Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL1513

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
08 / 1194 AW AQ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo oordeelt dat de Kroon in redelijkheid heeft kunnen komen tot het ontslag van de burgemeester van Dinkelland. Wel is door de Minister van Binnenlandse Zaken een vormfout gemaakt, aangezien de Kroon en niet de Minister had moeten beslissen op het bezwaar van eiser. De vormfout is echter tijdig hersteld. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Dit betekent dat het ontslag van kracht blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 08 / 1194 AW AQ1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.A.M. Witteveen, advocaat te Amsterdam,

en

de Kroon, in dezen vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 6 oktober 2008.

2. Procesverloop

Bij koninklijk besluit van 27 februari 2008 (no. 08.000642) is aan eiser met ingang van 1 maart 2008 eervol ontslag verleend als burgemeester van de gemeente [naam gemeente].

Op 7 april 2008 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn namens eiser ingediend op 1 juli 2008. Eiser is op 2 september 2008 over zijn bezwaar gehoord.

Bij het bestreden besluit heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het ontslagbesluit van 27 februari 2008 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser op 13 november 2008 beroep ingesteld. Eiser heeft de gronden van het beroep ingediend op 15 december 2008. Verweerder heeft op 13 januari 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 2 februari 2009 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij schrijven van 1 mei 2009 de gronden van het beroep nader aangevuld. Verweerder heeft desgevraagd op 25 juni 2009 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 23 november 2009, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Witteveen, voornoemd, en door mr. A.G.M. Tjeenk Willink, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, voornoemd, alsmede drs. M.C.J.M. Hermus, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Bij brief van 24 november 2009 heeft de Minister alsnog een document van de Kroon overgelegd van 14 oktober 2009, houdende machtiging om overeenkomstig het op 6 oktober 2008 genomen besluit op de bezwaren van eiser te beslissen. Eiser heeft op 7 december 2009 gereageerd op genoemde brief van 24 november 2009.

Beide partijen hebben toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 december 2009 gesloten.

3. Overwegingen

Wettelijk kader

Artikel 61b van de Gemeentewet luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

1. De burgemeester kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.

2. Indien sprake is van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad, kan de raad, door tussenkomst van de commissaris van de Koning, een aanbeveling tot ontslag zenden aan Onze Minister.

(……………..)

7. Onze Minister wijkt in zijn voordracht slechts af van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de commissaris dan wel op andere zwaarwegende gronden.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van het Rpb kan aan de burgemeester, anders dan op eigen aanvraag, (onder meer) ontslag worden verleend op grond van:

d. een aanbeveling van de raad tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet;

(……………..)

e. andere gronden.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 6 november 2007 is de Commissaris van de Koningin (hierna: CdK) in Overijssel zowel door eiser als door een van de wethouders van de gemeente [naam gemeente] telefonisch in kennis gesteld van het feit dat de wethouders van de gemeente [naam gemeente] in de collegevergadering van 29 oktober 2007 het vertrouwen in eiser hebben opgezegd. De directe aanleiding was een conflict tussen eiser en de ambtelijke leiding, maar tevens werd gerefereerd aan al langer bestaande problemen in de onderlinge verhoudingen, gerelateerd aan diverse incidenten die zich zouden hebben voorgedaan en die door de wethouders zijn samengevat in een lijst met veertien punten.

De CdK heeft op 7 november 2007 gesprekken gevoerd met eiser en met de wethouders. Daaruit concludeerde de CdK dat partijen daadwerkelijk tegenover elkaar staan, zowel wat betreft de feiten die aan de incidenten ten grondslag zouden liggen, als wat betreft de beoordeling van die feiten.

Op 8 november heeft de CdK een gesprek gehad met de fractievoorzitters en de griffier van de gemeenteraad. Hierin heeft de CdK aanleiding gezien om formeel in overleg te treden met de gemeenteraad over de vraag of sprake is van een verstoorde verhouding tussen eiser en de gemeenteraad.

In een besloten vergadering op 12 november 2007 heeft overleg plaatsgevonden tussen de CdK en de gemeenteraad, waarbij ook eiser aanwezig was. Tijdens deze vergadering hebben de verschillende partijen en eiser hun standpunten over de kwestie toegelicht. Op grond van de beraadslagingen van de gemeenteraad is de CdK tot de conclusie gekomen dat er geen ruimte bestaat voor bemiddeling tussen eiser en de raad dan wel tussen eiser en de wethouders.

