Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL9833

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
108769 / KG ZA 10-23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De grondslag van de door eiser ingestelde vordering (nakoming van de vaststellingsovereenkomst) is door de ontbinding komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 108769 / KG ZA 10-23

datum vonnis: 11 februari 2010 (j)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Steigerstad B.V.,

gevestigd te Zaandam,

eiseres,

verder te noemen Steigerstad,

advocaat: mr. R. Goedhart te Naarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Waterbeek Media B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen Waterbeek ,

advocaten: mr. R.A.I. Snethlage en mr. F.J. Bleker te Enschede.

Het procesverloop

Steigerstad heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 5 februari 2010. Ter zitting zijn verschenen: namens Steigerstad de heer [naam], algemeen directeur, vergezeld door mr. J.E. Stam en namens Waterbeek de heer [naam], directeur, vergezeld door mr. Snethlage en

mr. Bleker. De standpunten zijn toegelicht. Ter terechtzitting heeft Steigerstad haar vordering met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten (punt II. in petitum) en de gevorderde kosten van beslagleggingen (punt III. in petitum) gewijzigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn in die zin gewijzigd dat Steigerstad veroordeling tot betaling vordert van primair de bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen 15% van het verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke kosten, zijnde een bedrag van € 10.142,-, en subsidiair de gemaakte redelijke kosten. De in de dagvaarding genoemde kosten van beslaglegging zijn inmiddels opgelopen tot € 4.287,97, zodat betaling van laatstgenoemd bedrag wordt gevorderd.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

a. Partijen hebben een verschil van mening over een door hen op 9 april 2007 gesloten overeenkomst met betrekking tot huur van steigermateriaal in der minne weten op te lossen en de condities van de overeengekomen minnelijke regeling op 31 augustus 2009 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd.

b. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“(…)

Artikel 3 Betaling

3.1 Betaling door Waterbeek van de ingevolge artikel 1 en artikel 2 verschuldigde bedragen van gezamenlijk € 100.212,50 (€ 36.250 plus € 63.962,50 inclusief btw) vindt plaats als volgt:

Een bedrag ad € 36.250 uiterlijk op woensdag 30 oktober 2009 door storting op

(…);

Een bedrag ad € 33.962,50 uiterlijk op 30 november 2009 door storting op

(…);

Een bedrag ad € 33.000,- uiterlijk op 31 december 2009 door storting op

(…). In dit laatste bedrag is een vergoeding ad € 3.000,- voor door Steigerstad na

30 september 2009 gederfde rente inbegrepen.

3.2 Indien Waterbeek in gebreke blijft met tijdige betaling van enige termijn van de uit hoofde van dit artikel verschuldigde bedragen, zal zij na zonder andere aankondiging of ingebrekestelling in verzuim zijn en zal het gehele resterende bedrag ineens en onmiddellijk opeisbaar zijn. Tevens zal Waterbeek de wettelijke handelsrente, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten (welke worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag), alsmede de gerechtelijke kosten verschuldigd zijn over het niet betaalde bedrag.”

c. De eerste betaling van € 36.250,- heeft Waterbeek, na overschrijding van de eerste termijn en aandringen van de advocaat van Steigerstad, in twee deelbetalingen op respectievelijk 2 november 2009 en 13 november 2009, op 1 eurocent na, voldaan. De tweede en derde termijn zijn niet door Waterbeek aan Steigerstad voldaan.

Het geschil

2. Steigerstad vordert Waterbeek te veroordelen tot betaling van het resterende bedrag van € 67.000,36 die Waterbeek is verschuldigd op grond van artikel 3.2 van de vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf

30 november 2009. Voorts vordert Steigerstad veroordeling tot betaling door Waterbeek van de buitengerechtelijke kosten, de kosten van beslagleggingen en de kosten van het geding, nakosten daaronder begrepen.

Steigerstad voert hiertoe onder meer aan dat de bij de vaststellingsovereenkomst van

31 augustus 2009 overeengekomen betalingstermijnen voor de tweede deelbetaling van € 33.962,50, die op 30 november 2009 had moeten worden gestort, en de derde deelbetaling van € 33.000,-, die op 31 december 2009 had moeten worden gestort, zijn verstreken. Op grond van artikel 3.2 van de vaststellingsovereenkomst is Waterbeek bij het in gebreke blijven van tijdige betaling van enig termijn van de verschuldigde bedragen, zonder nadere aankondiging of ingebrekestelling, in verzuim en is dit resterende bedrag ineens en onmiddellijk opeisbaar.

