Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL1671

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
09 / 478 WMO T1 A; 09 / 1415 WMO T1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wmo, compensatieplicht artikel 4, woonvoorziening, primaat verhuizing, niet adequate voorziening, mantelzorg

In het onderhavige geval wordt met het aanbieden van de woning afbreuk gedaan aan het compensatiebeginsel. De woning is weliswaar geschikt voor iemand die rolstoelafhankelijk is, maar betrokkene’s situatie is gecompliceerder. Het betreft een zeer jeugdige Huntintonpatiënt. Hij heeft niet alleen fysieke maar ook cognitieve beperkingen en zijn ziekte heeft een progressief karakter, waardoor op termijn meerdere voorzieningen nodig zijn. Met het hanteren van de in het Handboek Toegankelijkheid neergelegde normen en afmetingen voor een rolstoel toe- en doorgankelijke woning wordt in het onderhavige geval onvoldoende recht gedaan aan de specifieke omstandigheden van het geval. Het primaat van verhuizing is geen onredelijk beleid. De aangepaste woning is echter niet adequaat. Ook al betekent een verhuizing naar een ander dorp binnen de gemeente slechts een verhuizing van zo’n 3,5 à 4 km, in de onderhavige context waarin intensieve mantelzorg wordt verleend door mantelzorgers die op zeer geringe afstand van de huidige woning wonen, vormt deze relatief geringe afstand een dermate grote hindernis dat doordoor de niet afdwingbare mantelzorg op losse schroeven komt te staan. Bovendien is het voor betrokkene, gezien zijn aandoening, van belang dat hij zoveel mogelijk dezelfde mensen om zich heen houdt. Ook om deze reden worden betrokkene’s beperkingen met de toewijzing van de woning in het kader van de toepassing van het verhuisprimaat onvoldoende gecompenseerd in de zin van de Wmo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 77

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 09 / 478 WMO T1 A

09 / 1415 WMO T1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

***,

wonende te ***, verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Rijs, advocaat te Enschede,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser.,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 31 maart 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente L. 2007 (verder: de Verordening). In hetzelfde besluit is aan verzoekster een verhuiskostenvergoeding van € 4.022,64 toegekend.

Tegen dit besluit is op 31 oktober 2008 door verzoekster bezwaar gemaakt. Tijdens een op 15 januari 2009 gehouden hoorzitting heeft verzoekster haar bezwaren nader toegelicht.

In afwijking van het door de commissie bezwaarschriften kamer Sociale Zekerheid op 15 januari 2009 uitgebrachte advies, dat op 3 en 4 februari 2009 is ondertekend, heeft verweerder bij besluit van 31 maart 2009, verzonden op 2 april 2009, het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Anders dan in het primaire besluit is daaraan thans artikel 16, eerste lid, van de Verordening ten grondslag gelegd.

Bij beroepschrift van 8 mei 2009 is tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op 16 november 2009 heeft de rechtbank besloten het beroep versneld te behandelen.

Bij verzoekschrift van 30 december 2009 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de werking van het primaire besluit d.d. 16 oktober 2008 alsmede de beslissing op bezwaar d.d. 31 maart 2009 wordt geschorst, althans dat de aanvraag van verzoekster voor een aanpassing in de woning in het kader van de Wmo wordt toegewezen, zodat verzoekster met haar gezin op zeer korte termijn een optimale woonsituatie voor haar zoon G. kan creëren.

Subsidiair verzoekt verzoekster anderszins een voorlopige voorziening te treffen. Tevens is verzocht om met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegelijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Op 7 januari 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen. Op 11 januari 2010 heeft de rechtbank nog een in het dossier ontbrekend stuk van verweerder ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 januari 2010. Verzoekster is, evenals haar gemachtigde verschenen. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer

B.V. Nijholt en de heer H.F. Hesselink. Tevens waren aanwezig: mw. L., maatschappelijk werkster van Het Roessingh, mw. D,, consulent informele zorg, en dhr. D. van de vereniging van Huntington, die - met instemming van verweerder - als informant zijn gehoord. Ook de moeder van verzoekster was aanwezig.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Het spoedeisend belang staat niet ter discussie. Gezien de medische situatie van G. is duidelijkheid over de aanvraag voor een woonvoorziening op korte termijn noodzakelijk.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoekster ingestelde beroep.