Bij brief van 15 november 2007 heeft de CdK verweerder geïnformeerd over de positie van eiser als burgemeester van de gemeente [naam gemeente] en de in dat verband te volgen procedure, waarbij het aan de gemeenteraad was om zijn positie te bepalen.

Op 20 november 2007 heeft de gemeenteraad een motie aanvaard met betrekking tot de positie van de burgemeester. In deze motie heeft de gemeenteraad uitgesproken dat sprake is van een blijvend verstoorde verhouding als bedoeld in artikel 61b van de Gemeentewet tussen de gemeenteraad en de burgemeester.

In zijn vergadering van 11 december 2007 heeft de gemeenteraad in een motie de aanbeveling uitgesproken dat eiser wordt ontslagen als burgemeester.

De CdK heeft de Minister hiervan bij brief van 13 december 2007 in kennis gesteld.

Op 19 december 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de CdK en eiser, waarbij de CdK aan eiser heeft meegedeeld dat hij nog nader onderzoek zal verrichten met betrekking tot een aantal door eiser aan de orde gestelde integriteitskwesties betreffende de wethouders.

De CdK heeft zowel de raad als verweerder hiervan in kennis gesteld bij brief van 19 december 2007.

Op 15 januari 2008 heeft drs. L.H.G. Platvoet, senior adviseur (hierna te noemen: Platvoet), in opdracht van de CdK rapport uitgebracht betreffende de genoemde integriteitskwesties. Mede op basis van de feiten en omstandigheden, die uit dat rapport naar voren zijn gekomen, heeft de CdK bij brief van 22 januari 2008 aan verweerder geadviseerd om eiser eervol ontslag te verlenen.

Op 30 januari 2008 heeft de Minister een gesprek gehad met eiser, waarbij een aantal procedurele afspraken is gemaakt. Op 11 februari 2008 heeft eiser per e-mail aan verweerder laten weten dat hij in het belang van de gemeente en in het belang van de beroepsgroep niet zelf ontslag zal nemen.

Verweerder heeft bij brief van 11 februari 2008 aan eiser het voornemen tot ontslag meegedeeld. Eiser heeft tijdens een hoorzitting op 20 februari 2008 zijn zienswijze ten aanzien van het voornemen kenbaar gemaakt.

Bij koninklijk besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder aan eiser met ingang van

1 maart 2008 eervol ontslag verleend als burgemeester van de gemeente [naam gemeente]. De motivering is als afzonderlijke bijlage bij dat besluit gevoegd.

Beroepsgronden

Eiser is van mening dat het besluit niet in stand kan blijven. Hij voert aan dat ten onrechte geen machtiging is verleend aan de Minister om te beslissen op zijn bezwaar tegen het door de Kroon genomen besluit tot ontslag. Daarbij kan de in het bestreden besluit gehandhaafde, zelfstandige, ontslaggrond `andere gronden` noch formeel noch materieel ten grondslag worden gelegd aan het ontslag.

Verder meent eiser dat de werkelijke reden tot de aanbeveling tot ontslag niet de verstoorde verhouding tussen gemeenteraad en de burgemeester was maar het conflict binnen het college van burgemeester en wethouders. Dat conflict met de wethouders had zijn oorsprong in de omstandigheid dat eiser een aantal integriteitskwesties waarbij de wethouders betrokken waren aan de kaak heeft gesteld. Eiser heeft die kwesties met de wethouders besproken en dat heeft zich tegen hem gekeerd: de (meerderheid van de) gemeenteraad heeft zich voor het karretje van de wethouders laten spannen met als uiteindelijk gevolg het ontslag van eiser. De CdK heeft een eerder signaal van eiser, waarin hij de kwestie van de integriteit van de wethouders aan de orde heeft gesteld, niet opgepakt zodat eiser daar zijn eigen weg in heeft moeten zoeken.

De CdK heeft, toen eenmaal het conflict met de wethouders naar buiten is gekomen, de crisis met de wethouders getransformeerd in een verstoorde verhouding met de gemeenteraad. De CdK heeft zich onvoldoende ingespannen om het conflict bij de wortel aan te pakken en heeft nagelaten actief te sturen op bemiddeling.

De vergadering van de gemeenteraad van 20 november 2007 is in strijd met het reglement van orde van de gemeenteraad gehouden. Gemeenteraadsleden en eiser hebben als gevolg daarvan onvoldoende tijd gehad zich voor te bereiden op de vergadering. De aangenomen motie bevat feitelijke onjuistheden en bovendien is middels de motie, aangenomen in die vergadering, reeds besloten tot het “in gang zetten van de geëigende ontslagprocedure”, wat in strijd is met artikel 61b van de Gemeentewet en bovendien de vooringenomenheid van de (meerderheid van de) gemeenteraad tekent.