3. Waterbeek voert gemotiveerd verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van Steigerstad in haar vorderingen, dan wel deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Steigerstad in de kosten van het geding, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

Zij stelt daartoe onder meer dat de vordering van Steigerstad grondslag mist, omdat de Steigerstad heeft vervolgens uitvoering gegeven aan die ontbinding door ter verzekering van haar oorspronkelijke vordering conservatoir (derden-)beslag te laten leggen. De vordering die Steigerstad ten grondslag legt aan haar conservatoire beslagen staat allerminst vast en wordt door Waterbeek op goede gronden betwist, zodat deze vordering zich niet leent voor toewijzing in kort geding.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4. Voor de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding zal de voorzieningenrechter niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, maar ook -kort gezegd- of uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling -bij afweging van de belangen van partijen- aan toewijzing niet in de weg staat (vgl. HR 14 april 2000, NJ 2000, 489 en laatstelijk HR 15 juni 2007,

NJ 2008, 153).

5. Voorop staat dat partijen het over eens zijn dat tussen hen een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Zij strijden echter over de vraag of deze overeenkomst door de laatste sommatie en uitdrukkelijke mededeling dat bij gebreke van betaling Steigerstad de overeenkomst ontbond van 15 december 2009 van Steigerstad is ontbonden. Steigerstad stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst niet is ontbonden, omdat deze op grond van artikel 7:905 Burgerlijk Wetboek (BW) enkel door de rechter kan worden ontbonden, hetgeen niet het geval is.

6. Anders dan Steigerstad stelt, is het niet zo dat slechts de rechter de tussen haar en Waterbeek gesloten vaststellingsovereenkomst kan ontbinden. Het is juist dat in

artikel 7:905 BW de mogelijkheid tot ontbinding -in vergelijking tot de algemene ontbindingsregeling van de artikelen 6:265 e.v. BW- wordt beperkt. Echter, deze beperkingen gelden alleen voor zover de ontbinding een reeds tot stand gekomen beslissing van één der partijen of één of meer derden treft. Er bestaan dus geen beperkingen voor het geval de ontbinding een, zoals hier, door partijen gezamenlijk tot stand gebrachte vaststelling betreft. Dit betekent dat voor de vraag of de vaststellingsovereenkomst door de sommatie van 15 december 2009 per die datum is ontbonden, niet artikel 7:905 BW, maar de algemene artikelen 6:265 e.v. BW richtinggevend zijn. Volgens artikel 6:267 BW kan ontbinding geschieden door het uitbrengen van een schriftelijke verklaring. Tussen partijen is niet in geschil dat Steigerstad op 15 december 2009 een laatste sommatie naar Waterbeek heeft gestuurd, waarin werd gesteld, dat indien de verschuldigde bedragen niet uiterlijk op die

15 december 2009 om 17.00 uur voldaan zouden zijn, de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst ontbonden was. Nu vaststaat dat Waterbeek niet op

15 december 2009 aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, is de voorwaarde in vervulling gegaan en is de vaststellingsovereenkomst derhalve ontbonden.

7. Een bijkomend gevolg van deze ontbinding is dat het geschil dat door de vaststellingsovereenkomst voorkomen of beëindigd had moeten worden, herleeft. De grondslag van de door Steigerstad ingestelde vordering (nakoming van de vaststellingsovereenkomst) is door de ontbinding komen te vervallen. Voor zover Steigerstad in kort geding toewijzing van haar oorspronkelijke vordering heeft gevorderd, acht de voorzieningenrechter deze vordering onvoldoende bepaalbaar en, gelet op de betwisting door Waterbeek, onvoldoende aannemelijk om te kunnen toewijzen in kort geding. De vorderingen van Steigerstad dienen derhalve te worden afgewezen.

8. Steigerstad dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vorderingen van Steigerstad af;

II. veroordeelt Steigerstad in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Waterbeek begroot op € 263,- aan verschotten en € 816,- aan salaris van de advocaat;

III. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.