Bij de beoordeling van de hoofdzaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten.

Verzoekster is een alleenstaande moeder met drie kinderen. Zij werkt twee dagen per week in Enschede. Verzoekster woont met haar kinderen aan de V. 36 te O.. Haar oudste zoon G., geboren op 2 mei 2001, lijdt aan de progressieve en ongeneeslijke ziekte van Huntington. Als gevolg van die ziekte sterven grote delen van de hersencellen in bepaalde hersenkernen af. Het ziekteproces verloopt sneller indien de ziekte zich, zoals bij G., op jongere leeftijd openbaart. De fysieke symptomen bij juveniele Huntington bestaan onder andere uit spierstijfheid, bewegingsarmoede, achteruitgang van de fijne motoriek, evenwichtsverlies, slikproblemen en incontinentie. De cognitieve problemen uiten zich in spraakproblemen, een verslechterend concentratievermogen en het trager gaan werken van de hersenen, waardoor uiteindelijk het vermogen tot communiceren verloren gaat.

Daarnaast ontstaan psychiatrische beperkingen in de zin van snel kwaad worden, slaan, schreeuwen, vastpakken etcetera. Vaststaat dat G., die in verband met zijn ziekte naar de Mytylschool van revalidatiecentrum het Roessingh gaat, binnen afzienbare tijd volledig rolstoelafhankelijk zal zijn. In verband daarmee heeft verweerder aan G., naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van 3 april 2008, reeds een handbewogen kinderrolstoel en een elektrische rolstoel in bruikleen gegeven. De twee andere kinderen uit het gezin zijn 6 en 2 jaar oud. D. (6 jaar) gaat in O. naar school. Verzoekster maakt bij het voeren van haar huishouding en de zorg voor G. gebruik van mantelzorg, die wordt verleend door met name haar moeder (verder: oma), een tante en buren. Oma zorgt voor de naschoolse opvang en is net als andere mantelzorgers beschikbaar voor bijvoorbeeld oppas en assistentie die vaak nodig is, ondermeer vanwege regelmatige bezoeken aan het Roessingh. De mensen in de buurt kennen G. en zijn op de hoogte van de (gevolgen van) zijn ziekte.

Verder staat vast dat de huidige woning niet (langer) geschikt is voor G.. Het is, kennelijk in verband met een te geringe omvang van het perceel of de tuin, niet mogelijk om een aanbouw aan die woning te bouwen. Verzoekster zal dan ook met haar gezin moeten verhuizen.

Omdat verzoekster in het kader van de rolstoelaanvraag al had aangegeven dat toekenning van die voorziening het noodzakelijk maakt dat er een aanbouw aan haar woning komt, heeft SCIO Consult B.V (verder: SCIO), door wie verweerder zich in het kader van die aanvraag heeft laten adviseren, zich in het op 20 mei 2008 uitgebrachte medisch advies ook uitgelaten over de noodzakelijke aanpassingen aan de woning. Voorafgaand aan zijn advies heeft medisch adviseur A.E. Zurel (verder: Zurel) van SCIO volgens zijn rapportage een huisbezoek afgelegd en schriftelijk informatie ingewonnen bij J.M.M. Nijlant, revalidatiearts in het Roessingh. SCIO adviseert verweerder om nader ergonomisch onderzoek te laten verrichten voor een rolstoel en nader bouwkundig onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van woningaanpassing. Er is binnen afzienbare tijd een indicatie voor een rolstoel en er is een indicatie dat G. aangewezen is op een gelijkvloerse woning. De goedkoopste adequate oplossing is vermoedelijk verhuizen naar een gelijkvloerse rolstoeltoegankelijke woning. Indien dat mogelijk is, is een bouwkundig advies niet nodig. Aan dit advies ligt - samengevat - ten grondslag dat G. een zeldzame, genetische aandoening heeft. Uit de informatie van de behandelende artsen komt naar voren dat G. steeds verder achteruit gaat wat betreft motorische vaardigheden. De situatie is nu zo, dat verwacht wordt dat hij binnen afzienbare tijd rolstoelafhankelijk zal zijn. De moeder van G. is niet in staat G. de trap op en af te tillen. Het is niet duidelijk hoe lang het proces gaat duren. G. heeft een beperkte levensverwachting. Een prognose is nog niet te geven. Wel is het vrijwel zeker dat er volledige rolstoelafhankelijkheid zal optreden. De huidige woning is in de huidige vorm is niet adequaat. Ofwel er dient een voorziening te komen voor G. in de vorm van een natte cel en een slaapgelegenheid op de begane grond, of er dient een traplift te komen danwel dient er verhuisd te worden naar een gelijkvloerse woning. Indien er een gelijkvloerse, rolstoeltoegankelijke woning aanwezig is, is dat de meest adequate oplossing. Een traplift is een weinig adequate oplossing.