De aanbeveling tot ontslag, door de gemeenteraad gedaan in zijn vergadering van 11 december 2007, berust op een feitelijk onjuiste grondslag, is feitelijk onjuist en is bovendien in strijd met doel en strekking van de met waarborgen omklede procedure van artikel 61b van de Gemeentewet.

Het advies dat de CdK heeft uitgebracht aan verweerder naar aanleiding van de aanbeveling tot ontslag is strijdig met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onbegrijpelijk vindt eiser de opmerking in het advies dat “ook overigens”, dus los van de aanbeveling tot ontslag, sprake zou zijn van een verstoorde verhouding. Dat geen sprake zou zijn van enige basis tot bemiddeling is niet door de CdK onderbouwd. De resultaten van het rapport Platvoet hadden voor de CdK aanleiding moeten zijn de aanbeveling niet te onderschrijven.

Het besluit van verweerder tot ontslag kenmerkt zich door de hoge snelheid waarmee het tot stand is gekomen. Aan de argumenten van eiser, met name dat niet de gemeenteraad maar het conflict met de wethouders de oorzaak was van de aanbeveling tot ontslag, is verweerder voorbijgegaan. De rol van de CdK is eveneens onvoldoende belicht. Eiser heeft gemotiveerd aangevoerd dat er zwaarwegende redenen zijn om van de aanbeveling en het advies af te wijken doch verweerder is daar zonder meer aan voorbij gegaan.

Het standpunt van verweerder

Verweerder meent dat het besluit op bezwaar rechtens juist is. Van belang is de staatsrechtelijke context waarin het geschil plaatsvindt. De gemeenteraad is op lokaal niveau het democratisch gekozen en daarmee gelegitimeerde orgaan dat controle uitoefent op de leden van het college van burgemeester en wethouders. Die kunnen alleen functioneren als ze het vertrouwen hebben van de (meerderheid van de) gemeenteraad. Blijkt dat vertrouwen er niet te zijn dan is het vertrek van een of meer leden van het college van burgemeester en wethouders staatsrechtelijk geboden. Op grond van artikel 61b, zevende lid, van de Gemeentewet wijkt de Minister in een voordracht tot ontslag slechts af van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de CdK dan wel op andere zwaarwegende gronden. De aanbeveling van de gemeenteraad is onderbouwd door twee op 20 november 2007 en 11 december 2007 aangenomen moties, waarin gemotiveerd is uitgesproken dat en waarom de verhoudingen tussen de gemeenteraad en eiser als ernstig verstoord hebben te gelden. Bovendien heeft de Minister op basis van de voorhanden zijnde informatie, waaronder het advies van de CdK, ook los van de aanbeveling kunnen en moeten constateren dat de verhoudingen tussen eiser en de gemeenteraad ernstig verstoord zijn. Dat rechtvaardigt een ontslag als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het Rpb, zowel op grond van het eerste lid, aanhef en onder d, als op grond van het eerste lid, aanhef en onder e.

