niet tijdig is geweest, zodat het verstekvonnis onherroepelijk zal worden. Nu [eiser] geen bankgarantie heeft afgegeven, heeft [gedaagde] de executie voortgezet.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van ná dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

5. In het onderhavige geval speelt een rol dat het een verstekvonnis betreft. Het daarin neergelegde oordeel berust derhalve niet op gevoerd debat en op een op grond daarvan afgewogen oordeel. Gelet op deze aard van een verstekvonnis zou een grond voor schorsing van een dergelijk vonnis daarin kunnen bestaan dat de niet-verschijning van gedaagde en daarmee het niet gevoerd hebben van een mogelijk gegrond verweer niet, of niet ten volle, aan de veroordeelde kan worden toegerekend. Dit laatste is echter gesteld noch gebleken. De niet-verschijning van [eiser] in die procedure moet dan ook voor haar rekening en risico blijven.

6. Ook anderszins is niet gebleken van een grond voor schorsing van de executie van het bestreden verstekvonnis, zoals een feitelijke of juridische misslag dan wel een noodtoestand door nieuwe feiten en omstandigheden. Ter zitting is gebleken dat het debat tussen partijen in de verzetprocedure met name is gericht op de vraag of het ingestelde verzet van

[eiser] tijdig is geweest. Inhoudelijke bezwaren tegen de bij verstek toegewezen vordering van [gedaagde] zijn niet gesteld door [eiser]. Voor zover eiseres met haar stelling dat zij vanwege een slechte financiële situatie ingeval van executie van het vonnis haar bedrijfsvoering kan staken, aanvoert dat er een noodtoestand zal ontstaan, acht de voorzieningenrechter deze stelling onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft

[eiser] aangevoerd dat zij al gedurende langere tijd, oftewel ook reeds vóór het gewezen verstekvonnis, in een slechte financiële situatie verkeert, zodat geen sprake is van een ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen omstandigheid.

7. Op grond van het vorenstaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

8. [Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vordering van [eiser] af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 262,- aan verschotten en € 418,- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2010 , in tegenwoordigheid van de griffier.