Aan de hand van het voornoemde SCIO-advies heeft de firma Welzorg de opdracht gekregen om samen met een ergotherapeut van het Roessingh, waar G. onder behandeling is, een passing voor een rolstoel te regelen. Naar aanleiding van in dat kader gevoerd overleg is duidelijk geworden dat er binnen afzienbare tijd (half jaar tot een jaar) hoogstwaarschijnlijk de noodzaak zal zijn voor een rolstoel toe- en doorgankelijke woning.

Omdat er op korte termijn een dergelijke woning vrij zou komen aan de H. 116 in L. heeft verweerder verzoekster daarop gewezen, hoewel er op dat moment nog geen officiële aanvraag voor een woningaanpassing lag. Verzoekster heeft echter aangegeven O. niet te willen verlaten. Desondanks heeft verzoekster de woning in L. samen met een ergotherapeute van het Roessingh bezocht. Verzoekster acht de woning niet geschikt omdat de woonkamer/keuken te klein is (zelfs kleiner dan de huidige woning), omdat de mantelzorg te ver weg is en omdat zij op zolder en dus te ver bij G. vandaan zou moeten slapen. Verweerder acht de woning wel adequaat. Omdat een patstelling dreigde, heeft verzoekster het advies gekregen alsnog een officiële aanvraag te doen. Op 8 augustus 2008 heeft verzoekster op grond van het bepaalde van de Wmo een woonvoorziening aangevraagd in de vorm van een aanbouw aan de huidige woning, met daarin ruimte voor alle noodzakelijke voorzieningen, alsmede het rolstoeltoe- en doorgankelijk maken van de woning, waarbij ook oog is voor het veiligheidsaspect en G.’s gedrag.

Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag onder toepassing van het verhuisprimaat afgewezen en aan verzoekster een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding toegekend. Daarbij is verzoekster de rolstoel toe- en doorgankelijke woning aan de H. 116 te L. aangeboden.

Naar aanleiding van het op 31 oktober 2008 ingediende bezwaarschrift heeft verweerder SCIO dossieronderzoek laten verrichten naar de geschiktheid van de woning aan de H. 116, waarbij onder meer de plattegronden van de woningen aan de V. en de H. met elkaar zijn vergeleken. SCIO komt in zijn rapport van 8 januari 2009 tot de conclusie dat de woning aan de H. 116 ruim voldoet aan de gestelde normen voor een rolstoel toe- en doorgankelijke woning.