Uit de stukken is de Minister gebleken dat de bestuurbaarheid van de gemeente in het geding was. De procedure is zorgvuldig verlopen. De CdK heeft zich terdege rekenschap gegeven van de mogelijke integriteitskwesties. Daarom heeft hij ook, voordat hij zijn advies heeft uitgebracht, een onderzoek doen instellen. Toen uit dat onderzoek de verwijten van eiser aan het adres van de wethouders niet voldoende feitelijke grondslag bleken te hebben, heeft de CdK de Minister geadviseerd eiser eervol te ontslaan. De Minister heeft bij de voordracht uitdrukkelijk betrokken dat er wel degelijk sprake is van een verstoorde verhouding tussen eiser en de gemeenteraad, hetgeen ook blijkt uit de inhoud van de door de gemeenteraad aangenomen moties. Het gaat daarbij niet alleen om de crisis met de wethouders maar ook om de verwijten die eiser in dat kader zijn gemaakt, tezamen met de wijze waarop eiser met die crisis is omgegaan en in het bijzonder zijn opstelling tijdens de raadsvergadering van 20 november 2007. Het is op zichzelf juist dat de burgemeester waakt voor de bestuurlijke en ambtelijke integriteit. Door de wijze waarop eiser heeft gemeend invulling te geven aan die taak heeft hij echter de daarbij in acht te nemen grenzen overschreden. In de vergadering van de gemeenteraad van 20 november 2007 heeft hij ernstige beschuldigingen aan het adres van de wethouders en een ambtenaar geuit. Vervolgens heeft hij zich niet gehouden aan de eis dat, voordat de beschuldiging van niet-integer handelen wordt geuit, eerst de relevante feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld. Voor het overgrote deel van de aan betrokkenen gemaakte verwijten, die door eiser nooit met de fractievoorzitters zijn gedeeld, bestond geen of onvoldoende feitelijke grondslag, hetgeen blijkt uit de onderzoeken van Platvoet en het Bureau Integriteit Nederlandse gemeenten (hierna: het BING). Voor de stelling van eiser dat het opzeggen van het vertrouwen uitsluitend het gevolg is geweest van de wijze waarop eiser de wethouders op vermeend niet-integer handelen heeft aangesproken biedt het dossier geen aanknopingspunten. Uit het dossier blijkt voldoende dat sprake was van verstoorde verhoudingen, die ten minste zijn terug te voeren op de wijze waarop eiser invulling gaf aan het burgemeestersambt en het collegiaal bestuur binnen het college van burgemeester en wethouders. De Minister heeft in het dossier geen aanleiding gezien op zwaarwegende gronden af te wijken van de aanbeveling van de gemeenteraad en het advies van de CdK.

Het oordeel van de rechtbank

Allereerst stelt de rechtbank vast dat het onderhavige ontslag overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving bij koninklijk besluit is verleend. Uit het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vloeit voort dat op het door eiser ingediende bezwaar eveneens bij koninklijk besluit moet worden beslist. Het bestreden besluit is echter genomen door de Minister. De Minister was niet bevoegd het bestreden besluit te nemen, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Nu de Kroon bij brief van 14 oktober 2009, overgelegd op 24 november 2009, de Minister alsnog heeft gemachtigd tot het beslissen op het bezwaar tegen het ontslagbesluit op de wijze als in het bestreden besluit reeds was geschied en daarmee het bestreden besluit voor Haar rekening heeft genomen, zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) de bevoegdheid om ontslag te verlenen aan een burgemeester moet worden aangemerkt als een vrije bevoegdheid, waarvan de uitoefening door de rechter moet worden aanvaard, tenzij kan worden gesteld dat het bevoegde gezag niet in redelijkheid tot het ontslag heeft kunnen besluiten, dan wel dat het besluit anderszins in strijd zou zijn met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De rechtbank stelt verder voorop dat de vraag of sprake is van een verstoorde verhouding door de gemeenteraad wordt beantwoord. Artikel 61b van de Gemeentewet bevat de nodige waarborgen voordat de raad daadwerkelijk tot een aanbeveling tot ontslag komt. Zo dient de raad met de CdK te overleggen voordat de raad verklaart dat van een verstoorde verhouding sprake is. In deze fase heeft de CdK de mogelijkheid tot bemiddeling en kan hij bezien of zijn interventie tot oplossingen kan leiden. Als de raad niettemin verklaart dat sprake is van een verstoorde verhouding dient ingevolge het vierde lid een zekere afkoelingsperiode in acht te worden genomen alvorens tot een aanbeveling tot ontslag wordt besloten. De CdK brengt advies uit over die aanbeveling. Ten slotte bepaalt het zevende lid dat de Minister in zijn voordracht slechts afwijkt van de aanbeveling op gronden ontleend aan het advies van de CdK dan wel op andere zwaarwegende gronden. Gelet op de formulering van het zevende lid is het de Minister die uiteindelijk de afweging maakt of van de aanbeveling wordt afgeweken. Gelet op de procedure die voorafgaand aan het vaststellen van de aanbeveling door de raad is gevolgd mag er van worden uitgegaan dat daadwerkelijk sprake is van een verstoorde verhouding. De vraag wanneer er aanleiding is om op grond van zwaarwegende gronden toch van de aanbeveling af te wijken (en dus niet tot ontslag over te gaan) kan niet in algemene zin beantwoord worden. Dat zal van de bijzondere omstandigheden in het individuele geval afhangen.

De rechtbank dient, gelet hierop, te toetsen of de Minister in zijn voordracht in dit geval in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van zwaarwegende gronden om van de aanbeveling van de gemeenteraad af te wijken.

