Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL3104

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
08 / 1279 WAJONG BL1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 2, elfde lid, van de Wajong en artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten geeft het Protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom (hierna: Protocol CVS) de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot CVS weer. Gelet op hetgeen in dit protocol is vermeld, moet worden aangenomen dat thans in de medische wetenschap algemeen aanvaard is dat CVS een reële en invaliderende aandoening is en daarmee is aan te merken als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wajong. Voorts blijkt uit het Protocol CVS dat naar huidig medisch inzicht CVS tot beperkingen in het functioneren kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze beperkingen niet anders worden gezien dan als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van CVS.

Of bij een belanghebbende sprake is van beperkingen in de belastbaarheid ten gevolge van CVS, en zo ja in welke mate, zal de (bezwaar)verzekeringsarts in iedere individuele zaak afzonderlijk dienen te beoordelen. De (bezwaar)verzekeringsarts zal daarbij niet, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd, het standpunt kunnen innemen dat er geen aanleiding bestaat om (meer) beperkingen in de belastbaarheid aan te nemen reeds omdat er geen afwijkingen zijn gevonden.

Bij de (bezwaar)verzekeringsarts zal voldoende duidelijkheid dienen te bestaan over de door belanghebbende ervaren klachten en belemmeringen, aangezien deze het uitgangspunt dienen te vormen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De rechtbank is er niet van overtuigd dat die duidelijkheid in de onderhavige zaak aanwezig is, nu aannemelijk is dat eiseres er vanuit ging dat het gesprek met de verzekeringsarts betrekking had op haar verzoek om een vergoeding van een behandeling tegen hoofdpijn en zij met name hierop gerichte informatie heeft verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 08 / 1279 WAJONG BL1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 oktober 2008.

2. Procesverloop

Eiseres ontving een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 17 juni 2008 heeft verweerder deze uitkering met ingang van

18 augustus 2008 beëindigd, op de grond dat eiseres per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 8 juli 2008, aangevuld op 19 augustus 2008, bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift van 5 december 2008, aangevuld op 15 januari, 27 februari, 5 mei, 11 augustus, 26 augustus en 31 augustus 2009, kan eiseres zich met dit besluit niet verenigen.

Verweerder heeft op 22 december 2008 de gedingstukken en een verweerschrift ingediend. Het verweerschrift is aangevuld op 2 februari, 20 mei, 20 augustus en 16 oktober 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2009, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Visser, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Schoonebeek.

Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. Daarbij is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Het beroep is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van

14 december 2009, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Visser, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.H. Harbers-Scholten, vergezeld door verzekeringsarts J.P. Voogd.

3. Overwegingen

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 6 juli 2005 een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Na advies te hebben ingewonnen bij verzekeringsarts A. Rensen en arbeidsdeskundige W.J.W. ter Bogt heeft verweerder bij besluit van 10 oktober 2005 aan eiseres met ingang van 6 juli 2004 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45-55%.

Verzekeringsarts L.P.G.M. Soons heeft op 16 april 2008, aangevuld op 9 mei 2008, een rapport aan verweerder uitgebracht. Soons concludeert dat de forse beperkingen die eiseres claimt op stoornisniveau niet worden onderbouwd (geen objectiveerbare stoornis). Gezien het chronische aspect van de klachten acht hij het wel acceptabel om enige beperkingen ten aanzien van zwaardere fysieke/energetische belasting aan te nemen. Hij acht geen medische reden aanwezig om een urenrestrictie te hanteren. Soons heeft de belastbaarheid van eiseres neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML).

Vervolgens heeft arbeidsdeskundige M. Voortman op 11 juni 2008 rapport uitgebracht. De arbeidsdeskundige heeft de volgende functies geduid: surveillant bewakingsdienst (Sbc-code 342023), telefonist, receptionist, typist (Sbc-code 315120), schilder, spuiter (Sbc-code 262170), schadecorrespondent (Sbc-code 516080), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (Sbc-code 315130). Uitgaande van deze functies is er volgens Voortman geen sprake van een verlies aan verdiencapaciteit en daardoor ook geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong. Op basis van deze rapportages heeft verweerder bij besluit van 17 juni 2008 de Wajong-uitkering van eiseres met ingang van 18 augustus 2008 beëindigd.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts E. Vastert. De bezwaarverzekeringsarts concludeert in zijn rapport van 17 oktober 2008 dat hij zich met de aangegeven mogelijkheden tot functioneren, zoals verwoord in de FML, kan verenigen. Ten aanzien van het Verzekeringsgeneeskundig protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom (hierna: Protocol CVS) overweegt Vastert dat dit een ondersteuning biedt bij de verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming, maar dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, ook met de protocollen onder handbereik, een kwestie blijft van professionele oordeelsvorming conform de richtlijnen vastgelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Bezwaararbeidsdeskundige H.N.M. van Rhee heeft vervolgens op 27 oktober 2008 een rapport uitgebracht. Van Rhee laat de functies met Sbc-codes 342023 en 315120 vervallen. Op basis van de resterende functies is er volgens Van Rhee nog steeds geen sprake van een

relevant verlies aan verdienvermogen, zodat eiseres niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong.