Op 15 januari 2009 heeft de commissie bezwaarschriften kamer Sociale Zekerheid (verder: de commissie) verweerder geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren. De commissie is van mening dat verweerder in het onderhavige geval de lokaal vormgegeven compensatieplicht dient te doorbreken om te voldoen aan de in de Wmo neergelegde compensatieplicht. De inhoud van de compensatieplicht dient in het individuele geval maatwerk te zijn. De commissie stelt zich op het standpunt dat, nu niet in geschil is dat de huidige woning aan de V. te O. binnenkort niet meer voldoet vanwege de (te verwachten) beperkingen van G. en nu duidelijk is dat de huidige woning niet rolstoel toe- en doorgankelijk gemaakt kan worden, beoordeeld dient te worden of de door verweerder aangeboden woning aan de H. 116 te L. een adequate voorziening is. De commissie stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, aangezien de woning niet aan de normstelling voldoet. Daarbij is de commissie op voorhand uitgegaan van een ruimere normstelling dan in het door verweerder bij dit soort beoordelingen gehanteerde Handboek voor Toegankelijkheid, normen die zijn vastgesteld in overleg met de Chronisch Zieken en Gehandicapten Raad Nederland (hierna ook: het Handboek Toegankelijkheid). De commissie is van mening dat in deze specifieke situatie er extra woon- en leefruimte nodig is, mede gelet op de aanwezigheid van twee jongere kinderen en de (toenemende) gedragsproblematiek bij G. en de op termijn aanwezige Huntingtonstoel. Gelet op de weging van de individuele omstandigheden komt volgens de commissie toepassing van de bepaling van het primaat van verhuizing in het gedrang. De individuele omstandigheden, waarbij te denken valt aan de aanwezigheid van mantelzorg en een sociaal netwerk, bekendheid met de omgeving en buurt over en weer en sociale acceptatie, dragen bij tot de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en wegen in de visie van de commissie in dit geval zwaarder dan toepassing van de lokale regelgeving waarbij financieel belang en consistentie in beleid als uitgangspunt gelden.

In afwijking van dit advies heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportages van SCIO van 20 mei 2008 en 8 januari 2009, bij het bestreden besluit van 31 maart 2009, het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard. Onder weerlegging van de door verzoekster ingebrachte bezwaren en het door de commissie ingenomen standpunt, handhaaft verweerder - kort gezegd - het eerder ingenomen standpunt dat na weging van alle van belang zijnde factoren met het toepassen van het primaat van verhuizing niet alleen een adequate oplossing is geboden die ook nog de goedkoopste is, maar dat tevens met het aanbod van de woning aan de H. 116 te L. individueel maatwerk is geleverd en dat is voldaan aan de in de Wmo neergelegde compensatieplicht.

Verzoekster heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen en de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. De aangewezen woning wordt ten onrechte als adequaat en een verantwoorde woonvoorziening aangemerkt. De relevante belangen en bijzondere feiten en omstandigheden zijn onvoldoende zorgvuldig onderzocht. De ziekte van Huntington is bij G. inmiddels in een vrij vergevorderd stadium. Verzoekster heeft bij verweerder een aanvraag ingediend, gericht op woningaanpassing van de eigen, dan wel - indien dat niet mogelijk zou zijn - van een andere woning, zijnde een bouwkundige of bouwtechnische bodemvoorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, sub b, van de Verordening. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Verordening is toewijzing van een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b aan de orde als het toekennen van de voorziening ex artikel 15, eerste lid, sub a (een tegemoetkoming in de verhuiskosten) niet mogelijk is. Dat is hier het geval. De geboden verhuiskosten zijn bedoeld voor verhuizing naar de woning H. 116 te L.. Die woning kan echter niet als een adequate oplossing ingevolge de Wmo worden beschouwd. De woning is te klein voor bewoning door het gezin van verzoekster met een spoedig geheel rolstoelafhankelijke jonge zoon, terwijl de bouwtechnische indeling ervan adequate hulp aan en toezicht op G. bemoeilijken. Verweerder heeft de woning in strijd met de visie van het Roessingh en de bezwaarschriftencommissie, en naar verzoeksters mening ten onrechte, toch geschikt geacht. Verzoekster is van mening dat verweerder in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld door het in het bestreden besluit te erkennen dat in primo is uitgegaan van de verkeerde maten van de woonkamer en door vervolgens te volstaan met de opmerking dat dat na correctie in bezwaar géén gevolgen heeft voor de afweging. De woning is eveneens ongeschikt omdat na verhuizing naar L. het mantelzorgnetwerk in duigen zou vallen. Volgens verzoekster probeert verweerder de problematiek van verzoekster te bagatelliseren. Verzoekster acht het bestreden besluit op dit punt niet in overeenstemming met artikel 1, lid 1 sub g ten 4e van de Wmo. Verzoekster wil niet naar L. verhuizen en dat dient verweerder ook mee te laten wegen in zijn besluitvorming. Verweerder miskent in de ogen van verzoekster eveneens dat G., gezien het voortschrijdend stadium van zijn ziekte, niet of nauwelijks in staat moet worden geacht zich aan een geheel nieuwe woonomgeving aan te passen en dat verandering van woonomgeving zijn situatie zal verergeren. Verzoekster is van mening dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Zij verwijst naar een brief van de openbare Daltonschool Het Kompas d.d. 10 oktober 2008 ten aanzien van haar zoon D., informatie van mantelzorgmakelaar mevrouw H., een schrijven van mevrouw D., consulent van de Stichting Informele Zorg (steunpunt mantelzorg), een van 24 november 2008 daterende medische verklaring van revalidatiearts A.G. Oudenaarden en een verslag van het door ergotherapeut Y. Schenk uitgevoerde huisbezoek op het adres H. 116 te L..