Eiser stelt dat er wel een zwaarwegende grond was om af te wijken van de aanbeveling van de gemeenteraad: hij stelt daartoe dat geen sprake was van een verstoorde verhouding met de gemeenteraad maar dat uitsluitend het conflict met de wethouders aan de aanbeveling van de gemeenteraad ten grondslag heeft gelegen. Het conflict met de wethouders vindt zijn oorsprong, aldus eiser, in de wijze waarop hij de integriteit van de wethouders aan de kaak heeft gesteld.

Ten aanzien van deze grond overweegt de rechtbank dat in de motie van de gemeenteraad van 20 november 2007 met name wordt gesproken over de ontstane crisis in het college van burgemeester en wethouders, als gevolg waarvan de kwaliteit en continuïteit van het bestuur van de gemeente in gevaar komen. Ten aanzien van het functioneren van eiser stelt de gemeenteraad dat bij eiser sprake is van een gebrek aan bindend vermogen, intermenselijke communicatie en samenwerking.

In de motie van 11 december 2007 wordt met name gesproken over de ontwikkeling van de gemeente en de in verband daarmee gewijzigde behoefte aan bestuurlijk leiderschap. Wat betreft de kwestie van de integriteit overweegt de gemeenteraad blijkens de motie dat eiser in de vergadering van 20 november 2007 zijn visie in uitermate scherpe bewoordingen naar voren heeft gebracht en daarbij door het uiten van zijn waarneming en beleving van feiten en omstandigheden, door het bewust wekken van suggesties en het uiten van op personen gerichte aantijgingen kennelijk welbewust ernstige schade heeft willen toebrengen en ook heeft toegebracht aan personen, die in de gemeente bestuurlijke, politieke en ambtelijke verantwoordelijkheid dragen.

Naar het oordeel van de rechtbank kon daarmee voor de Minister voldoende vaststaan dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen gemeenteraad en eiser die niet alleen voortvloeide uit het conflict met de wethouders. Dat de crisis in het college de directe aanleiding is moge zo zijn, de gemeenteraad heeft de continuïteit van het bestuur van de gemeente voorop gesteld en vervolgens zijn verhouding tot eiser bezien. Met name de wijze waarop eiser zich in de raadsvergadering van 20 november 2007 heeft uitgelaten over de wethouders heeft de gemeenteraad kunnen brengen tot de overtuiging dat de crisis binnen het college van burgemeester en wethouders niet meer te herstellen was waardoor de bestuurbaarheid van de gemeente verder in het gedrang zou komen. De veronderstelling van eiser dat uitsluitend de kwestie van de integriteit van de wethouders daarbij een rol speelde wordt weersproken door de tekst van de moties en de eveneens in de vergadering van 11 december 2007 aangenomen motie waarin de gemeenteraad heeft besloten tot een onderzoek naar de gedragingen van de wethouders en de beweringen van eiser, welk onderzoek ook daadwerkelijk is uitgevoerd door het BING. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister in het voorgaande in redelijkheid geen zwaarwegende grond hoeven te zien om van de aanbeveling van de gemeenteraad af te wijken.

De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat de CdK, alvorens hij overging tot het uitbrengen van een advies overeenkomstig artikel 61b, vijfde lid, van de Gemeentewet, aan Platvoet de opdracht heeft verstrekt te onderzoeken of inderdaad grond bestaat te twijfelen aan de integriteit van de wethouders. Uit het advies van de CdK blijkt dat deze daarin geen aanleiding heeft gevonden om af te wijken van de aanbeveling van de gemeenteraad. De CdK overweegt dat uit de bevindingen naar voren komt dat eiser ten aanzien van het handelen van individuele wethouders in hun functie in enkele kwesties in meerdere of mindere mate reden had voor zorg over of kritiek op het handelen van de desbetreffende wethouder. Echter, in die gevallen waarin daarvan sprake was, moet worden vastgesteld dat die kwesties hetzij binnen het college zijn afgedaan dan wel door besluitvorming van de raad geacht moeten worden te zijn afgewikkeld. Eiser heeft, aldus de CdK, kennelijk ook hierin geen aanleiding gezien om van zijn verantwoordelijkheden in het kader van de besluitvorming binnen het gemeentebestuur gebruik te maken. De CdK concludeert dat, hoewel eiser ten aanzien van een enkele kwestie grond voor zorg of kritiek had, moet worden vastgesteld dat eiser zijn bedenkingen ten aanzien van de wethouders pas richting de raad heeft geuit toen zijn eigen positie ter discussie is komen te staan. Hij heeft zich daarbij dermate negatief uitgelaten over de moraliteit en integriteit van de wethouders dat hij daarmee definitief het vertrouwen van de raad heeft verloren.

