Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL3711

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
09 / 389 BESLU V1 A; 09 / 830 BESLU V1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT7407, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak in het kader van toepassing van de bestuurlijke lus. Verweerder wordt hangende beroep in de gelegenheid gesteld nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 09 / 389 BESLU V1 A

09 / 830 BESLU V1 A

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a Algemene wet bestuursrecht

in de geschillen tussen:

1. het College van bestuur van de Universiteit Twente, gevestigd te Enschede,

2. het College van bestuur van de Radboud Universiteit, gevestigd te Nijmegen, eisers, gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder d.d. 16 maart 2009.

2. Procesverloop

Bij besluiten van 19 juni 2008 heeft verweerder op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) de rijksbijdrage 2008 voor eisers vastgesteld.

Tegen deze besluiten is namens eisers bezwaar gemaakt.

Eisers zijn op 17 februari 2009 gehoord door de Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna te noemen: de bezwarencommissie). Deze commissie heeft op 11 maart 2009 adviezen uitgebracht aan verweerder en heeft daarbij geadviseerd de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk te verklaren en de besluiten van 19 juni 2008 in stand te laten.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder overeenkomstig de adviezen van de bezwarencommissie besloten de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk te verklaren.

Tegen deze besluiten is namens eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 25 juni 2009 verweerschriften ingediend.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of verweerder bij de bestreden besluiten terecht heeft besloten de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze zijn gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift, respectievelijk tegen een wet in formele zin.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge art. 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

Bij zijn besluiten van 19 juni 2009 heeft verweerder de rijksbijdrage 2008 voor eisers vastgesteld. De rijksbijdrage wordt jaarlijks door verweerder vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting.

De bezwaren van eisers richten zich tegen de nadelige gevolgen van de overheveling van onderzoeksgelden vanwege de afschaffing van de component kleine dynamisering Smart Mix.

Blijkens de bestreden besluiten stelt verweerder zich op het standpunt dat de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk zijn, omdat deze zich waar het gaat om de afschaffing van de kleine dynamisering Smart Mix in feite richten tegen een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar en beroep op grond van de Awb openstaat, en voor zover het de overheveling van onderzoeksgelden van de eerste naar de tweede geldstroom betreft tegen een wet in formele zin, waarvan de totstandkoming niet door de rechter kan worden getoetst.

In beroep is namens eisers aangevoerd dat de besluiten van 19 juni 2009 geen algemeen verbindende voorschriften zijn maar beschikkingen in de zin van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Voorts stellen eisers zich op het standpunt dat de vraag of de bezwaren zich richten tegen een algemeen verbindend voorschrift of een wet in formele zin geen rol spelen in het kader van de ontvankelijkheidstoetsing in bezwaar. Bovendien zijn eisers van mening dat voor zover de bezwaren zich al zouden richten tegen algemeen verbindende voorschriften, dit niet aan een inhoudelijke behandeling van die bezwaren in de weg staat omdat elke rechter bevoegd is de onverbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen.

Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat hij met eisers van mening is dat de besluiten van 19 juni 2009 appellabele beschikkingen zijn in de zin van de Awb en op zich geen algemeen verbindende voorschriften bevatten. Echter volgens verweerder richten de bezwaren van eisers zich tegen Uitvoeringsbesluit WHW en de Regeling financiƫn hoger onderwijs, waarin de uitvoering van de afschaffing dynamisering Smart Mix is neergelegd zoals die in het parlementaire traject is overeengekomen. Nu de Regeling financiƫn hoger onderwijs zelfstandige rechtsnormen bevat, omdat hierin is bepaald welke de bedragen zijn en wat de verdelingsgrondslag is met betrekking tot de afbouw dynamisering Smart Mix, en waar de regeling zodanig is verknoopt met het Uitvoeringsbesluit WHW dat deze daarvan niet is los te zien, bevatten beide regelingen algemeen verbindende voorschriften en zijn zij op grond van het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, juncto artikel 7:1, eerste lid, van de Awb niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Voor zover het bezwaar van eisers is gericht tegen de overheveling van onderzoeksgelden van de eerste naar de tweede geldstroom, merkt verweerder op dat deze overheveling is vastgelegd in de begroting van verweerders ministerie. Die overheveling is bij formele wet van 4 april 2008, conform de vaststelling van de begrotingsstaten van verweerders ministerie vastgesteld. Formele wetten zijn per definitie niet voor bezwaar en beroep vatbaar, omdat de wetgevende macht niet is aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van de Awb.

De rechtbank kan zich niet met verweerders zienswijze verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezwaren van eisers niet rechtstreeks gericht tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, dan wel de intrekking of vaststelling van de inwerkingtreding daarvan, en evenmin tegen een wet in formele zin, doch tegen de beschikkingen van 19 juni 2008. Die (uitvoerings)beschikkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank besluiten in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaan, zoals ook in de rechtsmiddelenclausule onderaan die beschikkingen is vermeld. Blijkens het gestelde in het verweerschrift is verweerder overigens ook zelf van mening dat de beschikkingen van 19 juni 2008 appellabele besluiten in de zin van de Awb zijn.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de beschikkingen van 19 juni 2008 zo nauw verknoopt zijn met het onderliggende algemeen verbindende voorschrift en/of de onderliggende wet in formele zin, dat beroep tegen deze besluiten zou neerkomen op een rechtstreeks beroep tegen het onderliggende algemeen verbindende voorschrift of de wet in formele zin. Bij dergelijke annexe constitutieve besluiten, die op grond van het bepaalde in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Awb van beroep bij de bestuursrechter zijn uitgesloten, heeft de wetgever het oog gehad op intrekkings-, inwerkingtreding- en goedkeuringsbesluiten die materieel tot gevolg hebben dat een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel van kracht wordt of wordt ingetrokken. Daarvan is hier geen sprake.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren tegen de beschikkingen van

19 juni 2008. De bestreden besluiten komen daarom voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen bovengenoemd gebrek in de bestreden besluiten te herstellen door de bestreden besluiten te herroepen en nieuwe besluiten te nemen, waarbij de bezwaren van eisers ontvankelijk worden geacht en waarbij alsnog inhoudelijk op die bezwaren wordt beslist. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen wordt door de rechtbank bepaald op 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van de beroepen op de gewone wijze worden voortgezet.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren van eisers te nemen en aan eisers bekend te maken, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Tegen deze tussenuitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010.

Afschrift verzonden op

PA