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, ten 5e van de Wmo is bepaald dat in de Wmo onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, ten 6e van de Wmo is bepaald dat in de Wmo onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem ondermeer in staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, alsmede medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in eerdergenoemde Verordening, die door de gemeenteraad van L. op 26 september 2006 is vastgesteld en op 1 januari 2007 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

In het tweede lid van artikel 26 is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is bij, onder meer, een besluit op bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb.

In artikel 15, eerste lid, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat individuele woonvoorzieningen als bedoeld in artikel 13 kunnen bestaan uit:

a. een tegemoetkoming in de verhuiskosten;

b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

c. een niet bouwkundige of technische woonvoorziening.

In artikel 16, van de verordening is bepaald:

1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.

2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onder deel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.

Dit artikel gaat derhalve uit van het primaat van verhuizing.

De wetgever heeft aan het gemeentebestuur bewust vrijheid gelaten om, binnen het globaal wettelijk kader van de Wmo en met inachtneming van de aanwezige middelen en plaatselijke omstandigheden, naar eigen inzicht invulling te geven aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo opgedragen taak om ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6, van de wet ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen te treffen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die die persoon in staat stellen een huishouden te voeren. Verder dient ingevolge het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wmo bij het bepalen van de voorzieningen rekening te worden gehouden met - samengevat - diverse persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. In artikel 5 van de Wmo is bepaald aan welke eisen de Wmo-verordening dient te voldoen. Artikel 6 van de Wmo betreft de keuzevrijheid van de aanvrager indien deze aanspraak heeft op een voorziening. Ook uit deze bepalingen blijkt dat de wetgever aan het gemeentebestuur bewust vrijheid heeft gelaten om zelf invulling te geven aan de verplichtingen van de Wmo.

Verweerder hanteert inzake woningaanpassingen het in artikel 16 van de Verordening neergelegde primaat van de verhuizing.

De Centrale Raad van Beroep heeft in vaste jurisprudentie onder de vigeur van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) het primaat van de verhuizing als verantwoorde woonvoorziening voor gehandicapten aanvaard, mits steeds in concreto een voor de betrokken gehandicapte adequate oplossing tot stand zou komen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het primaat van de verhuizing onder vigeur van de Wmo niet te aanvaarden, mits in de verordening en de daarop gebaseerde regelgeving is voldaan aan de in de artikelen 4, 5 en 6 van de Wmo neergelegde vereisten.

