Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2010:BL0340

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
08/710665-09 en 08/750303-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van een inspecteur van de politie, alsmede vernieling. De rechtbank Almelo veroordeelt verdachte tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummers: 08/710665-09 en 08/750303-09

datum vonnis: 22 januari 2010

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[Verdachte]

geboren op [1980] in [geboorteplaats],

nu verblijvende [gedetineerd].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 december 2009 en 11 januari 2010. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Wichern en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd een inspecteur van de regiopolitie Twente zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel te mishandelen;

feit 2: een terrasstoel heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 augustus 2009 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten de inspecteur van de regiopolitie Twente, genaamd [slachtoffer], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen en/althans eenmaal met kracht in het

gezicht en/althans tegen het hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen

en/of geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2009 in de gemeente Enschede, opzettelijk mishandelend een politie-ambtenaar, te weten de inspecteur van de regiopolitie Twente, genaamd [slachtoffer], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen en/althans eenmaal (met kracht) in het gezicht en/althans tegen het hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 26 juni 2009, in de gemeente Enschede, opzettelijk en wederrechtelijk een (terras)stoel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan café [rechtspersoon] [adres rechtspersoon], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die (terras)stoel (op) te pakken en (vervolgens) (met) die (terras)stoel (van zich af) te gooien;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat betekent een behandeling bij de Tender of een soortgelijke instelling.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Feit 1

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.

Op 23 augustus 2009 heeft verdachte in de gemeente Enschede inspecteur [slachtoffer] van de regiopolitie Twente, twee keer met gebalde vuist hard op het gezicht geslagen. Hierna is verdachte geboeid, terwijl hij met zijn rug op de grond lag. Tijdens het boeien van verdachte zat inspecteur [slachtoffer] met zijn knieën op het lichaam van verdachte en een medewerker van de beveiligingsdienst hield de benen van verdachte in bedwang. Nadat de medewerker van de beveiligingsdienst de benen van verdachte losliet, heeft verdachte inspecteur [slachtoffer] tweemaal met zijn geschoeide voet tegen het hoofd geschopt.

5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer meermalen in het gezicht gestompt en later in het gezicht getrapt. Hierdoor heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Voorts stelt de officier van justitie dat verdachte wist dat het slachtoffer een politieman in functie was.

De raadsman heeft betoogd dat dit schoppen en slaan niet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Tevens was het niet de bedoeling van verdachte om het slachtoffer tegen het hoofd te schoppen. Het door het slachtoffer opgelopen letsel geeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat het schoppen en slaan met zodanig geweld gepaard is gegaan, dat dit tot zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden. Derhalve heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en kan het primair tenlastegelegde onder 1 niet bewezen worden. Het subsidiair tenlastegelegde kan wel bewezen worden.

5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Zwaar lichamelijk letsel

[Slachtoffer] heeft verklaard dat hij, na door verdachte tegen het hoofd te zijn getrapt, door de knieën is gezakt en dat het hem zwart voor de ogen werd. Daarop is [slachtoffer] naar een ziekenhuis gebracht. Daar werd geconstateerd dat hij een hersenschudding had. Tevens had hij een scheurtje aan de binnenkant van de lip. Ook rondom het linkeroog voelde hij pijn door opkomende zwelling.

[Slachtoffer] heeft tevens verklaard dat toen de man van de security, die op de benen van verdachte zat, zag dat de verdachte geboeid was, hij van de verdachte af ging om te gaan helpen het publiek op afstand te houden dat zich tegen de security en de politie keerde. Op dat moment waren de benen van verdachte vrij en zag en voelde [slachtoffer] dat verdachte met zijn geschoeide voeten twee maal hard tegen zijn hoofd trapte.

De rechtbank concludeert dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen door de vuistslagen en schoppen van verdachte.

Onder 5.1 is vastgesteld dat verdachte, voorafgaand aan het moment dat hij het slachtoffer begon te schoppen op zijn rug lag terwijl [slachtoffer] op hem zat. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte op het moment dat hij begon te schoppen de aangever [slachtoffer], die hij eerder al twee vuistslagen had toegebracht, kon zien. De rechtbank laat in het midden of verdachte gerichte trappen heeft uitgedeeld aan [slachtoffer]. Verdachte heeft in ieder geval door wild met zijn benen rond te trappen, terwijl hij wist dat er iemand op zijn lichaam zat, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schoppen tegen het kwetsbare hoofd zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Nu dit gevolg niet is ingetreden, is sprake van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 23 augustus 2009 in Enschede een inspecteur van de regiopolitie Twente gepoogd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 primair en 2 heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 augustus 2009 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten de inspecteur van de regiopolitie Twente, genaamd [slachtoffer], terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht in het gezicht en tegen het hoofd heeft gestompt en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 juni 2009, in de gemeente Enschede, opzettelijk en wederrechtelijk een terrasstoel, toebehorende aan café [rechtspersoon] [adres rechtspersoon], heeft vernield, door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die terrasstoel op te pakken en vervolgens met die terrasstoel te gooien;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 primair en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het sub 1 primair bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 302, 304 Sr en het sub 2 bewezenverklaarde bij artikel 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Psychiater Kaiser heeft in het psychiatrisch rapport d.d. 12 november 2009 geconcludeerd dat verdachte tijdens het plegen van het bewezenverklaarde feit 1 licht verminderd toerekeningsvatbaar was. Voorts concludeert psychiater Kaiser, dat verdachte ter voorkoming van recidive, een dagbehandelig nodig heeft die met name gericht is op zijn agressieregulatie problematiek. Het advies is derhalve een deeltijdbehandeling bij een forensische polikliniek zoals de Tender of Kairos.