De rechtbank is van oordeel dat de CdK, gelet op het vorenstaande, aanleiding heeft kunnen zien voor de conclusie dat er geen basis meer was voor de uitoefening van het burgemeesterschap door eiser in de gemeente [naam gemeente] en dat sprake was van een verstoorde verhouding tussen eiser en de gemeenteraad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister in het voorgaande in redelijkheid geen zwaarwegende grond hoeven te zien om van de aanbeveling van de gemeenteraad af te wijken.

Ook in de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor de conclusie dat de Minister ten onrechte daarin geen zwaarwegende gronden heeft gezien om te komen tot een afwijking van de aanbeveling van de gemeenteraad. Dat de gemeenteraad niet op een wijze in overeenstemming met het reglement van orde bijeen zou zijn geroepen kan niet tot die conclusie leiden nu het aan de raad is te bepalen wat de gevolgen van handelen in strijd met het reglement eventueel zouden zijn. Dat verder leden van de raad onvoldoende tijd hebben gehad zich voor te bereiden op de raadsvergaderingen ziet de rechtbank niet in. Weliswaar blijkt uit de verslagen van de vergadering dat enkele raadsleden de zaak niet voldoende op zich hebben kunnen laten inwerken, maar dat neemt niet weg dat de raad als zodanig voldoende in staat is geweest een beslissing te nemen en enkele weken later, na een afkoelingsperiode, is gekomen tot de aanbeveling.

Dat de CdK zich onvoldoende heeft ingespannen om in het conflict te bemiddelen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de stukken blijkt dat de weg naar bemiddeling al vrij snel is afgesloten aangezien de meerderheid van de raad zich daartegen verzette. Gegeven die situatie kon de CdK redelijkerwijs menen dat bemiddeling geen optie was. Dat hij zich onvoldoende zou hebben ingespannen om het conflict, zoals eiser dat noemt, bij de wortel aan te pakken, is feitelijk onjuist, gezien de omstandigheid dat hij de door eiser gestelde vermeende niet-integere handelingen van de wethouders heeft doen onderzoeken alvorens een advies op te stellen naar aanleiding van de aanbeveling.

Gelet op het vorenstaande heeft de Minister naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen zwaarwegende gronden aanwezig geacht die nopen tot het afwijken van de aanbeveling en kon eiser redelijkerwijs worden voorgedragen voor ontslag.

Verweerder heeft vervolgens ontslag verleend. Gelet op de uitvoerige totstandkoming van het uiteindelijke besluit, waarin alle standpunten gewisseld waren en duidelijkheid bestond omtrent de relevante feiten, is de omstandigheid dat het primaire besluit is genomen kort nadat de voordracht is gedaan naar het oordeel van de rechtbank niet een aanwijzing dat het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen zou zijn, temeer niet daar ook de bestuurbaarheid van de gemeente in het geding was. Daarbij zij nog vermeld dat niet het primaire besluit doch het besluit op bezwaar ter toetsing door de bestuursrechter voorligt. De tegen dat besluit aangedragen gronden, voor zover niet al hiervoor besproken, kunnen niet leiden tot de conclusie dat verweerder ten onrechte het besluit tot ontslag heeft gehandhaafd.

De gronden van eiser, voor zover gericht tegen het handhaven van het besluit tot ontslag op andere grond (op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e van het Rpb) laat de rechtbank onbesproken, nu verweerder in het bestreden besluit het besluit tot het verlenen van ontslag op grond van een aanbeveling tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen burgemeester en raad (op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d van het Rpb) heeft gehandhaafd en dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen zwaarwegende gronden voor de Minister waren om af te wijken van de aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag van eiser en dat verweerder vervolgens in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van eervol ontslag en dat besluit in het besluit op bezwaar heeft kunnen handhaven acht de rechtbank termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het besluit, dat als gevolg van bovengenoemd bevoegdheidsgebrek dient te worden vernietigd, in stand te laten.

De rechtbank acht het in dit geval billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Dit zijn enerzijds reiskosten, die eiser heeft moeten maken voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting ([woonplaats] – Almelo v.v.), en anderzijds zijn dit de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te berekenen naar één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting en een half punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen na heropening van het onderzoek.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 817,76, door verweerder te betalen aan eiser;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 145,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink als voorzitter, en mrs. R.J. Jue en J.H. Keuzenkamp als leden, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2010.