De voorzieningenrechter acht het in de onderhavige Verordening vormgegeven primaat van de verhuizing als zodanig niet in strijd met het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel en de overige vereisten van de artikelen 4, 5 en 6 van de Wmo. De regeling in de Verordening vormt derhalve de specifieke grondslag waarop de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet worden beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengen de bewoordingen van artikel 4, 5 en 6 van de Wmo mee, dat - gelijk als dat onder de vigeur van de Wvg het geval was - op het verhuisprimaat een uitzondering dient te worden gemaakt indien zwaarwegende omstandigheden daartoe aanleiding geven. Gelet op de individuele omstandigheden zal er maatwerk moeten worden geleverd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Verweerder heeft de in het kader van de toepassing van het primaat van verhuizing te maken belangenafweging ook daadwerkelijk gemaakt en heeft daarbij de factoren die in het kader van die belangenafweging een rol kunnen spelen, afgewogen.

Dat partijen het niet eens zijn over de uitkomst van die belangenafweging, betekent nog niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Volgens verzoekster heeft er in juli 2009 nog een gesprek plaatsgevonden tussen de arts Zurel van SCIO en moeder, waarbij Zurel ook G. heeft gezien. Verzoekster meent dat dat in opdracht van verweerder is gebeurd. Een rapportage van een dergelijk onderzoek bevindt zich niet in het dossier. Wat daar ook van zij, als nader onderzoek heeft plaatsgevonden is dat gebeurd na het bestreden besluit, zodat daar in dit kader geen rekening mee wordt gehouden.

Vast is komen te staan dat sprake is van een zeer bijzondere en ernstige medische situatie. Het is aannemelijk dat G. als gevolg van de ziekte van Huntington binnen afzienbare tijd volledig afhankelijk zal zijn van een (elektrische) rolstoel. Niet in geschil is dat de huidige woning aan de V. 36 te O. niet rolstoel toe- en doorgankelijk is en dat de woning dat ook niet te maken is. Duidelijk is derhalve dat het gezin van verzoekster zal moeten verhuizen naar een wel rolstoel toe- en doorgankelijke woning. Verweerder heeft verzoekster een dergelijke woning aangeboden. Het betreft een woning aan de H. 116 te L.. Beoordeeld dient te worden of verweerder, zonder afbreuk te doen aan het in de Wmo neergelegde compensatiebeginsel, in het onderhavige geval invulling had mogen geven aan het verhuisprimaat door verzoekster de betreffende woning aan te bieden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van een situatie waarin met het aanbieden van meergenoemde woning afbreuk wordt gedaan aan het compensatiebeginsel. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de woning aan de H. 116 op zich geschikt is voor iemand die rolstoelafhankelijk is. Dat er een aparte ingang is, acht de voorzieningenrechter geen bezwaar. Uit de voorhanden zijnde medische en overige gegevens blijkt echter dat G.’s situatie gecompliceerder is. Hij heeft niet alleen fysieke -, maar ook cognitieve beperkingen. Uit de rapportage van het SCIO van 8 januari 2009 maakt de voorzieningenrechter op dat met de fysieke beperkingen van eiser rekening is gehouden in die zin, dat niet alleen gekeken is of de woning wat betreft de afmetingen voldoende ruim is om op dit moment G.’s beperkingen te compenseren. Ook is rekening gehouden met het progressieve karakter van de ziekte, waardoor op termijn waarschijnlijk meerdere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een tillift en een douchebrancard, nodig zijn. Er is volgens SCIO voldoende ruimte om deze hulpmiddelen in de slaapkamer en de douche te stallen. Uit de stukken maakt de voorzieningenrechter echter op dat geen rekening is gehouden met de op termijn ook noodzakelijke Huntingtonstoel. Deze stoel, die nodig is naast de elektrische rolstoel, is niet alleen groot, maar ook moeilijk te verplaatsen en dient bij voorkeur in de woonkamer te worden geplaatst, om het G. mogelijk te maken deel te nemen aan het gezinsleven dat zich vooral daar afspeelt. De woonkamer van de woning aan de H. 116 is exclusief de keuken 23,4 m², kleiner dan de 26,5 m² grote woonkamer in de huidige woning. Daarmee is de woonkamer ook kleiner dan de oppervlakte van 26 – 28 m² die een rolstoelgeschikte woonkamer volgens het Handboek Toegankelijkheid minimaal moet hebben. Daaraan doet niet af dat G.’s slaapkamer in de aanbouw 16 m² is en dus groter is dan het minimum vereiste oppervlak van 10 m². Het zijn twee aparte ruimtes met een afzonderlijke functie, zodat de oppervlaktes van beide ruimtes niet bij elkaar opgeteld kunnen worden alsof het om één grote ruimte gaat. Weliswaar is de slaapkamer van G. zo groot dat deze wellicht gebruikt kan worden als zit/slaapkamer voor één persoon, maar dat neemt niet weg dat G. ook in staat moet zijn om deel te nemen aan het gezinsleven dat, zoals reeds is opgemerkt, zich voornamelijk in de woonkamer afspeelt. Het formaat van de woonkamer is ook van belang in het licht van G.’s cognitieve beperkingen. Dit aspect is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rapportages waarop verweerder zijn besluit baseert, onderbelicht gebleven.