Psycholoog De Vrij concludeert in het psychologisch rapport d.d. 13 november 2009 dat bij het delictgedrag van verdachte de met zijn persoonlijkheidsproblematiek samenhangende krenkbaarheid, zijn impulsiviteit en alcoholmisbruik een rol spelen. Volgens de psycholoog kan het bewezenverklaarde feit 1 in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend. Hierbij wordt tevens geconcludeerd dat betrokkene al jaren bekend is met het effect dat drank op hem kan hebben en dat verdachte hierop aangesproken kan worden. De psycholoog acht een behandelingstraject gericht op de impulsiviteit en agressief gedrag, het drankmisbruik en de zwakke gewetensfunctie noodzakelijk. Hiertoe wordt een dagbehandeling in een instelling voor ambulante forensische psychiatrische zorg geadviseerd.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar. Dit heeft plaatsgevonden tijdens een dancefestival in Enschede. Een dergelijk festival dient een feestelijke gelegenheid te zijn, waar bezoekers zich veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft door het gebruik van geweld het festival verstoord. Tevens heeft hij hiermee bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid bij het (uitgaans)publiek in zijn algemeenheid. Verdachte dient zich te onthouden van dergelijke gewelddadige handelingen. De rechtbank rekent verdachte tevens zwaar aan dat het gebruikte geweld gericht was tegen een politieambtenaar. Het is immers van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren bij dergelijke festiviteiten hun werkzaamheden kunnen doen en niet worden tegengewerkt c.q. belemmerd in de uitoefening van hun functie. Verdachte heeft door zijn gewelddadige gedragingen het gezag en respect dat de politie in dergelijke situaties toekomt in ernstige mate miskend. Voorts ondervindt het slachtoffer tot op heden grote psychische gevolgen van het door verdachte gebruikte geweld. Het slachtoffer is hierdoor sindsdien niet of nauwelijks in staat geweest om te werken.

Tevens is bewezen verklaard dat verdachte een terrasstoel van een café heeft vernield. Vernieling vormt een ernstige inbreuk, die financiële schade en overlast voor de gedupeerden met zich brengt.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straftoemeting rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit 1 in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder andere tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen het voor dit feit landelijk vastgestelde oriëntatiepunt straftoemeting betrokken. Dit geeft als uitgangspunt voor het “opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer schoppen tegen het hoofd”, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank heeft zich er rekenschap van gegegeven dat bij een poging het strafmaximum met een derde wordt verminderd. Tevens heeft zij in aanmerking genomen dat het strafmaximum wordt verhoogd vanwege het feit dat het misdrijf gepleegd is tegen een ambtenaar in functie. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte reeds meerdere keren is veroordeeld wegens geweldsdelicten, hetgeen hem ondanks de daarvoor opgelegde straffen er niet van heeft weerhouden dit feit te plegen.

Zoals onder 7 is vermeld, kan het onder 5.4. sub 1 bewezenverklaarde in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank heeft hiermee bij de straftoemeting eveneens rekening gehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wil meewerken aan een dagbehandeling, omdat hij verwacht dat dit een positief effect zal hebben op zijn toekomst. Hierbij heeft hij kenbaar gemaakt dat hij begrijpt dat een dagbehandeling een zeer intensief traject is en dat dit een grote tijdsinvestering van hem zal vergen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat voor verdachte een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat betekent een ambulante behandeling bij de Tender of een soortgelijke instelling, passend is.

9. De schade van benadeelden en de schadevergoedingsmaatregel

[Slachtoffer], domicilie kiezende te [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1366,- (dertienhonderdzesenzestig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- Immateriële schadevergoeding ad € 500,-;

- Materiële schade bril ad € 711,-;

- Eigen risico ziektekostenverzekering CZ ad € 155,-.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr. Daarnaast heeft de officier van justitie, namens de benadeelde partij, verzocht om het

“voegingsformulier benadeelde partij” zodanig te lezen c.q. de vordering benadeelde partij zodanig aan te passen dat de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade als voorschot wordt gevorderd, zodat het slachtoffer de eventuele meerdere schade nadien bij de civiele rechter kan vorderen.

Door verdachte is de vordering inhoudelijk niet betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1366,-. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank begroot die kosten op nihil. De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 is toegebracht.

De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie tot ruimere lezing c.q. aanpassing van de vordering benadeelde partij af, omdat in het “voegingsformulier” niet verzocht is om toekenning als “voorschot” en de officier van justitie niet door de benadeelde partij schriftelijk gemachtigd is hem terzake te vertegenwoordigen.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10,14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 27 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 primair en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: het misdrijf poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

feit 2: het misdrijf opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen.

- verklaart verdachte strafbaar voor het sub 1 primair en sub 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat begeleiding of ambulante behandeling door derden (bijvoorbeeld De Tender), voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1366,-;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1366,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 23 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte. Dit bevel is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. S.A. van Hoof en mr. P.L. Alers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Kok, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

Mr. Van Hoof is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.