Onder verwijzing naar deze rapportages heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

In beroep voert eiseres aan dat zij het chronisch vermoeidheidssyndroom (hierna: CVS) heeft en al jarenlang bekend is met vermoeidheids- en hoofdpijnklachten en daarvoor onder behandeling is bij de huisarts, internist en neuroloog. Volgens eiseres heeft zij als gevolg van deze klachten ook psychische klachten. Eiseres stelt dat zij meer beperkingen heeft dan verweerder heeft aangenomen en dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Volgens eiseres heeft verweerder geen juiste toepassing gegeven aan het Protocol CVS. Zij wijst er daarbij op dat het Protocol CVS als algemeen uitgangspunt heeft dat met de aanvaarding van de diagnose CVS ook de daaraan inherente ernstige en invaliderende vermoeidheidsklachten als beperkingen worden aanvaard. Volgens eiseres had verweerder bij de beoordeling van haar functionele mogelijkheden aandacht moeten schenken aan alle in het Protocol CVS genoemde aandachtspunten, alsmede aan het bepaalde in de Standaard Verminderde Arbeidsduur en had verweerder rekening moeten houden met de door haar behandelaars uitgebrachte rapporten.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 2, eerste lid, van de Wajong is - voor zover van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 2, elfde lid, van de Wajong maakt de verzekeringsarts bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 2 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: de Regeling) dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wajong, waarbij sprake is van de in artikel 3 genoemde diagnoses, als hulpmiddel gebruik maakt van de in de bijlagen bij deze regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten met betrekking tot die diagnoses.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling wordt bij de beoordeling van CVS met ingang van 1 januari 2008 gebruik gemaakt van bijlage 9 bij deze regeling.

In bijlage 9 van de Regeling is het Protocol CVS opgenomen. Onder punt B van het Protocol CVS wordt ten aanzien van de beoordeling van de functionele mogelijkheden aangegeven dat de verzekeringsarts, indien hij heeft vastgesteld dat sprake is van CVS, bij zijn overwegingen betrekt dat dit een reële en invaliderende aandoening is. Hij realiseert zich dat CVS weliswaar algemene kenmerken heeft, maar dat op individueel niveau sprake is van grote verschillen, in aard, ernst en beloop van de aandoening en in de wijze waarop patiënten met hun klachten en beperkingen omgaan. De beperkingen zijn in het algemeen zowel fysiek als cognitief van aard. Hij betrekt zijn observaties en de visie van de cliënt in zijn beoordeling of en in hoeverre bij de werknemer sprake is van beperkingen die passen in een consistent en plausibel geheel van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen. Daarbij wordt een aantal aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden vermeld, wat betreft het persoonlijk functioneren, fysieke belasting, fysieke omgevingseisen en werktijden en verdeling van werkzaamheden en rust. Vermeld is verder dat het voor CVS-patiënten van belang kan zijn fysieke en mentale werkzaamheden en rust regelmatig af te wisselen. Voorts is opgemerkt dat bij CVS sprake kan zijn van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, conform de criteria van het Schattingsbesluit, maar dat er in het algemeen wel benutbare mogelijkheden zijn.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling wordt bij de in dit artikel genoemde diagnoses, met uitzondering van aspecifieke lage rugpijn en myocardinfarct, gebruik gemaakt van de Algemene inleiding bij de verzekeringsgeneeskundige protocollen, die als bijlage 5 bij deze regeling is opgenomen.

In bijlage 5 is opgenomen de Algemene inleiding bij de verzekeringsgeneeskundige protocollen. Onder de kop “Doel en domein” wordt in dit protocol opgemerkt dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen beogen een wetenschappelijk gefundeerde ondersteuning te bieden van het verzekeringsgeneeskundig handelen.

Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van

16 september 2009, LJN BJ7873, zijn de in de Regeling opgenomen verzekeringsgeneeskundige protocollen bedoeld als een hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en zal de vraag welke betekenis in een concreet geval toekomt aan een protocol, moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval en de aard en inhoud van het voorschrift van het protocol waarop belanghebbende zich beroept.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij eiseres sprake is van CVS en dat het Protocol CVS in de onderhavige zaak van toepassing is.

Het standpunt van verweerder, zoals dat ter zitting van de rechtbank door met name verzekeringsarts Voogd nader uiteengezet is, houdt in dat bij CVS (vrijwel) nooit sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, waaronder artikel 2, eerste lid, van de Wajong, aangezien (in het algemeen) niet voldaan wordt aan de daarvoor geldende eis van objectiveerbaarheid. Als er bij iemand met CVS beperkingen in de belastbaarheid worden aangenomen is dat volgens verzekeringsarts Voogd slechts omdat de verzekeringarts in dat geval meegaat in de beleving van de desbetreffende verzekerde. Aangezien ook bij eiseres niet aan de eis van objectiveerbaarheid is voldaan, is er volgens verweerder bij het bestreden besluit terecht geen aanleiding gezien eiseres meer beperkt te achten dan door de verzekeringsarts is aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze motivering van verweerder geen stand kan houden en overweegt daaromtrent het volgende.

Gelet op artikel 2, elfde lid, van de Wajong en artikel 2 van de Regeling geeft het Protocol CVS de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot CVS weer. Gelet op hetgeen in dit protocol is vermeld, moet worden aangenomen dat thans in de medische wetenschap algemeen aanvaard is dat CVS een reële en invaliderende aandoening is en daarmee is aan te merken als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wajong. Voorts blijkt uit het Protocol CVS dat naar huidig medisch inzicht CVS tot beperkingen in het functioneren kan leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze beperkingen niet anders worden gezien dan als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van CVS. Een andere opvatting hieromtrent zou tot gevolg hebben dat aan het Protocol CVS bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen enkele betekenis zou kunnen worden gehecht en dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van de wetgever en met de voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 september 2009.

Het voorgaande betekent overigens niet dat bij CVS beperkingen dienen te worden aangenomen op alle in het Protocol CVS opgenomen aandachtspunten of dat de (bezwaar) verzekeringsarts alle in het Protocol CVS genoemde aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden moet behandelen en bespreken in zijn rapportage. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 september 2009 zal bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling primair moeten worden uitgegaan van de door een belanghebbende in het concrete geval aangegeven klachten en ervaren belemmeringen en hoeft de (bezwaar)verzekeringsarts bij zijn onderzoek niet tot uitgangspunt te nemen de vraag welke beperkingen in zijn algemeenheid allemaal mogelijk zouden kunnen zijn. Of bij een belanghebbende sprake is van beperkingen in de belastbaarheid ten gevolge van CVS, en zo ja in welke mate, zal de (bezwaar)verzekeringsarts dan ook in iedere individuele zaak afzonderlijk dienen te beoordelen. De (bezwaar)verzekeringsarts zal daarbij echter niet, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd, het standpunt kunnen innemen dat er geen aanleiding bestaat om meer beperkingen in de belastbaarheid aan te nemen reeds omdat er geen afwijkingen zijn gevonden.

Bij de (bezwaar)verzekeringsarts zal, gelet op het voorgaande, voldoende duidelijkheid dienen te bestaan over de door belanghebbende ervaren klachten en belemmeringen, aangezien deze het uitgangspunt dienen te vormen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De rechtbank is er niet van overtuigd dat die duidelijkheid in de onderhavige zaak aanwezig is. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres heeft gesteld dat zij er vanuit ging dat het gesprek met de verzekeringsarts betrekking had op haar verzoek om een vergoeding van een behandeling tegen hoofdpijn en dat zij de verzekeringsarts met name hierop gerichte informatie heeft verstrekt. De rechtbank acht deze stelling van eiseres, mede gelet op de gegrondverklaring van de klacht van eiseres, dat zij niet goed is geïnformeerd over het doel van het gesprek met de verzekeringsarts en de consequenties hiervan, aannemelijk.

De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, wegens een motiveringsgebrek in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Bij dit nieuwe besluit zal verweerder tevens dienen te beslissen op het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte kosten. Deze kosten worden begroot op

€ 644,- aan verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en waarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld is aangemerkt, en € 12,30 aan reiskosten, derhalve in totaal op € 656,30.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 656,30 te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. L.M. Tobé, als voorzitter en A.M.S. Kuipers en mrs. M.E. van Wees, als leden, en door de voorzitter en H.B. Slot-Akkerman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010

Afschrift verzonden op

mtl