Als gevolg van zijn cognitieve beperkingen kan G. snel kwaad worden, heeft hij de neiging te schreeuwen, te slaan en anderen vast te pakken. Tijdens de hoorzitting heeft de heer D. van de vereniging van Huntington aangegeven dat voldoende binnenruimte ook een rol speelt bij het zorgen voor een rustige, prikkelarme omgeving. Als te veel prikkels ontstaan heeft dit een negatieve invloed op G.’s gedragsproblematiek. Ter zitting heeft mevrouw L. , maatschappelijk werkster uit het team dat G. bij het Roessingh behandelt, deze visie bevestigd. Ook de omstandigheid dat het hier een gezin met drie jonge kinderen betreft, waarvan G. de oudste is, dient mee te wegen als het gaat om de ruimte die de kinderen nodig hebben om te spelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet gelet op voornoemde aspecten worden geconcludeerd dat de woonkamer van de woning aan de H. 116 te klein is om G. zo normaal als mogelijk in het gezinsleven te betrekken en zo de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie afdoende te compenseren. Of de woning evenmin een adequate voorziening is omdat verzoekster slaapplaats op zolder dusdanig ver verwijderd is van die van G. op de begane vloer dat zij ’s nachts niet voldoende zorg kan bieden, staat niet vast, aangezien verweerder heeft gesteld dat verzoekster ook gebruik kan maken van de (tweepersoons) slaapkamer op de eerste verdieping. Of dat inderdaad zo is, staat thans niet vast. Wel is van belang dat het noodzakelijk lijkt dat de moeder ’s nachts zeer snel bij G. kan komen omdat er gevaar is voor verslikken of stikken.

Gelet op het voorgaande leidt het hanteren van de in het Handboek Toegankelijkheid neergelegde gebruikelijke normen en afmetingen voor een rolstoel toe- en doorgankelijke woning, er in het onderhavige geval toe dat onvoldoende recht gedaan wordt aan de specifieke omstandigheden van het geval. Geconcludeerd moet derhalve worden dat met de woning aan de H. 116 te L. geen adequate woonvoorziening is geboden.

Hoewel - gelet op deze conclusie - het strikt genomen in het kader van de behandeling van de onderhavige zaak niet meer aan de orde hoeft te komen, merkt de voorzieningenrechter op dat, nog afgezien van de indelings- en maatvoeringsproblemen van de woning, bij de afweging of G. voldoende wordt gecompenseerd in de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie nog andere aspecten een rol spelen. Eén daarvan is het feit dat er intensieve mantelzorg wordt verleend. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de door oma, tante en de buurt geboden mantelzorg. De wijze waarop de mantelzorg thans wordt verleend staat of valt met de zeer geringe afstand waarop de mantelzorgers woonachtig zijn. Daardoor kunnen ze zonodig meerdere keren per dag bijspringen, zowel in de zorg of opvang van G. als van de andere kinderen uit het gezin, zodat verzoekster haar handen vrij heeft voor G.. Ook al betekent verhuizing naar L. slechts een verhuizing van zo’n 3,5 à 4 kilometer, in de onderhavige context vormt deze relatief geringe afstand een dermate grote hindernis, dat daardoor de niet afdwingbare mantelzorg op losse schroeven komt te staan. Dat in L. de noodzakelijke hulp door vrijwilligers zal worden geboden, is gelet op het vrijwillige karakter uiteraard niet gegarandeerd. Hoewel verzoekster mogelijk in L. ook hulp kan krijgen door bijvoorbeeld met haar persoonsgebonden budget ondersteunende begeleiding in te huren, gaat daarbij wegen dat G. ook cognitief steeds verder achteruit gaat. In dat kader is het volgens maatschappelijk werkster Landman van het Roessingh belangrijk dat hij zoveel mogelijk dezelfde mensen om zich heen houdt. Dat is ook de reden dat G. ondanks de verslechtering op cognitief vlak, toch in dezelfde klas blijft. Ook in dit licht bezien kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden volgehouden dat verweerder G. met de toewijzing van de woning aan de H. 116 te L. in het kader van de toepassing van het primaat van verhuizing voldoende heeft gecompenseerd in de zin van de Wmo. Dat verzoekster eerder met haar gezin meermalen is verhuisd, maakt dat niet anders.

De verhuizingen hebben immers plaatsgevonden vóórdat bij G. de diagnose Huntington is gesteld en de consequenties van zijn gedragsproblematiek speelden op dat moment derhalve nog geen rol.

Tegenover deze omstandigheden plaatst verweerder met name de kosten die op de algemene middelen zouden drukken als een andere woning op grond van het bepaalde in de Wmo zou moeten worden aangepast en het argument dat als een aangepaste woning beschikbaar is, het ondoelmatig kan zijn om tevens een andere woning aan te passen, omdat niet alle aangepaste woningen goed verhuurbaar zullen zijn. Deze argumenten acht de voorzieningenrechter van onvoldoende gewicht om in dit specifieke geval toepassing van het verhuisprimaat door toewijzing van de woning te L. te rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep in de hoofdzaak, wegens strijd met het bepaalde in artikel 4 Wmo, zodat dit gegrond moet worden verklaard. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen zo spoedig mogelijk een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De voorzieningenrechter kan uiteraard niet zelf in de zaak voorzien. Met deze uitspraak wordt dan ook in ieder geval op korte termijn geen bevredigende oplossing geboden. Ook is het maar de vraag of op langere termijn de voor G. benodigde woonvoorziening in de nabije omgeving van de woning aan de V. te O. gevonden kan worden. Dat is immers niet alleen afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte woningen. Het kan zijn dat dan alsnog aanpassingen aan de woning gerealiseerd moeten worden, waar weer tijd mee gemoeid zal zijn. Het verdient dan ook aanbeveling dat verweerder met verzoekster, de woningbouwvereniging(en) en eventuele andere betrokken deskundigen zo spoedig mogelijk om de tafel gaat zitten om de mogelijkheden in kaart te brengen, te bezien wat ieder kan bijdragen en waarbij wellicht creatieve oplossingen gevonden worden.

Vanwege de beslissing op het beroep in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Het gaat om de kosten van professionele rechtsbijstand ten bedrage van € 1.196,-- (één punt ad € 322,-- voor het indienen van het beroepschrift, één punt ad € 437,-- voor het indienen van het verzoekschrift en één punt ad

€ 437,-- voor het verschijnen ter zitting), alsmede de reiskosten ten bedrage van € 12,86.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten, die worden bepaald op € 1208,86, door verweerder te betalen aan verzoekster;

- verstaat dat aan verzoekster het griffierecht ad € 82,-- wordt vergoedt

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

II Op het verzoek om voorlopige voorziening:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. C. Verdoold, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. G.F.S. Sloet-van der Kolk, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010.

Afschrift verzonden op

AB